CIRCULAIRE
BEHEERSEN EMU-SALDO VAN DE LOKALE OVERHEID
Van 8 november 2004
Aan:
de besturen van gemeenten, provincies en
waterschappen
Onderwerp:
Beheersing van het EMU-saldo van de lokale
overheid
Doelstelling:
Bekendmaking van beleid en het geven van
informatie
Inlichtingen
r.p.weijden@minfin.nl
Internet
www.minfin.nl
Voorwoord
Bijgevoegd treft u een circulaire aan waarin de
afspraken zijn weergegeven die tussen het kabinet en de lokale
overheden zijn gemaakt. Deze afspraken zijn tot stand gekomen
na constructief overleg tussen het Rijk en de lokale
overheden, waarvoor ik u zeer erkentelijk ben. In dit overleg
is onderkend dat het EMU-saldo probleem nieuw is en dat de
lokale overheden geen blaam treft. Wel is er doordat de
Europese begrotingsregels gelden voor de overheid als geheel
sprake van een gezamenlijk probleem.
Kern van het akkoord is dat gezamenlijk opgetrokken
wordt om ervoor te zorgen dat in 2005 het vastgestelde
maximumtekort niet wordt overschreden. Van groot belang is
daarbij de verbetering van de informatievoorziening en het
nauwlettend volgen van de ontwikkeling van het EMU-saldo. Een
ander belangrijk onderdeel van het akkoord is dat
mogelijkheden worden uitgewerkt om het verschil tussen het
EMU-saldo en het saldo op de gewone dienst te beperken. Op
basