Logo van Ministerie van Financiën
home
Organisatie Links Vacatures Service Zoeken
 
Snelzoeken
Circulaire beheersen EMU-saldo van de lokale overheid

CIRCULAIRE BEHEERSEN EMU-SALDO VAN DE LOKALE OVERHEID

Van 8 november 2004

 

 

Aan:    

de besturen van gemeenten, provincies en waterschappen

 

Onderwerp:

Beheersing van het EMU-saldo van de lokale overheid

 

Doelstelling:

Bekendmaking van beleid en het geven van informatie

 

Inlichtingen

r.p.weijden@minfin.nl

 

Internet

www.minfin.nl
Voorwoord

 

Bijgevoegd treft u een circulaire aan waarin de afspraken zijn weergegeven die tussen het kabinet en de lokale overheden zijn gemaakt. Deze afspraken zijn tot stand gekomen na constructief overleg tussen het Rijk en de lokale overheden, waarvoor ik u zeer erkentelijk ben. In dit overleg is onderkend dat het EMU-saldo probleem nieuw is en dat de lokale overheden geen blaam treft. Wel is er doordat de Europese begrotingsregels gelden voor de overheid als geheel sprake van een gezamenlijk probleem.

 

Kern van het akkoord is dat gezamenlijk opgetrokken wordt om ervoor te zorgen dat in 2005 het vastgestelde maximumtekort niet wordt overschreden. Van groot belang is daarbij de verbetering van de informatievoorziening en het nauwlettend volgen van de ontwikkeling van het EMU-saldo. Een ander belangrijk onderdeel van het akkoord is dat mogelijkheden worden uitgewerkt om het verschil tussen het EMU-saldo en het saldo op de gewone dienst te beperken. Op basis van de ontwikkeling van het EMU-saldo voor de hele overheid en die van de lokale overheid wordt in 2005 gezamenlijk bezien of nadere actie nodig is.

 

Ten slotte wil ik u er graag op attenderen dat 24 november een voorlichtingsdag voor de lokale overheid gehouden wordt over dit onderwerp. Deze vindt plaats bij de Rijksacademie voor Financiën en Economie, zie voor programma en aanmelding: www.rijksacademie.nl (onder congreskalender).

 

Mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De minister van Financiën,

 

 

 

 

 

 

G. Zalm
Inleiding

In deze circulaire informeren wij u over de gemaakte afspraken tussen het kabinet en de koepelverenigingen VNG, IPO en Unie van Waterschappen (UvW) om te komen tot een beheerste ontwikkeling van het EMU-saldo van de lokale overheid.

 

Aanleiding hiervoor is dat begin van dit jaar bleek dat een in 2003 opgetreden EMU-tekort (het gezamenlijk begrotingstekort van het Rijk, lokale overheden en sociale fondsen) mede was veroorzaakt door een hoger dan verwacht EMU-tekort van de lokale overheden: provincies, gemeenten en waterschappen. De tekorten waren hoger dan in ramingen van het CPB was voorzien en dus ontstond een probleem, niet in de laatste plaats omdat het EMU-tekort in 2003 over de grenswaarde van 3% ging uit het verdrag van Maastricht. Ook in 2004 en 2005 bevindt Nederland zich nog in de gevarenzone.

 

Het afgelopen half jaar is uitvoerig overleg gevoerd over de mogelijkheden om het EMU-saldo van de lokale overheid te beheersen. Onderkend is dat er sprake is van een gezamenlijk probleem dat gezamenlijk opgelost moet worden. Ook is duidelijk dat de lokale overheid geen blaam treft en handelt binnen de eisen over een sluitende begroting in baten-lastentermen. Op 27 september jl. hebben het kabinet, de VNG, het IPO en de UvW  (hierna ook wel genoemd lokale overheid) een akkoord bereikt dat zoveel mogelijk rekening probeert te houden met dit gegeven en de autonomie van de lokale overheid. Na raadpleging van de leden van VNG, IPO en UvW is dit akkoord bekrachtigd op het bestuurlijk overleg financiële verhoudingen van 27 oktober.

 

Navolgend wordt ingegaan op de afspraken die er op gericht zijn om de informatievoorziening over het EMU-saldo van de lokale overheid te verbeteren, het tekort in 2005 te beheersen en gezamenlijk te zoeken naar oplossingen in de sfeer van publiek-private samenwerking en het grondbedrijf. Zonodig worden in de eerste helft van 2005 na overleg nadere oplossingen gezocht. Hiermee wordt voor 2005 afgezien van nadere regelgeving, boeten, een ontheffingsregime en een ruilmechanisme, zoals nog werd voorgesteld in een recent advies van een commissie van externe deskundigen (http://www.minfin.nl/, ter zake dossier gemeenten en provincie, onder beheersen EMU-saldo lokale overheid). Op basis van de ervaringen in 2005 en de stand van de discussie die nu loopt over het Stabiliteits- en groeipact (SGP) in Europa zal nader invulling worden gegeven aan een structurele oplossing. Het afgesloten akkoord is ter informatie bijgevoegd (bijlage 1).

 

Navolgend wordt ingegaan op:

  1. Overschot lokale overheid onverwachts omgeslagen in een EMU-tekort.
  2. Verbetering van de informatievoorziening.
  3. Hoe het EMU-saldo voor de eigen organisatie te berekenen.
  4. Beheersen van het EMU-saldo 2005.
  5. Publiek-private samenwerking en het grondbedrijf.
  6. Welke ondersteuning biedt het rijk?

 

In de bijlage 1 staat de tekst van het bestuurlijk akkoord en in bijlage 2 zijn de referentiewaarden voor de individuele lokale overheden opgenomen. Bijlage 3 bevat de enquêtes voor de gemeenten/provincies en de waterschappen en bijlage 4 geeft enige handvatten die kunnen helpen om binnen de EMU-norm te blijven.

 

1. Overschot lokale overheid onverwacht omgeslagen in een tekort

Het EMU-saldo van de lokale overheid telt mee voor het EMU-saldo van de totale Nederlandse overheid. Na jarenlange kleine overschotten is het EMU-saldo van de lokale overheid in 2002 en 2003 onverwacht flink in de min geschoten. In 2003 is er sprake van een EMU-tekort voor de lokale overheid van 0,6% BBP. In 2004 zal er naar verwachting sprake zijn van een tekort van 0,7% en in 2005 van 0,5%. Deze raming van het Centraal Planbureau, in tabel 1, sluit aan bij de uitkomsten van een enquête die is gehouden onder de 50.000+ gemeenten.

 

Tabel 1: EMU-saldo lokale overheid 2000 – 2007; in miljarden euro en procenten BBP

 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Miljarden euro

0,3

-0,3

-2,0

-2,5

-3,2

-2,4

-1,6

-0,8

% BBP

0,1

-0,1

-0,5

-0,6

-0,7

-0,5

-0,3

-0,2

 

Het tekort in het jaar 2003 bedraagt, bij een neutrale verwerking van het BTW-compensatiefonds, 2,5 miljard euro dat grotendeels was geconcentreerd bij de gemeenten (2,4 miljard) en in minder mate bij de provincies (0,2 miljard), de waterschappen (0,1 miljard).

 

Oorzaken voor het ontstaan van het tekort liggen met name in de oplopende netto grondaankopen van gemeenten en in de investeringen van gemeenten, provincies en waterschappen. Deze uitgaven worden grotendeels gefinancierd door leningen en door het inzetten van in het verleden opgebouwde reserves.

Het oplopen van het EMU-tekort betekent niet dat de lokale overheden blaam treft. Een EMU-tekort kan zich immers voordoen bij een sluitende begroting (bij een baten-lastenstelsel) en het EMU-tekort is tot op heden geen sturingsvariabele geweest voor de lokale overheid. Hoewel dus conform de bestaande regels wordt gehandeld, vormt het ontstane EMU-tekort toch een probleem omdat dit tekort van de lokale overheid bijdraagt aan het EMU-tekort van de gehele overheid. Mede daardoor heeft Nederland in 2003 de 3%-tekortgrens uit het verdrag van Maastricht overschreden. Ook voor de jaren 2004 en 2005 kan dit het geval zijn omdat Nederland zich dan ook in de buurt van deze grens beweegt.

Op basis van de wet Financiering Decentrale Overheden (Fido) behoort ingrijpen tot de mogelijkheden bij een dreigende overschrijding van het 3% EMU-tekort voor zover dit wordt veroorzaakt door een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de lokale overheid. Om er zeker van te zijn dat Nederland aan zijn Europese verplichtingen kan voldoen ten aanzien van het respecteren van de 3% tekortgrens is 2005 een zeer belangrijk jaar. In ieder geval moet voorkomen worden dat, mede door (onverwachte) EMU-tekorten bij de lokale overheden, Nederland voor de derde keer op rij deze grens overschrijdt.

 2. Verbetering van de informatievoorziening

Goede informatievoorziening kan een bijdrage leveren aan de bewustwording dat de lokale overheden een bijdrage leveren aan het EMU-saldo. Met het oog daarop is afgesproken dat in het vervolg een raming van het eigen EMU-saldo wordt opgenomen in de begroting (en in de uitvoeringsnota’s)[1]. Aangezien de begrotingen voor 2005 al bijna zijn afgerond, zal voor het eerste jaar de informatie separaat van de begroting worden gepresenteerd. Deze informatie zal worden opgevraagd in de vorm van een enquête en zal door het Rijk worden geaggregeerd om een totaal te krijgen van elk van de drie sectoren. Naast de cijfers voor het jaar 2005 wordt tevens gevraagd naar de cijfers voor het jaar 2004 en 2006. In de volgende paragraaf wordt aangegeven hoe u zelf op een eenvoudige wijze het EMU-saldo kan berekenen. De begroting 2006 is dus de eerste begroting waarin het EMU-saldo een vaste plaats krijgt.

 

De monitoring van het EMU-saldo tijdens het jaar vindt plaats via de bestaande EMU-kwartaalrapportages (ook wel KREDO-rapportages genoemd) over de uitvoering 2005. Het belang van het tijdig en volledig invullen van deze rapportages spreekt voor zich. Medio maart zal op basis van de dan bestaande inzichten over de begroting 2005 en de uitkomsten 2004 de balans worden opgemaakt. U wordt verzocht de Kredo-rapportage over het vierde kwartaal voor 1 februari aan het CBS te doen toekomen en tevens aan te geven of de EMU-saldo raming voor 2005 nog actueel is. Medio juni zal een tweede keer de balans worden opgemaakt, gebaseerd op de eerste kwartaalrapportage aan het CBS. U wordt dan ook verzocht aan te geven welke doorwerking de eerste uitvoeringsnota[2] heeft op de EMU-saldo raming voor 2005 en aan te geven of de EMU-saldi voor 2004 (invloed jaarverslag) en 2006 nog actueel zijn.

 


Box: aanleveren benodigde gegevens

In bijlage 3 van deze circulaire zijn aparte enquêtes voor enerzijds provincies en gemeenten en anderzijds waterschappen opgenomen in de bijlage 3. De enquête voor provincies en gemeenten komt ook via het internet in Excel-formaat beschikbaar (http://www.minfin.nl/, bij ter zake dossier gemeenten en provincie, onderdeel beheersen EMU-saldo lokale overheid). U wordt verzocht uiterlijk 15 december de uitkomsten van de enquête in dit Excel-formaat op te sturen naar emailadres r.p.weijden@minfin.nl

De door het bestuur van de lokale overheid (voor gemeenten B&W) ondertekende versie dient per post opgestuurd te worden aan het ministerie van BZK, Postbus 20011 2500 EA Den Haag t.a.v. de heer B. Doeves.

Mede omdat de van de waterschappen benodigde gegevens reeds voor een deel aanwezig zijn in de Begrotingsvergelijking van de Vereniging van Directeuren van Waterschappen wordt de waterschapsenquête opgenomen in dit instrument. De Unie van Waterschappen zal de gegevens beschikbaar stellen aan de Werkgroep beheersen EMU-saldo lokale overheid. Onderstaand schema maakt duidelijk welke informatie wanneer aangeleverd moet worden.

 

Overzicht (aanvullende) informatievoorziening

 

2004

2005

2006

1. Enquête voor 15 december (basis begroting 2005)

X

X

X

2. Voor 1 februari oplevering 4de kwartaal Kredo 2004

X

X

 

3 Voor 1 mei 1e kwartaal Kredo 2005, medio juni balans opmaken

 

X

X

 

 


3. Hoe het EMU-saldo voor de eigen organisatie te berekenen

In het Verdrag van Maastricht is afgesproken dat het EMU-tekort van een land maximaal 3% BBP mag bedragen. Hierbij is gebruik gemaakt van definities en conventies van het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 1995). Deze definities bepalen dat het EMU-saldo het saldo van de gehele overheid is: Rijk, Sociale Fondsen en overige publiekrechterlijke lichamen (lokale overheid). Het EMU-saldo van de lokale overheden maakt daarom deel uit van de afspraken omtrent de 3%-tekortgrens.

 

Het EMU-saldo wijkt nogal af van het begrip exploitatiesaldo waar lokale overheden mee werken. Dit betekent een andere behandeling van onder meer investeringen in gebouwen, terreinen, wegen, voorraden grond, het interen op reserves en de opbrengsten uit de verkoop van deelnemingen/aandelen in bijv. energiebedrijven (zie tabel 2).

Tabel 2: Invloed van transacties op tekort lokale overheid en op EMU-tekort

 

Tekort lokale overheid

EMU-tekort

1. Investeringen

Alleen afschrijvingen vergroten tekort

Volledige investeringsbedrag ten laste van tekort

2. Grond

Aan- en verkoop niet in exploitatiesaldo. Wel geactiveerd, maar niet afgeschreven; boekwinst/boekverlies in exploitatiesaldo op moment van verkoop (of tussentijdse winst-/verliesneming)

Aankopen vergroten het EMU-tekort; verkopen verkleinen het EMU-tekort

3. Opbrengst verkoop financiële activa (aandelen/obligaties)

Boekwinst komt ten goede aan het exploitatiesaldo

Opbrengst niet-relevant voor het EMU-saldo

4. Aanwenden reserves

Financieringsbron voor uitgaven

Geen financieringsbron

5. Beroep op voorzieningen

Financieringsbron voor uitgaven

Geen financieringsbron

6. Vorming reserves

Ten laste van overschot begroting

Geen post

 

Onderstaand volgen drie voorbeelden die binnen het baten-lastenstelsel goed inpasbaar zijn, maar in EMU-saldo termen een tekort kunnen opleveren.

1. Een gemeente in begrotingsjaar (t) investeert bijvoorbeeld 100 miljoen euro. In EMU-saldo termen wordt het begrotingssaldo van jaar (t) van de gemeenten direct belast met 100 miljoen euro; in het baten-lastenstelsel wordt de uitgaven toegerekend aan de jaren van gebruik, waardoor alleen het afschrijvingsbedrag van 5 miljoen (in het geval de afschrijvingsduur 20 jaar bedraagt) ten laste van het begrotingssaldo van jaar (t) komt.

2. Een provincie verkoopt in jaar (t) een deelneming in een (energie)bedrijf voor 250 miljoen euro en wendt de opbrengst in kastermen nog in hetzelfde jaar aan voor een investeringsproject. Dit leidt tot een belasting van het EMU-saldo in jaar (t) met 250 miljoen. De verkoop van een deelneming ontlast het tekort niet - net als een aankoop het EMU-tekort niet belast - de kasbetaling voor het investeringsproject wel. In het baten-lastenstelsel wordt de boekwinst op de verkochte aandelen – 250 miljoen euro verminderd met de boekwaarde – via de exploitatierekening van jaar (t) aan de reserves toegevoegd; de met de investering samenhangende afschrijving in jaar (t) komt ten laste van de begroting van jaar (t).

3. Aankopen van grond belasten het EMU-saldo. Verkopen van grond ontlasten het EMU-saldo. In het baten-lastenstelsel leidt de aankoop van gronden tot een toename van de grondpositie op de balans. In het jaar van verkoop wordt deze grondpositie weer afgeboekt ten laste van de exploitatie van dat jaar. Tevens wordt de verkoopopbrengst ten gunste van de exploitatie geboekt, zodat per saldo de boekwinst (of verlies) ten gunste (ten laste) van de exploitatie wordt gebracht.

 

Hoe bereken ik het EMU-saldo voor mijn gemeente, provincie of waterschap?

Alle gemeenten, provincies en waterschappen leveren nu al gedetailleerde informatie aan het CBS aan via de EMU-kwartaalrapportagesen/of de FIDO-enquête aan bureau KREDO van het CBS, op basis waarvan het EMU-saldo wordt berekend. Dit wil niet zeggen dat elke gemeente, provincie of waterschap nu al een EMU-saldo berekent (zeker niet voor de raming). Het is immers tot nu toe geen sturingsvariabele.

 

Deze berekening is inmiddels wel gemaakt door de 50.000+ gemeenten. Dit is gebeurd door een enquête over de te verwachten ontwikkeling van het EMU-saldo van de lokale overheid in de jaren 2004-2006 in te vullen (op basis van begroting 2004). De Unie van Waterschappen en het IPO hebben op eigen initiatief ook deze berekening gemaakt. Voor de berekening moet een aantal stappen worden gezet die in de volgende tabel kort zijn weergegeven. Onderstaand overzicht is van toepassing voor gemeenten en provincies (zie ook bijlage 3a), in bijlage 3b wordt nader ingegaan op de berekening voor de waterschappen.

Tabel 3: Van exploitatiesaldo lokale overheid naar EMU-saldo gemeenten en provincies

1

Exploitatiesaldo jaar (t) vóór toevoeging aan/onttrekking uit reserves (exclusief gemeentelijke “bedrijven”).*

+2

Afschrijvingen ten laste van de exploitatie jaar (t)

+3

Bruto dotaties aan voorzieningen ten laste van de exploitatie jaar (t)

-4

Investeringen in jaar (t) in materiële vaste activa die op de balans ultimo jaar (t) worden geactiveerd

+5

Voor jaar (t) toegekende bijdragen van Rijk, provincies, EU en overigen inzake de investeringen die niet via de exploitatie lopen

+6a

Opbrengsten uit desinvesteringen in vaste activa in jaar (t)(tegen verkoopprijs)

-6b

De boekwinst op desinvesteringen in vaste activa in jaar (t)

-7

Aankoop grond, bouw-, woonrijp maken e.d. in jaar (t)

+8a

Opbrengsten uit verkoop van grond in jaar (t) (tegen verkoopprijs)

-8b

De boekwinst op grondverkopen in jaar (t)

-9

Betalingen in jaar (t) ten laste van de voorzieningen

-10

Betalingen in jaar (t) die niet via de exploitatie lopen, maar rechtstreeks ten laste van de reserves (inclusief fondsen e.d.) worden gebracht en die niet vallen onder één van de andere genoemde posten vallen

-11

Boekwinst bij verkoop van deelnemingen en aandelen in jaar (t)

=

Berekend EMU-saldo lokale overheid

*Een exploitatietekort heeft een minteken.

 

De posten met een plus verkleinen het EMU-tekort, die met een min vergroten het EMU-tekort. Zo zijn bijvoorbeeld afschrijvingen wel een last op de exploitatiebegroting van de lokale overheden, maar vormen deze geen uitgavenpost voor het EMU-saldo. Met de bovenstaande methode kan op eenvoudige wijze de begroting worden doorvertaald in EMU-termen[3]. Voor de realisatie gelden uiteindelijk de KREDO-rapportages (en/of FIDO) na beoordeling door het CBS.

 

4. Beheersen van het EMU-saldo 2005

De ontwikkeling van het EMU-tekort wordt gevolgd aan de hand van de begroting en de uitvoering 2005. Alle gemeenten, provincies en waterschappen zullen, zoals eerder gezegd, worden gevraagd op basis van hun begroting een berekening te maken van het te verwachten EMU-saldo in 2005. Medio maart (Voorjaarsnota) wordt op basis van de uitvoering over de eerste twee maanden de balans opgemaakt. De noodzaak van maatregelen zal dan worden bezien in het licht van de recente inzichten over de uitvoering en het actuele beeld rond het totale EMU-saldo (Raming CPB). Dit is het geval wanneer het totale EMU-tekort van de overheid de signaalwaarde van 2,5% overschrijdt en als de huidige raming van het tekort van de lokale overheid voor 2005 (0,5%) wordt overschreden. Medio juni zal voor de tweede keer de balans worden opgemaakt, gebaseerd op de gegevens over de uitvoering van de eerste vier maanden.

 

Tabel 4:  Maximaal tekort per sector lokale overheid

 

Gemeente

Provincie

Waterschappen

totaal tekort

Verdeling maximaal tekort in mln euro

1900

325

250

2475

Verdeling maximaal tekort in % BBP

0,4%

0,07%

0,05%

0,5%

 

Uitgaande van een maximaal EMU-tekort dat gemeenten, provincies en waterschappen gezamenlijk mogen hebben in 2005 (zie tabel 4), krijgt elke lokale overheid een eigen referentiewaarde. Het maximale EMU-tekort zal voor gemeenten in totaal 1900 miljoen euro bedragen, voor provincies 325 miljoen en voor waterschappen 250 miljoen (in totaal 0,5% BBP). Ter bewustwording zal deze macro referentiewaarde worden doorvertaald naar de afzonderlijke gemeenten, provincies en waterschappen. Voor de gemeenten en provincies gebeurt dit op basis van hun aandeel in de algemene uitkering van het gemeentefonds, respectievelijk de totale uitkering van het provinciefonds. Voor de waterschappen gebeurt dit op basis van de totale netto-kosten over 2004. In bijlage 2 staan de uitkomsten vermeld.

 


5. Welke maatregelen kunnen helpen binnen de norm te blijven?

Ofschoon er op voorhand geen grote spanning wordt verwacht bij het uitvoeren van bestaande beleidsvoornemens bij het maximale tekort voor de totale overheid is het toch verstandig om met voorrang de mogelijkheden uit te werken om het verschil tussen de belasting van het EMU-saldo en de begroting van de lokale overheid te beperken (PPS en grondbedrijf). Naar de mate dat dit lukt, beperkt dit de eventuele noodzaak van andere maatregelen.

 

De belangrijkste oorzaak voor het EMU-tekort van de lokale overheden is de toename van de lokale investeringen. Deze investeringen hebben voor circa 60% betrekking op het grondbedrijf. Voor niet-grond gerelateerde investeringen resteert circa 40%. Door te kiezen voor publiek-private samenwerking bij investeringen kan naast een doelmatigheidswinst ook een besparing worden gerealiseerd voor het EMU-saldo in de beginjaren. Op (korte) termijn valt hier de nodige winst te boeken omdat het gebruik van het instrument door de lokale overheden nog niet wijd verbreid is. De exacte omvang valt op dit moment echter nog niet te bepalen. Op deze wijze kan het probleem van grote fluctuaties in het EMU-saldo worden verminderd en kan tevens doelmatigheidswinst gerealiseerd worden. Ook ten aanzien van grond kan gedacht worden aan het verschuiven van risico’s naar een private partij. Handvatten daarbij zijn onder meer jointventures en de door de externe commissie genoemde CV/BV-constructie. Deze laatste constructie laat een projectontwikkelaar op basis van een contract kavels bouwrijp maken, publieke voorzieningen aanleggen en woningen realiseren. Voorts zal het ministerie van Financiën samen met de lokale overheden bezien welke mogelijkheden er zijn om in de toekomst (bepaalde) marktactiviteiten van het grondbedrijf af te splitsen en afzonderlijk te classificeren. In bijlage 4 wordt uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden die publiek private samenwerking heeft te bieden.

 


6. Welke ondersteuning biedt het rijk?

  • Op woensdag 24 november zal een voorlichtingsbijeenkomst worden georganiseerd ter ondersteuning van het berekenen van het eigen EMU-saldo op basis van de begroting 2005 (2004-2006) en het vinden van oplossingen. Onder meer het CBS zal dan een toelichting geven, maar ook zal een gemeente uit de 50.000+ categorie aangeven hoe zij de enquête die gehouden is in de zomer van 2004 heeft ingevuld en wat de ervaringen daarbij waren. Tevens zal een concreet voorbeeld van privaat-publieke samenwerking behandeld worden. Op de website van de Rijksacademie voor Financiën en Economie treft u hier nadere informatie over aan (http://www.rijksacademie.nl/, via congreskalender).

 

  • Tevens zal voor concrete vragen over het EMU-saldo en de instrumenten zoals PPS een helpdesk beschikbaar zijn. U kunt daarvoor terecht bij: r.p.weijden@minfin.nl.

 

 

  • Het Rijk zal bezien hoe ex ante zekerheid gegeven kan worden, zoals bijvoorbeeld door het CBS is geboden ten aanzien van de CV/BV constructie zoals die door de commissie beheersen EMU-saldo is bekeken (infrastructuur wordt privaat ontwikkeld en gaat uiteindelijk voor 1 euro over naar de overheid) over de classificatie van de onder punt 4 en in de bijlage 4 aangedragen handvatten. Dit om te voorkomen dat lokale overheden achteraf voor verrassingen komen te staan over de uitkomsten van de classificatie.

Bijlage 1: Akkoord bestuurlijk overleg over de beheersing van het EMU-saldo van de lokale overheden

 

Op 27 september hebben het kabinet, de VNG, het IPO en de UvW op constructieve wijze overleg gevoerd over het beheersen van het EMU-saldo van de lokale overheden. Onderkend is dat er sprake is van een gezamenlijk probleem dat vraagt om gezamenlijke oplossingen. Navolgend wordt ingegaan op de afspraken, die er op gericht zijn de lokale overheden bewust te maken van hun bijdrage aan het EMU-saldo. De beheersing zal op macroniveau gezamenlijk worden aangepakt door een strakke monitoring, het nader uitwerken van de mogelijkheden rond PPS/grondbedrijf en zonodig nadere maatregelen in de eerste helft van 2005. Voor 2005 zal worden afgezien van nadere regelgeving (amvb), boeten, een ontheffingsregime en een ruilmechanisme.

 

Het jaar 2005

  • De ontwikkeling van het EMU-tekort wordt gevolgd aan de hand van de begroting en de uitvoering 2005. Alle gemeenten, provincies en waterschappen zullen worden gevraagd op basis van hun begroting een berekening te maken van het te verwachten EMU-saldo in 2005. Medio maart (Voorjaarsnota) wordt op basis van de uitvoering over de eerste twee maanden de balans opgemaakt. De noodzaak van maatregelen zal dan worden bezien in het licht van de recente inzichten over de uitvoering en het actuele beeld rond het totale EMU-saldo (CEP). Medio juni zal een tweede keer de balans worden opgemaakt, gebaseerd op de gegevens over de uitvoering van de eerste vier maanden.
  • Er wordt een macro referentiewaarde vastgesteld voor gemeenten, provincies en waterschappen. Deze bedraagt voor respectievelijk provincies, waterschappen en gemeenten een maximaal EMU-tekort van 325, 250 en 1900 miljoen euro.
  • Ter bewustwording zal deze macro referentiewaarde worden doorvertaald naar de afzonderlijke gemeente, provincie en waterschap.
  • Voorts zullen de mogelijkheden worden uitgewerkt om de discrepantie tussen de belasting van het EMU-saldo en de gemeentelijke begroting te beperken. Partijen gaan gezamenlijk concrete mogelijkheden uitwerken op het terrein van publiek-private samenwerking. Daartoe zal de VNG een aantal concrete (grote) projecten voorleggen aan de werkgroep beheersing EMU-saldo lokale overheid. Voorts zal Financiën samen met de lokale overheden bezien welke mogelijkheden er zijn om in de toekomst (bepaalde) marktactiviteiten van het grondbedrijf af te splitsen en afzonderlijk te classificeren. Hierbij zal de expertise van het CBS  worden ingeroepen.

 

Structurele vormgeving

  • De afzonderlijke lokale overheden zullen per de begroting 2006 hun EMU-saldo in de begroting opnemen.
  • Op basis van de ervaringen in 2005 en de stand van de discussie die nu loopt over stabiliteitspact in Europa zal nader invulling worden gegeven aan een structurele oplossing (2006 en verder).

 

Procedure

  • Het akkoord zal op korte termijn door VNG, IPO en Unie van waterschappen met een positief advies worden voorgelegd aan de leden.
  • Eind oktober zal op basis van het akkoord een gezamenlijke brief/circulaire uitgaan naar de individuele gemeenten, provincies en waterschappen.

 


Bijlage 2: Overzicht referentiewaarden van de gemeenten, provincies en waterschappen

 

Hierbij treft u per individuele lokale overheid de referentiewaarde zoals toegelicht in paragraaf 4 van deze circulaire. Het overzicht voor gemeenten en provincies is gemaakt op basis van de organisatorische indeling zoals die in 2004 bestond. Bij mogelijke herindelingen of fusies in 2005 mogen de referentiewaarden voor de nieuwe indeling/organisatie gebaseerd worden op basis van het totaal van de referentiewaarden conform de indeling hieronder. Het overzicht voor de waterschappen is reeds gebaseerd op de situatie 2005. De Unie van Waterschappen heeft de gevolgen van de fusies per 1-1-2005 namelijk verwerkt.

 

2.1: Verdeling referentiewaarden gemeenten

Naam

Aandeel in het totaal

Referentiewaarde (*€1000)

Naam

Aandeel in het totaal

Referentiewaarde (*€1000)

Aa en Hunze

0,1%

2.572

Maarn

0,0%

505

Aalburg

0,1%

1.077

Maarssen

0,2%

3.458

Aalsmeer

0,1%

1.690

Maasbracht

0,1%

1.193

Aalten

0,1%

1.893

Maasbree

0,1%

1.081

Abcoude

0,0%

619

Maasdonk

0,0%

924

Achtkarspelen

0,2%

2.900

Maasdriel

0,1%

1.905

Alblasserdam

0,1%

1.714

Maassluis

0,2%

3.478

Albrandswaard

0,1%

1.651

Maastricht

0,8%

14.436

Alkemade

0,1%

1.201

Margraten

0,1%

1.177

Alkmaar

0,6%

11.039

Marum

0,1%

1.037

Almelo

0,5%

9.061

Medemblik

0,1%

971

Almere

1,0%

19.404

Meerlo-Wanssum

0,0%

691

Alphen aan den Rijn

0,4%

7.083

Meerssen

0,1%

1.612

Alphen-Chaam

0,0%

889

Meijel

0,0%

513

Ambt Montfort

0,1%

983

Menaldumadeel

0,1%

1.380

Ameland

0,0%

727

Menterwolde

0,1%

1.333

Amerongen

0,0%

638

Meppel

0,2%

3.475

Amersfoort

0,8%

14.473

Middelburg

0,3%

5.703

Amstelveen

0,4%

6.978

Middelharnis

0,1%

1.822

Amsterdam

8,9%

168.371

Midden Drenthe

0,2%

3.535

Andijk

0,0%

629

Midden-Delfland

0,1%

1.568

Angerlo

0,0%

445

Mill en Sint Hubert

0,1%

1.012

Anna Paulowna

0,1%

1.389

Millingen aan de Rijn

0,0%

532

Apeldoorn

0,9%

16.482

Moerdijk

0,2%

2.961

Appingedam

0,1%

1.628

Montfoort U

0,1%

1.062

Arcen en Velden

0,0%

768

Mook en Middelaar

0,0%

631

Arnhem

1,0%

19.499

Moordrecht

0,0%

709

Assen

0,4%

7.004

Muiden

0,0%

512

Asten

0,1%

1.403

Naarden

0,1%

1.257

Baarle-Nassau

0,1%

993

Neder-Betuwe

0,1%

2.069

Baarn

0,1%

2.109

Nederlek

0,1%

1.368

Barendrecht

0,2%

3.655

Nederweert

0,1%

1.534

Barneveld

0,2%

4.353

Neede

0,1%

1.262

Bathmen

0,0%

457

Neerijnen

0,1%

1.012

Bedum

0,1%

1.099

Niedorp

0,1%

1.076

Beek

0,1%

1.402

Nieuwegein

0,3%

5.873

Beemster

0,0%

775

Nieuwerkerk a/d IJssel

0,1%

1.980

Beesel

0,1%

1.213

Nieuwkoop

0,0%

917

Bellingwedde

0,1%

1.220

Nieuw-Lekkerland

0,0%

807

Bennebroek

0,0%

384

Nijefurd

0,1%

1.491

Bergambacht

0,0%

835

Nijkerk

0,2%

3.297

Bergeijk

0,1%

1.553

Nijmegen

1,1%

20.931

Bergen L

0,1%

1.275

Noord-Beveland

0,0%

818

Bergen NH

0,1%

2.749

Noordenveld

0,2%

3.129

Bergen op Zoom

0,4%

7.353

Noorder-Koggenland

0,1%

1.023

Bergh

0,1%

1.736

Noordoostpolder

0,3%

5.029

Bergschenhoek

0,1%

1.425

Noordwijk

0,1%

2.073

Berkel en Rodenrijs

0,1%

1.854

Noordwijkerhout

0,1%

1.248

Bernheze

0,1%

2.385

Nuenen c.a.

0,1%

1.780

Bernisse

0,1%

1.070

Nunspeet

0,1%

2.345

Best

0,1%

2.465

Nuth

0,1%

1.312

Beuningen

0,1%

2.057

Obdam

0,0%

571

Beverwijk

0,2%

3.962

Oegstgeest

0,1%

1.731

Binnenmaas

0,1%

1.506

Oirschot

0,1%

1.629

Bladel

0,1%

1.715

Oisterwijk

0,1%

2.181

Blaricum

0,0%

473

Oldebroek

0,1%

1.984

Bleiswijk

0,0%

883

Oldenzaal

0,2%

3.282

Bloemendaal

0,0%

924

Olst-Wijhe

0,1%

1.637

Boarnsterhim

0,1%

1.949

Ommen

0,1%

1.787

Bodegraven

0,1%

1.698

Onderbanken

0,0%

718

Boekel

0,0%

875

Oosterhout

0,3%

5.042

Bolsward

0,1%

1.230

Oostflakkee

0,1%

994

Borculo

0,1%

1.144

Ooststellingwerf

0,2%

2.948

Borger-Odoorn

0,1%

2.782

Oostzaan

0,0%

773

Borne

0,1%

1.807

Opmeer

0,1%

1.045

Borsele

0,1%

2.055

Opsterland

0,2%

3.070

Boskoop

0,1%

2.013

Oss

0,4%

7.958

Boxmeer

0,1%

2.730

Oud-Beijerland

0,1%

2.074

Boxtel

0,1%

2.788

Ouder-Amstel

0,1%

981

Breda

1,0%

18.483

Ouderkerk

0,0%

763

Breukelen

0,1%

1.279

Oudewater

0,0%

932

Brielle

0,1%

1.533

Overbetuwe

0,2%

3.589

Brummen

0,1%

1.895

Papendrecht

0,2%

2.854

Brunssum

0,2%

3.346

Pekela

0,1%

1.613

Bunnik

0,0%

947

Pijnacker-Nootdorp

0,2%

3.519

Bunschoten

0,1%

1.510

Purmerend

0,4%

7.946

Buren

0,1%

2.207

Putten

0,1%

1.972

Bussum

0,1%

2.840

Raalte

0,2%

3.403

Capelle aan den IJssel

0,4%

7.049

Reeuwijk

0,1%

1.017

Castricum

0,2%

3.029

Reiderland

0,1%

989

Coevorden

0,2%

3.867

Reimerswaal

0,1%

2.108

Cranendonck

0,1%

1.785

Renkum

0,1%

2.717

Cromstrijen

0,1%

1.100

Renswoude

0,0%

346

Cuijk

0,1%

2.333

Reusel-De Mierden

0,1%

1.069

Culemborg

0,1%

2.823

Rheden

0,2%

4.166

Dalfsen

0,1%

2.324

Rhenen

0,1%

1.535

Dantumadeel

0,1%

2.158

Ridderkerk

0,2%

4.485

De Bilt

0,2%

3.370

Rijnsburg

0,1%

1.178

De Marne

0,1%

1.504

Rijnwaarden

0,1%

964

De Ronde Venen

0,1%

2.848

Rijnwoude

0,1%

1.538

De Wolden

0,1%

2.349

Rijssen-Holten

0,2%

3.529

Delft

0,7%

12.363

Rijswijk

0,3%

4.758

Delfzijl

0,2%

3.553

Roerdalen

0,0%

914

Den Helder

0,4%

7.063

Roermond

0,3%

5.655

Deurne

0,2%

3.037

Roggel en Neer

0,0%

791

Deventer

0,5%

10.197

Roosendaal

0,4%

8.150

Didam

0,1%

1.539

Rotterdam

6,5%

123.705

Diemen

0,1%

2.243

Rozenburg

0,1%

1.197

Dinkelland

0,1%

2.396

Rozendaal

0,0%

170

Dinxperlo

0,0%

832

Rucphen

0,1%

1.942

Dirksland

0,0%

806

Ruurlo

0,0%

796

Doesburg

0,1%

1.202

Sassenheim

0,1%

1.207

Doetinchem

0,3%

5.165

Schagen

0,1%

1.895

Dongen

0,1%

2.210

Scheemda

0,1%

1.646

Dongeradeel

0,2%

3.152

Schermer

0,0%

509

Doorn

0,0%

950

Scherpenzeel

0,0%

700

Dordrecht

0,8%

15.789

Schiedam

0,5%

10.438

Drechterland

0,1%

951

Schiermonnikoog

0,0%

296

Driebergen-Rijsenburg

0,1%

1.535

Schijndel

0,1%

1.982

Drimmelen

0,1%

2.120

Schinnen

0,1%

1.088

Dronten

0,2%

3.705

Schoonhoven

0,1%

1.298

Druten

0,1%

1.677

Schouwen-Duiveland

0,2%

3.743

Duiven

0,1%

2.355

Sevenum

0,0%

709

Echt-Susteren

0,2%

3.119

's-Gravendeel

0,0%

753

Edam-Volendam

0,1%

2.510

's-Gravenhage

4,8%

91.650

Ede

0,5%

9.926

's-Hertogenbosch

0,8%

14.859

Eemnes

0,0%

665

Simpelveld

0,1%

1.137

Eemsmond

0,1%

2.095

Sint-Anthonis

0,1%

1.350

Eersel

0,1%

1.585

Sint-Michielsgestel

0,1%

2.187

Eibergen

0,1%

1.660

Sint-Oedenrode

0,1%

1.427

Eijsden

0,1%

999

Sittard-Geleen

0,6%

10.581

Eindhoven

1,3%

25.114

Skarsterlan

0,2%

2.853

Elburg

0,1%

1.952

Sliedrecht

0,1%

2.461

Emmen

0,6%

11.691

Slochteren

0,1%

1.538

Enkhuizen

0,1%

2.125

Sluis

0,2%

2.971

Enschede

1,0%

18.927

Smallingerland

0,3%

6.302

Epe

0,2%

3.084

Sneek

0,2%

4.267

Ermelo

0,1%

2.720

Soest

0,2%

3.814

Etten-Leur

0,2%

3.752

Someren

0,1%

1.631

Ferwerderadiel

0,1%

1.093

Son en Breugel

0,1%

1.090

Franekeradeel

0,1%

2.553

Spijkenisse

0,4%

8.214

Gaasterlan-Sleat

0,1%

1.272

Stadskanaal

0,2%

3.876

Geertruidenberg

0,1%

1.831

Staphorst

0,1%

1.571

Geldermalsen

0,1%

2.215

Stede Broec

0,1%

2.228

Geldrop-Mierlo

0,2%

3.510

Steenbergen

0,1%

2.214

Gemert-Bakel

0,1%

2.605

Steenderen

0,0%

490

Gendringen

0,1%

2.013

Steenwijkerland

0,3%

4.835

Gennep

0,1%

1.754

Stein

0,1%

2.246

Giessenlanden

0,1%

1.260

Strijen

0,0%

878

Gilze en Rijen

0,1%

2.087

Swalmen

0,0%

851

Goedereede

0,1%

1.081

Ten Boer

0,0%

789

Goes

0,2%

4.357

Ter Aar

0,0%

737

Goirle

0,1%

1.919

Terneuzen

0,3%

6.233

Gorinchem

0,2%

4.231

Terschelling

0,0%

837

Gorssel

0,1%

1.186

Texel

0,1%

1.991

Gouda

0,5%

8.847

Tholen

0,1%

2.487

Graafstroom

0,0%

938

Thorn

0,0%

280

Graft-De Rijp

0,0%

565

Tiel

0,2%

4.492

Grave

0,1%

1.209

Tilburg

1,3%

23.797

Groenlo

0,1%

978

Tubbergen

0,1%

1.690

Groesbeek

0,1%

1.798

Twenterand

0,2%

3.123

Groningen

1,5%

28.172

Tynaarlo

0,2%

2.912

Grootegast

0,1%

1.260

Tytsjerksteradiel

0,2%

3.054

Gulpen-Wittem

0,1%

1.435

Ubbergen

0,1%

981

Haaksbergen

0,1%

2.287

Uden

0,2%

3.834

Haaren

0,1%

1.170

Uitgeest

0,0%

930

Haarlem

1,0%

19.152

Uithoorn

0,1%

2.324

Haarlemmerliede Spaarnw

0,0%

440

Urk

0,1%

1.497

Haarlemmermeer

0,6%

11.107

Utrecht

2,3%

44.470

Haelen

0,1%

977

Vaals

0,1%

1.149

Halderberge

0,1%

2.649

Valkenburg aan de Geul

0,1%

1.597

Hardenberg

0,3%

5.856

Valkenburg ZH

0,0%

286

Harderwijk

0,2%

4.071

Valkenswaard

0,2%

2.858

Hardinxveld-Giessendam

0,1%

1.640

Veendam

0,2%

3.442

Haren

0,1%

1.837

Veenendaal

0,3%

5.984

Harenkarspel

0,1%

1.304

Veere

0,1%

2.119

Harlingen

0,1%

2.053

Veghel

0,2%

3.394

Hattem

0,1%

1.013

Veldhoven

0,2%

3.688

Heel

0,0%

748

Velsen

0,3%

6.176

Heemskerk

0,2%

3.539

Venhuizen

0,0%

767

Heemstede

0,1%

1.915

Venlo

0,5%

10.440

Heerde

0,1%

1.649

Venray

0,2%

3.980

Heerenveen

0,2%

4.749

Vianen

0,1%

1.731

Heerhugowaard

0,3%

4.882

Vlaardingen

0,5%

8.992

Heerlen

0,6%

12.091

Vlagtwedde

0,1%

2.027

Heeze-Leende

0,1%

1.287

Vlieland

0,0%

331

Heiloo

0,1%

1.684

Vlissingen

0,3%

5.548

Helden

0,1%

1.884

Vlist

0,0%

914

Hellendoorn

0,2%

3.345

Voerendaal

0,1%

1.051

Hellevoetsluis

0,2%

3.907

Voorhout

0,1%

1.133

Helmond

0,5%

9.429

Voorschoten

0,1%

1.714

Hendrik-Ido-Ambacht

0,1%

1.914

Voorst

0,1%

2.144

Hengelo Gld

0,0%

760

Vorden

0,0%

809

Hengelo O

0,5%

9.137

Vught

0,1%

2.410

Het Bildt

0,1%

1.365

Waalre

0,1%

1.167

Heumen

0,1%

1.313

Waalwijk

0,2%

4.489

Heusden

0,2%

3.730

Waddinxveen

0,1%

2.389

Heythuysen

0,1%

1.179

Wageningen

0,2%

3.712

Hillegom

0,1%

1.800

Warmond

0,0%

414

Hilvarenbeek

0,1%

1.258

Warnsveld

0,0%

895

Hilversum

0,4%

8.402

Wassenaar

0,1%

1.598

Hof van Twente

0,2%

3.801

Waterland

0,1%

1.533

Hoogeveen

0,3%

5.628

Weert

0,3%

5.038

Hoogezand-Sappemeer

0,2%

4.268

Weesp

0,1%

1.807

Hoorn

0,4%

7.878

Wehl

0,0%

599

Horst aan de Maas

0,1%

2.829

Werkendam

0,1%

2.194

Houten

0,2%

3.990

Wervershoof

0,0%

848

Huizen

0,2%

3.703

West Maas en Waal

0,1%

1.631

Hulst

0,2%

3.158

Wester-Koggenland

0,1%

1.303

Hummelo en Keppel

0,0%

431

Westerveld

0,1%

2.114

Hunsel

0,0%

575

Westervoort

0,1%

1.404

IJsselstein

0,2%

3.079

Westland

0,5%

8.926

Jacobswoude

0,0%

874

Weststellingwerf

0,2%

3.021

Kampen

0,3%

5.607

Westvoorne

0,1%

1.293

Kapelle

0,1%

1.074

Wierden

0,1%

1.962

Katwijk

0,2%

3.581

Wieringen

0,0%

879

Kerkrade

0,3%

5.585

Wieringermeer

0,1%

1.441

Kessel

0,0%

396

Wijchen

0,2%

3.558

Kollumerland en Nwkruisl

0,1%

1.491

Wijdemeren

0,1%

1.857

Korendijk

0,1%

954

Wijk bij Duurstede

0,1%

1.961

Krimpen aan den IJssel

0,1%

2.593

Winschoten

0,1%

2.470

Laarbeek

0,1%

1.726

Winsum

0,1%

1.562

Landerd

0,1%

1.257

Winterswijk

0,2%

3.038

Landgraaf

0,2%

3.986

Wisch

0,1%

1.892

Landsmeer

0,0%

847

Woensdrecht

0,1%

1.925

Langedijk

0,1%

1.947

Woerden

0,2%

4.325

Laren

0,0%

734

Wognum

0,0%

712

Leek

0,1%

2.035

Wormerland

0,1%

1.293

Leerdam

0,1%

2.207

Woudenberg

0,0%

883

Leersum

0,0%

623

Woudrichem

0,1%

1.261

Leeuwarden

0,7%

13.058

Wunseradiel

0,1%

1.451

Leeuwarderadeel

0,1%

1.102

Wymbritseradiel

0,1%

1.661

Leiden

0,8%

16.076

Zaanstad

0,8%

15.520

Leiderdorp

0,1%

2.317

Zaltbommel

0,1%

2.442

Leidschendam-Voorburg

0,4%

7.429

Zandvoort

0,1%

1.474

Lelystad

0,5%

10.094

Zederik

0,1%

1.258

Lemsterland

0,1%

1.453

Zeevang

0,0%

623

Leusden

0,1%

2.145

Zeewolde

0,1%

1.883

Lichtenvoorde

0,1%

1.822

Zeist

0,3%

5.878

Liemeer

0,0%

612

Zelhem

0,1%

1.065

Liesveld

0,0%

894

Zevenaar

0,1%

2.553

Lingewaal

0,1%

968

Zevenhuizen-Moerkapelle

0,0%

850

Lingewaard

0,2%

3.808

Zijpe

0,1%

1.196

Lisse

0,1%

1.848

Zoetermeer

0,6%

11.787

Lith

0,0%

612

Zoeterwoude

0,0%

744

Littenseradiel

0,1%

1.283

Zuidhorn

0,1%

1.751

Lochem

0,1%

1.950

Zundert

0,1%

1.883

Loenen

0,0%

638

Zutphen

0,2%

4.670

Loon op Zand

0,1%

1.952

Zwartewaterland

0,1%

2.160

Lopik

0,1%

1.348

Zwijndrecht

0,2%

4.534

Loppersum

0,1%

1.322

Zwolle

0,7%

12.915

Losser

0,1%

2.024

Totaal

100%

1.900.000

 


2.2: Verdeling referentiewaarden provincies

 

aandeel in het totaal

aandeel in tekort (*€1000)

Groningen

7%

21.728

Friesland

8%

25.706

Drenthe

6%

18.153

Overijssel

9%

30.600

Gelderland

13%

43.100

Utrecht

5%

16.210

Noord-Holland

11%

34.832

Zuid-Holland

14%

46.118

Zeeland

6%

19.630

Noord-Brabant

10%

31.295

Limburg

7%

22.510

Flevoland

5%

15.118

 

 

 

Totaal

100%

325.000

*inclusief integratie-uitkering


 

2.3   Verdeling referentiewaarden waterschappen

De doorvertaling van het aandeel van de totale referentiewaarde naar de individuele waterschappen geschiedt op voorstel van de Unie op basis van het aandeel in de netto-kosten[4] zoals die in 2004 is geraamd.

 

 

Aandeel
in
totaal

Referentie-
waarde (*€ 1000)

HHS Hollands Noorderkwartier (HNK)

8,1%

20.167

HHS van Delfland (DLF)

6,6%

16.597

Ws Rivierenland (WSRL) 2005

6,1%

15.339

HHS van Rijnland (HHR) 2005

6,1%

15.183

Ws. Hollandse Delta (WHD) 2005

5,9%

14.832

HHS Amstel, Gooi en Vecht (AGV)

5,8%

14.433

Wetterskip Fryslân (FRL)

4,9%

12.240

Ws Brabantse Delta (BRD)

4,5%

11.323

Ws De Dommel (DOM)

4,3%

10.670

HHS De Stichtse Rijnlanden (HDSR)

3,9%

9.800

Ws Aa en Maas (A&M)

4,1%

10.293

Ws Roer en Overmaas (R&O)

3,7%

9.132

Ws Hunze en Aa's (WHA)

3,4%

8.604

Ws Rijn en IJssel (WRIJ)

3,5%

8.657

Ws Regge en Dinkel (R&D)

3,4%

8.555

HHS Schieland+Krimpenerwaard (HHSK) 2005

3,3%

8.136

Ws Vallei & Eem (V&E)

2,9%

7.171

Ws Groot Salland (SAL)

2,6%

6.420

Ws Zuiderzeeland (ZZL)

2,6%

6.507

Ws Zeeuwse Eilanden (WZE)

2,5%

6.318

Ws Veluwe (VEL)

2,5%

6.329

Ws Noorderzijlvest (NZV)

2,4%

5.934

Ws Peel en Maasvallei (WPM)

2,1%

5.265

Ws Reest en Wieden (R&W)

1,9%

4.717

Ws Velt & Vecht (V&V)

1,7%

4.176

Ws Zeeuws-Vlaanderen (WZV)

1,3%

3.201

Totaal

100%

250.000

 

 

 


Bijlage 3a: Enquête gemeenten en provincies

 

Voor wat betreft gemeenten en provincies is het uitgangspunt aan te sluiten bij de sinds 1 januari 2004 van toepassing zijnde Besluit begroting en verantwoording (BBV). Voor in onderstaande berekening gehanteerde terminologie wordt verwezen naar het BBV. Daar het niet geheel uit te sluiten is dat gemeenten in de praktijk nog niet volledig omgeschakeld zijn naar de nieuwe regelgeving en interpretatie daarvan, wordt specifiek aandacht besteed aan het onderscheid voor en na bestemming en aan aan/onttrekking aan de reserves (zie BBV, artikel 17); voorts wordt gewezen op de nieuwe definities voor reserves en voorzieningen. Ten einde goede informatie te hebben over de ontwikkeling van het EMU-saldo van de gemeente is om die reden een vraag opgenomen die strikt genomen op grond van de BBV niet gesteld behoeft te worden. Dit betreft vraag 10.

De enquête zal ook in excel ter beschikking worden gesteld (www.minfin.nl, ter zake dossier gemeenten en provincie, onder beheersen EMU-saldo lokale overheid) welke u voor 15 december 2004 kan retourneren naar hiervoor genoemde emailadres. U wordt tevens verzocht per post een door het bestuur van de lokale overheid ondertekende versie te sturen naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken, ter attentie van de heer B. Doeves, Postbus 20011, 2500 EA in Den Haag).

Wanneer u nog vragen heeft over de berekening van het EMU-saldo dan kunt u deze per e-mail stellen aan: mailto:bram.doeves@minbzk.nl. De antwoorden op de vragen kunnen voor alle lokale overheden beschikbaar komen indien dit nuttig wordt geacht. Ingeval u een brede verspreiding van uw vraag en bijbehorend antwoord niet op prijs stelt, wordt u verzocht dit expliciet bij het stellen van de vraag aan te geven. Er zal in overeenstemming met uw verzoek worden gehandeld.

 

Vragenlijst berekening EMU-saldo voor gemeenten en provincies[5]

 

A)         Berekening van het EMU-saldo gemeenten 2004-2006[6]

 

Uitgangspunt is de gemeentelijke exploitatierekening voor toevoegingen aan c.q. onttrekkingen uit de reserves.

1)       Wat is uw exploitatiesaldo 2004-2006 voor toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves[7] exclusief de gemeentelijke “bedrijven”?

Het EMU-saldo heeft alleen betrekking op de overheidssector. De cijfers die bij alle vragen ingevuld moeten worden, dienen dan ook alleen de cijfers te zijn van die delen van de gemeente die tot de sector overheid worden gerekend. Dit betekent dat niet uitgegaan kan worden van de cijfers waarin de gemeentelijke bedrijven geconsolideerd zijn; ingeval deze geconsolideerde cijfers als uitgangspunt voor de beantwoording van de vragen worden genomen, moeten de gemeentelijke bedrijven "gedeconsilideerd" worden. Gemeentelijke bedrijven zijn bedrijven die marktgerichte activiteiten uitvoeren. Voorbeelden zijn het openbaar nutsbedrijf, het woningbedrijf, het marktwezen, het parkeerbedrijf, de kredietbank en het havenbedrijf. Daarentegen worden het grondbedrijf, de reinigingsdienst, de sociale werkvoorzieningen en de musea wel tot de sector overheid gerekend, zijn dus volgens de toe te passen definities geen bedrijf en dienen bij de beantwoording van bovenstaande vragen meegenomen te worden.

 

Het bovenstaand exploitatiesaldo is een saldo in “baten-lasten” termen. Voor aansluiting op EMU-saldo definitie dient voor baten en lasten die geen EMU-effect hebben, maar wel deel uitmaken van het exploitatiesaldo. In verband hiermee moeten de volgende vragen beantwoord worden. De saldi  van de gemeentelijke “bedrijven” moeten zoals gezegd buiten beschouwing gelaten worden. Bij het opstellen van de vragen is ervan uitgegaan dat conform BBV toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves geen deel uitmaken van het exploitatiesaldo.

2)       Wat zijn uw afschrijvingen ten laste van de exploitatie 2004-2006?

3)       Wat zijn uw bruto dotaties aan de post voorzieningen[8] ten laste van de exploitatie 2004-2006?

Daarnaast zijn er uitgaven en ontvangsten die wel een EMU effect hebben maar niet via de exploitatie lopen. In verband hiermee moeten de volgende vragen beantwoord worden (ook exclusief de gemeentelijke “bedrijven”):

4)       Wat zijn in 2004-2006 uw investeringen in (im)materiële vaste activa[9] die op de balans worden geactiveerd?

 

Ter toelichting:

§          het betreft hier de jaarschijven, niet het totale investeringsbedrag voor op te starten investeringsprojecten (ook wel bekend als krediettotalen).

§          Dit betreffen derhalve niet de investeringen in financiële vaste activa en onderhanden werk grond. M.b.t. deze posten zijn vragen 7 t/m 8 en vraag 11 relevant.

 

5)       Wat zijn de voor 2004-2006 toegekende bijdragen van het Rijk, de Provincies, de Europese Unie en overigen aan de gemeenten inzake de investeringen die niet via de onder vraag 1 genoemde exploitatie lopen?

 

6)       Desinvesteringen in vaste activa:

a)       Wat zijn uw desinvesteringen in vaste activa in 2004-2006 (tegen verkoopprijs)?

b)       en wat is daarin de te verwachten boekwinst?

 

7)       Hoeveel bedragen de grondaankopen en de uitgaven aan bouw-, woonrijp maken e.d.in 2004-2006? [10]

 

Ter toelichting: het betreft hier de jaarschijven, niet het totale investeringsbedrag voor op te starten projecten (ook wel bekend als krediettotalen).

 

8)       Grondverkopen:

a)       Hoeveel bedragen de verkopen van grond in 2004-2006 (tegen verkoopprijs)?

b)       en wat is daarin de te verwachten boekwinst?

 

9)       Wat zijn uw betalingen in 2004-2006 ten laste van de voorzieningen?

 

Conform BBV wordt gedoteerd aan voorzieningen ten laste van de exploitatie en betaald ten laste van de voorzieningen. Deze betalingen maken dus geen deel uit van het exploitatiesaldo zoals bedoeld in vraag 1.

 

10)   Zijn er voorts betalingen in 2004-2006 die niet via de onder vraag 1 genoemde exploitatie lopen, maar rechtstreeks ten laste van de reserves (inclusief fondsen en dergelijke) worden gebracht en die nog niet vallen onder één van de bovenstaand vragen?

Strikt genomen is deze vraag bij toepassing BBV niet nodig. Deze vraag wordt toch zekerheidshalve gesteld omdat het BBV nog van recente datum is. Gezien de respons op deze vraag bij de in het voorjaar van 2004 aan de 50.000+ gemeenten blijft deze vraag gehandhaafd.

11)   Bij de berekening van het EMU-saldo wordt gecorrigeerd voor verkoop van deelnemingen en aandelen.

a)       Gaat u deelnemingen en aandelen verkopen 2004-2006?

b)       Zo ja wat is bij verkoop de te verwachten boekwinst?

EMU-saldo = 1[11] + 2 + 3 – 4 + 5 + 6a – 6b – 7 + 8a – 8b – 9 – 10 – 11b

 

 


Bijlage 3b: Berekening ter benadering van het EMU-saldo van een waterschap

De Unie van Waterschappen heeft in overleg met het Ministerie van Financiën en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een berekening ontwikkeld die aansluit op de principes van het baten–lastenstelsel en waarmee een goede benadering van het EMU–saldo kan plaatsvinden. De componenten van de berekening sluiten aan op exploitatie– en balansposten alsmede –mutatiesoorten die zijn opgenomen in het 'Convenant gegevensverstrekking op kwartaalbasis door waterschappen aan Centraal Bureau voor de Statistiek' zoals dat op 27 maart 2003 door de Unie aan de waterschappen is gestuurd. In het convenant zijn de eisen aan de begroting en verantwoording van waterschappen uiteengezet die voortvloeien uit de verplichting om op kwartaalbasis gegevens ten behoeve de EMU beschikbaar te stellen.

 

De berekening wordt ook gebruikt om van de waterschappen de informatie te verkrijgen die nodig is om uitvoering te geven aan de in bestuurlijk overleg tussen kabinet en de decentrale overheden gemaakt afspraken over de monitoring van het EMU–saldo. Omdat deze informatie voor een deel reeds is opgenomen in de Begrotingsvergelijking van de Vereniging van Directeuren van Waterschappen[12], zal de gegevensverzameling van dit instrument worden gebruikt om de gegevens centraal beschikbaar te krijgen. Hierdoor kan de inspanning van de waterschappen tot een minimum beperkt blijven.

 

In bijgevoegde tabel wordt aangegeven hoe op basis van reeds aanwezige gegevens en berekeningen in de Begrotingsvergelijking de benadering van het EMU–saldo plaatsvindt (alleen in de grijsgekleurde cellen behoeven gegevens te worden vermeld). Wanneer u vragen heeft over de berekening van het EMU–saldo en/of de enquête dan kunt u deze per email stellen aan het volgende adres: wdekking@uvw.nl.

 

 

Berekening voor 2004, 2005 en 2006 obv begrotingen

Regel

Totaal

Waterkering

Waterkwantiteit

Waterkwaliteit

wegen

vaarwegen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Netto–kosten

3

 

 

 

 

 

 

+

Kwijtschelding

 

 

 

 

 

 

 

+

Oninbaarverklaring

5

 

 

 

 

 

 

=

Te dekken bedrag

 

 

 

 

 

 

 

Onttrekkingen reserves

7

 

 

 

 

 

 

+

Toevoegingen aan reserves

 

 

 

 

 

 

 

=

Te dekken door belastingopbrengst

9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bruto–belastingopbrengst

11

 

 

 

 

 

 

Onttrekkingen reserves

 

 

 

 

 

 

 

+

Toevoegingen aan reserves

13

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

=

'Exploitatiesaldo in EMU–termen'

15

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

+

Totale afschrijvingen

17

 

 

 

 

 

 

+

Toevoegingen aan voorzieningen

 

 

 

 

 

 

 

Onttrekkingen aan voorzieningen

19

 

  

 

 

 

 

+

Rechtstreekse toevoegingen aan reserves

 

 

 

 

 

 

 

Rechtstreekse onttrekkingen aan reserves

21

 

 

 

 

 

 

Bruto–uitgaven materiële en immateriële vaste activa

 

 

 

 

 

 

 

+

Verminderingen balansposten materiële en

immateriële vaste activa agv verkoop

23

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

+

Verminderingen balansposten materiële en

immateriële vaste activa agv investeringssubsidies

25

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Betalingen rechtstreeks ten laste van voorzieningen

27

 

 

 

 

 

 

Betalingen rechtstreeks ten laste van reserves

 

 

 

 

 

 

 

Boekwinst verkoop deelnemingen en aandelen

29

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

=

EMU–saldo

31

 

 

 

 

 

 

 

 

Toelichting componenten benadering EMU–saldo voor waterschappen

Startpunt (regel 3) zijn de netto–kosten van de waterschappen voor de diverse waterschapstaken (kostendragers) voordat rekening wordt gehouden met de invloed van kwijtschelding, oninbaarverklaring en (algemene en bestemmings)reserves die worden gebruikt in het kader van de tariefsontwikkeling.

Het begin van de tabel geeft aan hoe het 'EMU–exploitatiesaldo' uit reeds in de Begrotingsvergelijking opgenomen gegevens en berekeningen (regels t/m nummer 15) wordt bepaald. In de vervolgberekening (vanaf regel 17) wordt gecorrigeerd voor balansmutaties en posten van de exploitatiebegroting die niet EMU–relevant zijn.

 

Regel 15: 'EMU–exploitatiesaldo'

Komt in feite neer op het saldo van de toevoegingen aan en onttrekkingen uit (algemene en bestemmings)reserves die worden gebruikt in het kader van de tariefsontwikkeling.

 

Dit is een saldo in 'baten–lasten' termen. Voor aansluiting op EMU–saldo definitie dient te worden gecorrigeerd voor baten en lasten die geen EMU–effect hebben, maar wel deel uitmaken van het saldo. In verband hiermee worden de volgende gegevens ingevuld.

 

Regel 17: Totale afschrijvingen

Wat zijn uw afschrijvingen ten laste van de exploitatie?

Het gaat om de totale afschrijvingen dus zowel van vaste activa als van eventuele boekverliezen. Het gaat met andere woorden om het totaal van de volgende kostensoorten:

1.3 Afschrijvingen van activa

1.4 Afschrijvingen van boekverliezen

 

Regel 18: Toevoegingen aan voorzieningen

Wat zijn uw dotaties aan de post voorzieningen ten laste van de exploitatie?

Dit komt overeen met kostensoort 5.1 Toevoegingen aan voorzieningen.

 

Regel 19: Onttrekkingen aan voorzieningen

Wat zijn uw onttrekkingen uit de post voorzieningen ten bate van de exploitatie?

De post komt overeen met opbrengstsoort 6.1 Onttrekkingen aan voorzieningen.

Het gaat hier niet om de bedragen die rechtstreeks, dat wil zeggen niet via de exploitatierekening, uit voorzieningen zijn betaald. Deze bedragen dienen ingevuld te worden op regel 27.

 

Regel 20: Rechtstreekse toevoegingen aan reserves

Wat zijn uw rechtstreekse dotaties aan de reserves anders dan die in de sfeer van de tariefsontwikkeling?

Het gaat hier om alle eventuele rechtstreekse, externe toevoegingen aan reserves anders dan de eerder in de berekening (regels 8 en 13) opgenomen bedragen, en eventuele toevoegingen die ten laste van de exploitatie worden gebracht.

 

Regel 21: Rechtstreekse onttrekkingen aan reserves

Wat zijn uw rechtstreekse onttrekkingen aan de reserves anders dan die in de sfeer van de tariefsontwikkeling?

Het gaat hier om alle eventuele bedragen die rechtstreeks aan de reserves worden onttrokken anders dan de eerder in de berekening (regels 7 en 12) opgenomen dan wel de onder regel 28 op te nemen bedragen alsmede onttrekkingen die ten bate van de exploitatie worden gebracht.

Daarnaast zijn er uitgaven en ontvangsten die wel een EMU–effect hebben maar niet via de exploitatie lopen. In verband hiermee zijn de volgende gegevens relevant

 

Regel 22: Bruto–uitgaven materiële en immateriële vaste activa

Wat zijn uw bruto–jaarinvesteringen in materiële en immateriële vaste activa die op de balans zullen worden geactiveerd?

Het betreft hier de jaarschijf van datgene wat op de balansposten 'materiële vaste activa' (inclusief grond) en 'immateriële vaste activa' als gevolg van overname en 'nieuwbouw' als vermeerdering wordt verantwoord. De informatie zal over het algemeen aan de betreffende staten van vaste activa kunnen worden ontleend.

Het gaat derhalve niet om:

–  de investeringen in financiële vaste activa;

–  interne vermeerdering als gevolg van activeren van eigen bijdragen en herwaarderen.

 

Regel 23: Verminderingen materiële en immateriële vaste activa als gevolg van verkoop

Wat zijn uw desinvesteringen in vaste activa als gevolg van verkoop?

Het betreft hier de jaarschijf van datgene wat op de balansposten 'materiële vaste activa' (inclusief grond) en 'immateriële vaste activa' als gevolg van verkoop als vermindering wordt verantwoord. De informatie zal over het algemeen aan de betreffende staten van vaste activa kunnen worden ontleend.

Het gaat derhalve niet om:

–  de desinvesteringen in financiële vaste activa;

–  de verkoopopbrengst, maar wel de vermindering van de balanspost (er wordt vanuit gegaan dat de eventueel verwachte boekwinst is opgenomen in de exploitatiebegroting);

–  interne vermindering als gevolg van activeren van afschrijven, bijdragen van reserves en herwaarderen.

 

Regel 25: Verminderingen materiële en immateriële vaste activa als gevolg van ontvangen subsidies

Wat zijn uw investeringssubsidies die leiden tot een vermindering van de balansposten materiële en immateriële vaste activa?

Het gaat om de bijdragen die in het betreffende jaar door het Rijk, de provincies, gemeenten, de Europese Unie en overigen inzake de investeringen zullen worden toegekend.

 

Regel 27: Betalingen rechtstreeks ten laste van voorzieningen

Wat zijn uw betalingen die direct ten laste van de voorzieningen worden gebracht?

Conform de comptabiliteitsvoorschriften wordt in principe gedoteerd aan voorzieningen ten laste van de exploitatie en rechtstreeks betaald uit de voorzieningen. Deze betalingen maken dus geen deel uit van de netto–exploitatiekosten en het 'Exploitatiesaldo in EMU–termen' zoals deze eerder in het overzicht zijn genoemd.

 

Regel 28: Betalingen rechtstreeks ten laste van reserves

Zijn er voorts eventueel betalingen die rechtstreeks uit reserves plaatsvinden en die nog niet vallen onder één van de bovenstaande vragen?

In principe mogen er volgens de comptabiliteitsvoorschriften geen transacties met derden rechtstreeks uit de reserves worden gefinancierd. Omdat niet met zekerheid vast staat dat in de praktijk niet gebeurt, wordt deze sluitvraag zekerheidshalve gesteld om goede informatie over de ontwikkeling van het EMU–saldo te krijgen.

 

Regel 29: Boekwinst verkoop deelnemingen en aandelen

Wat is, in geval van verkoop van deelnemingen en/of aandelen, de verwachte boekwinst?

Het saldo van regel 15 tot en met 28 moet ten slotte worden gecorrigeerd voor de boekwinsten uit de  verkoop van deelnemingen en aandelen.


Bijlage 4: Publiek private samenwerking en het grondbedrijf

 

1. Inleiding

De belangrijkste oorzaak voor het EMU-tekort van de lokale overheden is de toename van de lokale investeringen. Deze investeringen hebben voor circa 60% betrekking op het grondbedrijf. Voor niet-grond gerelateerde investeringen resteert circa 40%. Door de investeringen anders vorm te geven sluiten de belasting van deze investeringen op het EMU-saldo beter aan bij de belasting van het begrotingssaldo in baten-lastentermen. Hierdoor worden de uitslagen in de belasting van het EMU-saldo minder groot. Tevens kunnen via innovatieve vormen van aanbestedingen doelmatigheidswinsten worden gerealiseerd. Hieronder worden de verschillende mogelijkheden langsgelopen waarbij een splitsing is aangebracht tussen niet grondgerelateerde investeringen en grondgerelateerde investeringen.

Publiek private samenwerking wordt in deze circulaire genoemd als één van de maatregelen die kunnen helpen binnen de norm te blijven. In deze bijlage zal een overzicht worden gegeven van de relevante vormen van publieke samenwerking, zal worden ingegaan op welk effect ze hebben op het EMU tekort en op welke terreinen ze leiden tot betere en goedkopere oplossingen. Hierbij zullen de twee hoofdvormen van publiek private samenwerking, namelijk de pps-concessie en de samenwerking in een apart organisatorisch samenwerkingsverband apart worden behandeld.

Bij een pps-concessie worden een aantal onderdelen van het productieproces (of waardeketen) geïntegreerd (verticaal) en in één contract aanbesteed. Dit betekent dat ontwerp, bouw, onderhoud, financiering en eventueel exploitatie en faciliteitsmanagement worden geïntegreerd in één contract (bijv. DBFM- of DBFO-contract: design, build, finance and maintenance of operations).

Bij een samenwerking in een apart organisatorisch samenwerkingsverband worden verschillende projecten met elkaar geïntegreerd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de combinatie van de ontwikkeling van groenprojecten met vastgoed, maar ook aan gebiedsontwikkeling gecombineerd met infrastructuur. Voordelen van deze benadering zijn:

·         integrale planontwikkeling;

·         planoptimalisatie;

·         financiële verevening tussen de rendabele en onrendabele onderdelen van het totale project.

Deze samenwerking tussen publieke en private partijen komt vooral tot uiting in een gezamenlijke planvorming en eventueel ook in een gezamenlijke (grond-, maar soms ook opstal-) exploitatie.

 

2. PPS via een concessie

Werking

Zoals gezegd gaat het bij een pps-concessie om een contract waarbij ontwerp, bouw, financiering, onderhoud en faciliteitsmanagement geïntegreerd worden aanbesteed. Het gaat hierbij niet om contract die bestaat uit verschillende onderdelen (ontwerp, bouw, enz) en waar later een nietje door heen is geslagen. Bij een pps concessie staat het resultaat van al deze onderdelen centraal en moet de private partij alles doen het gewenste resultaat te behalen. In een dergelijk contract wordt bijvoorbeeld gesproken over hoeveel auto’s per uur over een weg moeten kunnen rijden. Om deze vervoerscapaciteit te leveren zal de private partijen de weg wel moeten ontwerpen, bouwen en onderhouden, anders kan hij de gevraagde dienst niet leveren..

 

Bij een pps-concessie bepaalt de overheid vanuit haar publieke verantwoordelijkheid welke dienst (of product) aangeboden wordt en binnen welke randvoorwaarden de dienst tot stand moet komen. De private sector is verantwoordelijk om binnen de gestelde randvoorwaarden te bepalen hoe deze dienst geleverd gaat worden. Doordat de overheid niet voorschrijft hoe de private partijen de dienst moeten leveren krijgen zij de ruimte om met slimmere en betere oplossingen te komen waardoor de dienst voor minder geld geleverd kan worden en/of van een betere kwaliteit is.

 

 

 

Zo heeft de overheid bij HSL Zuid Infraprovider niet gevraagd om rails van een bepaalde staalsoort, een bepaald veiligheid systeem of soort bovenleiding, maar heeft de overheid gevraagd om een capaciteit tussen Amsterdam en de Belgische grens van 16 HSL-treinen per uur (binnen duidelijk randvoorwaarden op het gebied van veiligheid en milieu). De winnende bieder heeft van de geboden ruimte gebruik gemaakt en een oplossing gekozen die circa 5% goedkoper is dan de varianten waarbij de overheid de oplossing voorschrijft en die gedurende 25 jaar voor 99% van de tijd beschikbaar is.

 

Omdat alleen ruimte geven voor andere oplossingen niet voldoende is om de private partijen aan te zetten tot het gewenste gedrag zijn er nog twee belangrijke ingrediënten om pps te laten werken:

·         De betaling wordt gekoppeld aan de dagelijks te leveren prestatie. De overheid betaalt niet meer voor een stuk asfalt bij de oplevering van de weg, maar betaalt gedurende meerdere jaren voor de mogelijk om zoveel auto’s van a naar b te laten rijden. Door de koppeling van prestatie en betaling worden de private partijen gedwongen om elke dag van de contractduur hun best te doen.

·         De aanbesteding van de pps-concessie moet in concurrentie plaats vinden. Dit is de enige manier om de private partijen te dwingen om optimaal gebruik te maken van de aangeboden ruimte. Doen ze dit niet, dan wint een ander het contract.

 

In de brochure  “DBFM, sturing door prikkels” wordt uitgebreider ingegaan op hoe de private partij wordt aangezet om de gevraagde dienst zo efficiënt en effectief mogelijk te leveren (zie www.minfin.nl/pps).

 

EMU norm

Door de betaling te koppelen aan de dagelijkse prestatie krijgt de overheid te maken met een ander betalingsritme. Normaal gesproken betaald de overheid eerst een groot bedrag bij de oplevering van de bouw en daarna kleinere bedragen voor onderhoud en vervangingsinvesteringen.

In een pps volgen de uitgaven van de overheid de dienst die met het project gerealiseerd moet worden. De dienst die met een weg wordt aangeboden is dagelijkse beschikbaarheid aan de automobilist. De private partij in een pps wordt afgerekend in hoeverre hij in staat is de gewenste dienst te leveren. Omdat de dienst gedurende de gehele contractduur geleverd moet worden en de dienst hetzelfde blijft wordt de betaling gelijkelijk gespreid over de gehele contractduur. Zie onderstaande figuur.

Of de toepassing van een pps concessie en de spreiding van de betalingen helpt om binnen de EMU norm te blijven hangt af van de vraag of hoeveel risico’s aan de private partij zijn overgedragen. Eurostat heeft in het handboek ESA 95 (zie bijlage …) beschreven hoe bepaald moet worden of er voldoende risico’s aan de private sector zijn overgedragen. Het gaat om de volgende twee groepen risico’s:

·                bouwrisico ; en

·                het vraagrisico of  beschikbaarheidrisico.

 

Mocht op basis van de Eurostat-regels geconstateerd worden dat er te weinig risico’s aan de private sector zijn overgedragen dan zal de investering in het activum als investering van de overheid worden aangemerkt. Het contract voor de HSL Zuid bovenbouw (rails, bovenleiding, enz) is een voorbeeld van DBFM contract waarvan de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding bij de berekingen van EMU saldo worden meegenomen. De winnende bieder Infraspeed is verantwoordelijk voor het ontwerp, bouw en onderhoud en draagt bijna alle bijbehorende risico’s en wordt afgerekend op basis van de dagelijkse beschikbaarheid van het spoor en draagt dus het beschikbaarheids gebouw.

 

Toepassingsgebied

Zoals met ieder instrument is ook de pps concessie niet universeel toepasbaar. Om de pps concessie goed te kunnen laten werken is het noodzakelijk dat de resultaten van de overheidsdiensten (of delen van het productieproces) helder, éénduidig en meetbaar zijn te formuleren en de randvoorwaarden waarbinnen de private partijen moeten opereren duidelijk zijn.

 

Als de prestatie niet helder geformuleerd kan worden kun je de private partijen nergens op afrekenen. Zo zal het onderwijs zich niet lenen voor een pps contract. Want waar ga je de private partijen op afrekenen? Eindexamenresultaten alleen zijn niet voldoende, want de overheid vindt daarnaast de ontwikkeling van leerlingen zeer belangrijk. Hoe ga je dat meten? Bovendien verandert de overheid met enige regelmaat haar ideeën over het onderwijs. Wat zich wel goed leent voor een pps-concessie is het schoolgebouw (en alle faciliteitsdiensten). De kwaliteitseisen waar een gebouw aan moet voldoen zijn goed te formuleren. Zo is voor te schrijven dat de temperatuur in een lokaal gemiddeld 18 graden (over 1 dag)  moet zijn of een kapotte wc binnen een dag gerepareerd moet zijn.

 

Als de randvoorwaarden niet duidelijk zijn weet een private partij niet welke ruimte hij heeft om gevraagde prestatie te leveren. Als een private partij bijvoorbeeld verantwoordelijk is voor het realiseren van een weg tussen A en B inclusief de keuze van het tracé is het voor de overheid heel moeilijk om te omschrijven binnen welke randvoorwaarden de keuze van het tracé gemaakt moet worden. Zo is de keuze afhankelijk van de uitkomsten van inspraakprocedures, druk van maatschappelijke organisaties, kosten van inpassingsmaatregelen, enz. Na dat het tracé is vastgesteld is juist weer heel goed om gebruik te maken een pps-concessie. In de vorm van de tracéwet zijn de randvoorwaarden heel duidelijk.

 

Sectoren waar pps tot betere oplossingen leidt zijn: infrastructuur (wegen en spoor), overheidsgebouwen (departementen, gemeentehuizen, enz), schoolgebouwen, huisvesting van ziekenhuizen, nutssector (waterzuivering en afval), opleidings- en trainingscentra. Vanwege de transactiekosten zal het project wel een minimale grootte moeten hebben van € 10 mln aan bouwkosten. Wel is het mogelijk om een aantal vergelijkbare projecten (aantak schoolgebouwen) te bundelen waardoor deze grens wordt overschreden.

 

3. PPS bij gebiedsontwikkeling

Onder PPS (publiek-private samenwerking) bij gebiedsontwikkeling in de meer traditionele (grondgebonden) vorm verstaan we een op realisatie van ruimtelijke investeringsplannen gerichte samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, met behoud van eigen identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een project realiseren op basis van een heldere taak- en risico verdeling. Het resultaat van de samenwerking is meerwaarde: een kwalitatief beter eindproduct voor hetzelfde geld, of dezelfde kwaliteit voor minder geld.

Als de overheid haar publieke doelen zelfstandig nastreeft is er sprake van een eenduidige rolverdeling. De grondexploitatie is van de gemeente en de eventuele opstalontwikkeling is een zaak van marktpartijen. Deze rolverdeling past echter niet meer altijd in een tijd waarin complexe integrale gemeentegrensoverschrijdende projecten vragen om de inzet van veel middelen en mensen.  PPS-constructies, waarbij de klassieke rolverdeling wordt doorbroken en waarbij de private partij(en) ook grondexploitatierisico lopen en meer invloed hebben op de planvorming vormen een goed alternatief.

Dat dragen van risico en het delen van zeggenschap is ook in het kader van classificatie als overheidsorganisatie of als marktpartij tegen de achtergrond van het “nationale begrotingstekort” de meest essentiele factor.

Voordat in de volgende hoofdstukken de diverse samenwerkingsconstructies bij PPS en hun invloed op het EMU-saldo uitgebreid aan de orde komen, wordt een beknopte beschrijving gegeven van twee traditionele modellen van grondexploitatie( die dus niet vallen onder de noemer PPS) en welke mogelijkheden er zijn om de investeringen die de overheid binnen dit kader doet niet direct ten laste te laten komen van het EMU-saldo. 

Traditionele modellen:

A:  Het model van de gemeentelijke gronduitgifte

In de traditionele situatie van de gemeentelijke gronduitgifte is de samenwerking met marktpartijen vrij eenvoudig. De gemeente verkoopt aan de private partij bouwrijpe kavels en maakt verder afspraken over de inhoud van het bouwprogramma. Met de grondexploitatie heeft de kopende partij in principe niets te maken. De gronduitgifte van gemeenten is naast een civielrechtelijke transactie tevens een beleidsinstrument. Gemeenten kunnen door middel hiervan grip houden op de manier waarop  het gemeentelijk planologisch beleid wordt uitgevoerd. De gemeente investeert, draagt het risico en loopt daar mee de kans indien de inkomsten niet in het zelfde jaar vallen een negatief EMU-saldo te creëren.

Als de gemeente kiest voor dit model dan is het voor het EMU-saldo van groot belang dat er geen groot tijdsgat zit tussen de kosten en de opbrengsten van de grondexploitatie. 

Hoewel de meeste van de onderstaande suggesties dagelijkse praktijk zijn voor veel gemeenten herhalen we de mogelijkheden toch nog maar een keer:

-          gronden niet te vroeg aankopen (maar ook niet te laat: bedrijfseconomisch handelen blijft uiteraard voorop staan)

-          investeringen uitstellen tot er duidelijkheid is over de data van feitelijke en juridische levering met daaraan gekoppeld de betaling van de overeengekomen prijs,

-          het zoveel mogelijk uitsluiten van eventuele opschortende voorwaarden in verband met nog niet bekende uitslagen van bodemonderzoeken, archeologie en besluitvorming rond vergunningverlening

-          de staat van levering van de gronden (wel of niet bouwrijp gemaakt) helder afspreken. Als er niet bouwrijp geleverd hoeft te worden dan betekent dat een beperking van de investeringen.

 

B Het model van private zelfrealisering

Wanneer een private partij op gronden die zij al in bezit heeft voor eigen rekening en risico plannen ontwikkelt conform de planologische wensen van de gemeente dan spreken we van zelfrealisatie. Dit kan natuurlijk niet zomaar. De grondeigenaar zal over het algemeen met de gemeente een exploitatieovereenkomst afsluiten, die is gebaseerd op de gemeentelijke exploitatieverordening (artikel 42 Wet op de Ruimtelijke Ordening). Bij een dergelijke overeenkomst verbindt de ontwikkelaar zich tot het betalen aan de gemeente van een bijdrage in de kosten die de gemeente moet maken voor de aanleg van openbare voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de plannen van de ontwikkelaar.

Voor het EMU –saldo is deze vorm van realisatie van projecten uiteraard gunstig. De gemeente hoeft niet te investeren in gronden en in veel gevallen kan ook het bouw-en woonrijpmaken door derden worden gedaan.  Het is echter de vraag of de overheid op deze wijzealtijd voldoende invulling kan geven aan haar publieke verantwoordelijkheid. Ook is het in feit dat private partijen grondposities innemen veelal niet bevorderlijk voor de onderhandelingspositie van publieke partijen. Bovendien is deze werkwijze niet geheel in overeenstemming met het in de nota ruimte gepropageerde “actievere grondbeleid”.  Zelfrealisatie is mede om die reden niet de meest gangbare vorm van “samenwerking”. In het geval dat de kosten van het bouwrijp maken en de infrastruktuur boven de drempel liggen die de Europese richtlijn werken aangeeft, zal  er moeten worden aanbesteed. Wie de aanbesteder is, is daarmee nog niet bepaald; dit kan zowel de ontwikkelaar zijn als de gemeente.

c Grondverwerving zonder belasting gemeentelijke begroting

In het bovenstaande is een aantal malen de tegenstelling aangegeven tussen het momenteel gepropageerde actieve grondbeleid en de onwenselijke effecten daarvan op het EMU-saldo. Een passief grondbeleid heeft weliswaar minder negatieve effecten op de totale uitgaven van de gemeente, maar verschaft haar ook een minder effectief instrumentarium voor het realiseren van haar ruimtelijk beleid en het eventueel behalen van rendement.

Om mogelijk aan beide aspecten tegemoet te komen. Zou men kunnen denken aan een wijze om gronden te verwerven binnen een speciaal daartoe op te richten grondbedrijf (grondbank/stallingsbedrijf/BNG etc.)

Ook hier is het weer van belang hoe men de financiering, de zeggenschap en het risico binnen een dergelijke onderneming verdeelt, dan wel verlegt.

Vooralsnog lijkt het lastig om een grondbank te construeren waarin publieke partijen voldoende zeggenschap behouden om hun “actieve grondbeleid” vorm te geven en tegelijkertijd voldoende financiële afstand te behouden om niet belast te worden met de daarbij behorende uitgaven.

Een andere mogelijkheid zou (op incidentele basis) nog kunnen zitten in het sluiten van optieovereenkomsten met grondeigenaren of het sluiten van koopovereenkomsten met uitgestelde levering en betaling.

 

Hierbij zijn twee varianten denkbaar:

- betaling uitgesteld tot moment van levering van de grond

- betaling in meerdere tranches, bijvoorbeeld bij sluiten overeenkomst en bij vaststelling nieuwe bestemmingsplan.

 

D PPS - modellen bij gebiedsontwikkeling

Voor wat betreft de grondexploitatiefase zijn de drie bekendste PPS-modellen: het bouwclaimmodel (gemeentelijke grondexploitatie, waarin de gemeente de van private partijen verworven gronden na bouwrijp maken uitgeeft aan deze private partijen), de joint venture (gezamenlijke publiek-private grondexploitatie) en het concessiemodel (private grondexploitatie, waarin de realisatie van het project inclusief de publieke functies door middel van een exploitatie-overeenkomst of concessie aan een private partij wordt gegund).

In onderstaande tabel worden de vijf modellen op deze cruciale onderwerpen bij gebiedsontwikkeling met elkaar vergeleken.

 

Criteria

 Modellen

Grond-verwerving

Planvorming

Bouwrijp maken

Gronduitgifte

Wie draagt grondexploitatie-risico

1

Traditioneel

Gemeentelijke gronduitgifte

 

Overheid

Overheid (event. getoetst in markt-consultatie)

Overheid

Overheid

Overheid

2

Bouwclaim

Overheid neemt grond af van private partij (die private partij al heeft of verwerft)

Overheid

Overheid

Door overheid aan de private partijen waarvan overheid grond heeft afgenomen

Overheid. Event. afnameplicht tegen vooraf bepaalde prijs

3

Joint-venture / gezamenlijke ontwikkeling

Gezamenlijk of conform afspraak

Gezamenlijk)

Gezamenlijk

,Veelal door private partijen die participeren in de joint venture

Gezamenlijk

4

Concessie

Overheid

Overheid, met private partijen binnen door overheid gestelde kaders

Door private partij

Aan de private partijen die de concessie krijgen

Private partij

5

Exploitatie-overeenkomst

Zelfrealisering

Door private partij

Gezamenlijk of door private partij (binnen bestemmings-plan)

(Door overheid, op kosten van) private partij

Geen uitgifte

Private partij

 

Het bouwclaimmodel

In dit model draagt de gemeente het grondexploitatierisico en voert de regie over het proces van de gronduitgifte ondanks het feit dat zij in eerste aanleg niet alle gronden in het plangebied in eigendom had. De gronden die de private partijen in bezit hebben worden tegen een vaste prijs per vierkante meter aan de gemeente overgedragen. In ruil daarvoor krijgen de marktpartijen te zijner tijd een bepaald aantal bouw­rijpe kavels toebedeeld.

Dit model wordt derhalve gebruikt als de gemeente er voor kiest om zelf de grondexploitatie ter hand te nemen (en te investeren) en als partijen het over deze werkwijze in een contract eens geworden zijn. Voor de private partijen ontstaat op deze wijze een zekerheid dat zij zgn “produktierechten” verwerven als gevolg van hun (over te dragen) grondpositie in het gebied.

De investeringen die de overheid doet binnen dit model kunnen beperkt worden door relatief laat aan te kopen, de kosten voor bouw- en woonrijpmaken (binnen het plangebied) ofwel over te laten aan de private partijen danwel zeer dicht op het moment van gronduitgifte te laten vallen (zie ook onder 2). Over het algemeen kan gesteld worden dat projecten die op deze wijze worden opgezet relatief weinig mogelijkheden bieden voor verlaging van een mogelijk negatief EMU-saldo. (in feite exact vergelijkbaar met de gemeentelijke grondexploitatie). Men kan alleen door bedrijfseconomisch handelen de periode waarover de investering noodzakelijk is trachten te bekorten, zodat op de peildatum een minder negatief (of wellicht positief) saldo ontstaat (temporiseren van investeringen).

 

Het joint-venture model

We spreken van een joint-venture model als gemeente en marktpartij(en) samen een bedrijf (i.c. een grondexploitatiemaatschappij (GEM)) oprichten. De samenwerking is gericht op het verwerven, bouwrijpmaken en uitgeven van de grond binnen het plangebied op een financieel verantwoorde wijze. Partijen zullen daartoe samen overeenstemming moeten hebben bereikt over de financiële uitgangspunten,  de planinhoud en de risicoverdeling. Dit is normaliter een proces dat niet zonder slag of stoot verloopt; aan de samenwerking gaat derhalve een onderhandelingsfase vooraf.  Dit gezamenlijke bedrijf onderstreept het gemeenschappelijke belang dat partijen hebben bij de realisatie van de plannen.  Partijen geven door het aangaan van een joint venture ook aan dat zij met elkaar gedurende de looptijd van het project wensen samen te werken en dat zij derhalve elkaar (enigszins) vertrouwen. Er zal dan ook intensief samengewerkt moeten worden binnen de op te richten projectvennootschap. De uitwerking van de plannen, de publiekrechtelijke procedures, de aanbesteding van publieke werken, de financiering van het geheel alles dient in goed overleg te worden doorlopen. De bestaande cultuurverschillen tussen partijen moeten worden overwonnen en zowel op uitvoerend als op bestuurlijk niveau zullen partijen  De GEM verwerft, zoals gesteld alle de gronden binnen het plangebied, is verantwoordelijk voor het bouw- en woonrijp maken en voor de gronduitgif­te. De GEM heeft daarmee in feite het karakter van een geprivatiseerd grondbedrijf op locatieniveau. Het grondexploitatierisico wordt in dit samenwerkingsmodel verdeeld tussen gemeente en marktpartijen in de verhouding waarin deze partijen participeren in de GEM. Behalve een centrale rol bij de grondproductie doet de GEM in de regel ook voorstellen voor de nadere uitwerking van de plannen voor de locatie. De spelregels voor de GEM maken in het joint-venturemodel vanzelfsprekend onderdeel uit van een afsprakenkader in een PPS-overeenkomst.

Essentieel in dit model is het delen van risico en zeggenschap. Voor de gemeente betekent dit het inleveren van sturingsmogelijkheden en invloed op het grondbedrijfproces (opdrachten voor bouw- en woonrijp maken, inrichting openbaar gebied, planvorming, gronduitgiftebeleid) maar ook een verminderd risico (grondexploitatierisico: prijs, uitgiftetempo, etc.) en veelal lagere investeringen.

Voor de marktpartijen geldt juist het omgekeerde: risico in een oorspronkelijk gemeentelijke aangelegenheid (nl. de grondexploitatie) komt naar ze toe, maar daar komt invloed voor terug.

 

Het joint-venturemodel voorziet, zoals we gezien hebben, in de oprichting van een afzonderlijk bedrijf, dat als een geprivatiseerd grondbedrijf op locatieniveau functioneert. De participatie van de gemeente enerzijds en de ontwikkelaar anderzijds in de GEM kan op verschillende manieren vorm worden gegeven. Over het algemeen wordt een onderneming opgericht waarin de partijen ieder voor 50% deelnemen.

Er komen echter ook vormen voor waarin de publieke partijen voor minder dan 50% participeren. Dat wil overigens nog niet zeggen dat de zeggenschap niet voor 50% bij de publieke partijen blijft liggen (Voorbeeld: koopgootmodel Rotterdam : 10% participatie vs 50% zeggenschap voor de gemeente).

De gedachte dat de mate waarin private partijen participeren in een joint venture van invloed zou kunnen zijn op de beantwoording van de vraag of een GEM meetelt voor het gemeentelijk EMU-saldo is afhankelijk van de verdeling van risico, zeggenschap en het doel dat de GEM dient.

Niet van doorslaggevende betekenis is de aandelen-verhouding die binnen de GEM bestaat en de juridische entiteit die wordt gekozen. Wel van belang is de sturing en de verdeling van zeggenschap binnen de onderneming. Indien de overheid met behoud van zeggenschap en een groot deel van het risico infrastructuur realiseert binnen een JV waarin ook private partners deelnemen, dan is er geen sprake van een activiteit in de marktsector.

Indien er binnen een op bedrijfseconomische gronden opererend bedrijf waarin de overheid ook participeert zowel publieke als commerciële belangen worden nagestreefd en gerealiseerd en de overheid zich niet het recht heeft voorbehouden om over alle zaken betreffende de publieke doelen een beslissende stem te hebben, dan kan worden aangenomen dat er sprake is van een activiteit die behoort tot de marktsector.

Aandachtspunt hierbij is dat als er een GEM wordt opgericht, ook de financiering van de grondexploitatie een zaak van de GEM hoort te zijn. Als private onderneming kan de GEM financiering aantrekken op de kapitaalmarkt. In de regel loopt de financiering echter nogal eens via de gemeente. Dit heeft als voordeel dat een lagere rente kan worden bedongen, omdat de gemeente vanwege het lage risicoprofiel van overheden tegen gunstige condities leningen kan sluiten. Nog afgezien van de staatssteun implicaties die hieraan kunnen zitten, is deze werkwijze voor het EMU saldo niet wenselijk. De gemeente loopt nu immers weer direct al het risico en daarmee zal eerder kunnen worden aangenomen dat er een direct effect is op het EMU-saldo van de gemeente.

 

4. EMU norm en classificatie

Uit het bovenstaande kunnen we afleiden dat er een aantal criteria gelden die de zgn. grondgerelateerde activiteiten van de overheid classificeren als onderdeel van de overheidssector of als onderdeel van de marktsector. Als hoofdregel voor de PPS- constructies zoals hierboven benoemd geldt daarbij dat het constructierisico en het beschikbaarheids- of het vraagrisico bij het bedrijf dient te liggen (en niet bij de overheid). Voor de Joint venture constructies is met name van belang :

-Doel van de activiteit/ontwikkeling (zuiver publiek/publiek en privaat / zuiver commercieel)

Een ontwikkeling die een zuiver publiek doel heeft en als afnemer in feite alleen de overheid zelf kan hebben zal niet al te snel worden aangemerkt als een activiteit van de markt , tenzij het een full operational lease betreft.  Een gecombineerde output waarbij zowel publieke als commerciele doelen van belang zijn en waarbij ook een waardevermeerdering optreedt door de integratie van deze functies kan wel  worden gezien als een marktactiviteit, mits dit ook past bij de onderstaande voorwaarden.

-Risicoverdeling publiek/privaat

De private partner moet een substantieel deel van het risico dragen, zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde. Indien een substantieel deel van deze risico’s direct of indirect door garanties van de overheid (bijvoorbeeld m.b.t. de schuld van de private partij bij banken) worden afgedekt, is dat een indicatie van onvoldoende risico-overdracht aan de marktpartij.

-Financiering

De financiering van het vehikel mag (nog los van de staatssteunaspecten)niet zuiver publiek zijn.

-Zeggenschapverdeling

De overheid mag niet de volledige zeggenschap hebben over een joint venture,  anders is er geen sprake van een bedrijf dat geclassificeerd kan worden als onderdeel van de marktsector.

 

Ter nadere toelichting treft u hierbij een korte toelichting aan van de classificatie van het grondbedrijf, de sector onderwijs en het havenbedrijf/vervoersbedrijf aan. Deze toelichting is opgesteld door het CBS op basis van de huidige registratie in de Nationale rekeningen waarvoor de verantwoordelijkheid bij het CBS ligt. In het bestuurlijk akkoord is overeengekomen dat nog nader wordt gekeken naar deze materie.

In het navolgende wordt eerst ingegaan op de internationale richtlijnen voor de afbakening van eenheden en sectoren. Deze richtlijnen die gelden voor de samenstelling van de Nationale rekeningen zijn vastgelegd in het Europees Systeem van Rekeningen 1995 (ESR 1995). Daarnaast zijn in het Handboek Overheidstekort en –schuld specifiek op de overheid gerichte registratievraagstukken verder uitgewerkt, waarbij de richtlijnen van het ESR 1995 uitgangspunt zijn.
Vervolgens zal worden ingegaan op de toepassing van deze voorschriften bij de registratie van het gemeentelijke grondbedrijf, waarbij ook een parallel wordt getrokken naar het gemeentelijke havenbedrijf en het gesubsidieerde onderwijsveld. In de huidige Nationale rekeningen wordt het gemeentelijke havenbedrijf niet tot de sector overheid gerekend en het gesubsidieerde onderwijs wel.

Sectortypering in ESR 1995

Voor een adequate beschrijving van de economie is het noodzakelijk dat economische actoren worden gegroepeerd. In de Nationale rekeningen heten deze groepen institutionele sectoren (of kortweg: sectoren). De sectoren die worden onderscheiden zijn: niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, overheid, huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens en het buitenland. De sectoren in de Nationale rekeningen omvatten institutionele eenheden die worden gekenmerkt door een gelijksoortig economisch gedrag. Hierbij geldt dat een economische eenheid alleen als institutionele eenheid wordt beschouwd als de eenheid volledig beschrijfbaar is (lopende, kapitaal- en financiële transacties, inclusief de balansen).

De indeling van deze institutionele eenheden naar sectoren vindt plaats op basis van het type producent dat zij zijn en op basis van hun hoofdactiviteit of functie. Wanneer de hoofdactiviteit van de institutionele eenheid het voortbrengen van goederen en diensten is, moet om vast te stellen bij welke sector de eenheid moet worden ingedeeld, eerst worden vastgesteld tot welk type producent hij behoort.

In het ESR 1995 worden 3 types producenten onderscheiden:

a)       Particuliere marktproducenten en marktproducenten in handen van de overheid

b)       Particuliere producenten voor eigen finaal gebruik

c)       Particuliere overige niet-marktproducenten en overige niet-marktproducenten in handen van de overheid.

Voor de sectortypering van de gemeentelijke grondbedrijven zijn alleen de types a) en c) relevant. Bij het onderscheid tussen marktproductie en overige niet-marktproductie zijn de volgende criteria van belang. Van marktproductie is sprake als de voortgebrachte goederen en diensten op de markt worden afgezet en van overige niet-marktproductie als deze (bijna) gratis worden geleverd. Voor het maken van dit onderscheid moet gebruik worden gemaakt van de zogenoemde 50%-regel.

De 50%-regel houdt het volgende in: als de opbrengsten uit verkopen van de goederen en diensten meer zijn dan 50% van de productiekosten, dan is er sprake van marktproductie. Indien de opbrengsten uit verkopen van de goederen en diensten minder zijn dan 50% van de productiekosten, dan betreft het overige niet-marktproductie. In deze 50%-regel worden de opbrengsten van de verkopen van de goederen en diensten vergeleken met de productiekosten ervan. Hierbij worden onder de productiekosten gerekend de beloning van werknemers, het intermediair verbruik, de afschrijvingen en de niet-productgebonden belastingen op productie. Tot de sector overheid worden vervolgens alleen eenheden gerekend waarbij sprake is van overige niet-marktproductie en die ‘in handen zijn’ van de overheid.

Het gemeentelijke havenbedrijf

Het havenbedrijf kan als een afzonderlijke institutionele eenheid worden beschouwd omdat het volledig beschrijfbaar is (volledige boekhouding en balans aanwezig). Voor de sectortypering van het havenbedrijf dient dan eerst de hoofdactiviteit (en de daarmee samenhangende productie) worden bepaald. Deze hoofdactiviteit bestaat uit het beschikbaar stellen van havenfaciliteiten (ligplaatsen, opslagplaatsen, bedrijfsgebouwen e.d.) voor (individueel) gebruik door andere eenheden. Hiervoor worden vergoedingen gevraagd in de vorm van haven- en liggelden, huur van gebouwen en bedrijfsterreinen e.d.. Deze producerende eenheid brengt zijn diensten dus op de markt. Op grond van de 50%-regel wordt deze eenheid beschouwd als een marktproducent, want de verkoopopbrengsten uit deze activiteit bedragen meer dan 50% van de exploitatiekosten. Dit betekent dat het havenbedrijf geen onderdeel vormt van de sector overheid in de Nationale rekeningen.

Voor de uitvoering van deze taak zijn (uiteraard) investeringen nodig, zoals het uitdiepen van de havens, nieuwbouw en onderhoud kades, bedrijfsterreinen en –gebouwen, aanschaf computers e.d. Deze kosten worden bij de (institutionele) beschrijving van deze eenheid meegenomen, evenals de kosten en opbrengsten van nevenactiviteiten. Een zelfde argumentatie kan worden gevolgd voor een gemeentelijk energiebedrijf of een openbaar vervoerbedrijf.

Het gesubsidieerde onderwijs

De scholen voor bijzonder gesubsidieerd onderwijs – meestal in de vorm van een stichting of een vereniging – vormen afzonderlijke institutionele eenheden (verplicht jaarverslag). De hoofdactiviteit van deze instellingen is het geven van onderwijs aan personen. De productie bestaat dus uit het voortbrengen van (individuele) onderwijsdiensten. De opbrengsten uit ‘verkoop’ van deze diensten betreffen de betalingen door individuele personen, in de vorm van schoolgelden en collegegelden. Omdat deze opbrengsten minder dan 50 % bedragen van de totale exploitatiekosten, worden deze scholen beschouwd als overige niet-marktproducenten. Omdat zij tevens ‘onder controle staan’ van de overheid, worden zij gerekend tot de sector overheid.

Het gemeentelijke grondbedrijf

Uitgaande van de veronderstelling dat het gemeentelijke grondbedrijf volledig beschrijfbaar is (volledige boekhouding en balans aanwezig), kan het als een afzonderlijke institutionele eenheid worden beschouwd.De hoofdactiviteit van het grondbedrijf is het ontwikkelen van de infrastructuur door het (laten) aanleggen van wegen, pleinen, straten, riolering, lantaarnpalen e.d. Dit betreft dus het voortbrengen van collectieve diensten. Daarmee is de activiteit van het grondbedrijf anders van karakter dan die van het havenbedrijf of openbaar vervoerbedrijf. De output van het grondbedrijf wordt collectief ter beschikking gesteld aan de gemeenschap, zonder dat daar een directe betaling van de leden van de gemeenschap tegenover staat. De voortgebrachte voorzieningen worden ook niet verkocht, maar blijven in eigendom en beheer van de gemeente. In feite kan de activiteit van het grondbedrijf dan ook worden gezien als een hulpactiviteit voor de gemeente. Er is sprake van een hechte relatie tussen de gemeente en het gemeentelijk grondbedrijf.  Bij toepassing van de 50%-regel op het grondbedrijf worden de opbrengsten van de verkoop van kavels door het CBS dan ook niet in de beschouwing meegenomen als opbrengsten uit hoofde van de hoofdactiviteit. Dit houdt in dat de uitvoering van de hoofdactiviteit van het grondbedrijf tot de overige niet-marktproductie wordt gerekend. Als gevolg daarvan is het gemeentelijke grondbedrijf van oudsher een onderdeel van de sector overheid in de Nationale rekeningen.

5. Toepassingsgebieden 

 

a. Joint venture : Een project waarin de overheid en een private partner ieder een gedeelte van het risico-dragen kan zowel als privaat als als publiek worden geclassificeerd. Om dit toch wat beter te kunnen onderscheiden zijn hieronder 3 voorbeelden opgenomen:

1: Een project waarin infrastructuur en een door de overheid exact opgegeven woningbouwprogramma wordt gerealiseerd kent een heldere risico-verdeling: de private grondafnemers moeten een afnamegarantie geven en de infrastructuur wordt wel aanbesteed door de JV, maar overschrijdingen zijn voor risico van de overheid. Er zijn geen extra mogelijkheden tot bijsturen of vetorechten voor de overheid voorzien. De directie van de JV is op afstand van de aandeelhouders geplaatst. Beide partijen hebben grondposities ingebracht op gelijkwaardige basis.

De overheid stort 1000 euro bij om de onrendabele top te dekken. Deze JV zou kunnen classificeren als een private onderneming, maar de investering die de overheid in het project doet moet wel worden meegenomen in het EMU-saldo.

2: Een project waarin infrastructuur en een nog nader in te vullen woningprogramma zal worden gerealiseerd kent een heldere risicoverdeling; de overheid draagt het risico voor de infra, de private partij draagt bij afhankelijk van de opbrengst van het woningbouwprogramma (geen winst geen bijdrage). Dit classificeert niet als een private onderneming, dit is een overheidsinvestering pur sang.

3: Een project waarin een JV wordt opgericht en de risico’s 50/50 worden gedeeld, kent een complex programma. Een mix van publieke en private doelen heeft invloed op elkaar en op de kwaliteit van het eindprodukt. Omdat het project lang zal gaan duren behoud de overheid zich een fors aantal rechten voor ten aanzien van de sturing van het project. Dit betreft o.a. aanpassing van het plan (onder schadeloosstelling van de andere partners, beëindiging van de samenwerking (onder schadeloosstelling van de andere partners) etc. Hier is zoveel directe invloed op het project en de werkwijze dat niet gezegd kan worden dat hier sprake is van een marktgestuurde bedrijfseconomisch handelende onderneming. Hier wordt een marktpartij betrokken bij het uitvoeren van een overheidstaak.

 

b.       De concessie

De concessie wordt in Nederland steeds vaker gebruikt voor het realiseren van gecombineerde (publieke en private) doelen. Als dit goed wordt aanbesteed dan is er sprake van een volledig transparante wijze van het beperken van een eventueel EMU-tekort.

Voorbeelden: Wieringerrandmeren, Bergen op Zoom, Zuiderzeelijn.



[1] Om de administratieve lasten beperkt te houden is het te adviseren om de berekening van EMU-saldo mee te nemen in het reguliere begrotingsproces.

[2] Voor gemeenten wordt dit ook wel de kadernota genoemd, deze meerjarige budgettaire nota wordt ook aangeduid met voorjaarsnota of perspectievennota. Andere terminologie die voor de lokale overheden wordt gebruikt zijn de lokale voorjaarsnota of managementrapportage eerste kwartaal.

[3] Zoals reeds eerder aangegeven verloopt de gegevensverzameling van de waterschappen via de Begrotingsvergelijking 2005.

[4] Definitie netto-kosten (conform Begrotingsvergelijking 2004):
de geraamde exploitatiekosten van de waterschappen zoals deze resulteren nadat op de bruto-exploitatiekosten de directe baten in mindering zijn gebracht en waarin nog geen verwerking heeft plaatsgevonden van:
- bedragen die zullen worden kwijtgescholden en oninbaarverklaard;
- alsmede de inzet van en/of toevoeging aan algemene en/of tariefsegalisatiereserves die een rol spelen in het kader van de tariefsontwikkeling.
Het betreft het totaal van de (maximaal 5) reglementaire taken van de waterschappen.

 

[5] Bij gemeente kan ook provincie worden gelezen.

[6] In dit overzicht is geabstraheerd van mogelijke kas- transactieverschillen. Dergelijke verschillen ontstaan wanneer in de gemeentelijke begroting wordt uitgegaan van het moment van betaling in plaats vaan het moment van levering. In het algemeen genomen is gezien de BLS-systematiek de de verwachting dat lokale overheden weing KTV’s zullen hebben.

 

[7] Zie voor wat betreft gemeenten en provincies BBV, artikel 17c.

[8] Gemeenten en provincies: zie BBV, artikel 44.

[9] Gemeenten en provincies: zie BBV, artikel 35.

[10] Vraag 7 en 8 hebben betrekking op de activiteiten van het grondbedrijf, niet op de (des) investeringen in terreinen e.d. zoals verantwoord onder de materiële vaste activa.

[11] Ingeval van positief exploitatiesaldo, anders -1

[12] Met de Begrotingsvergelijking wordt sinds 2004 ook reeds andere informatie t.b.v. de EMU verzameld.

Download document
print
Terug
| In Favorieten plaatsen | Stuur dit door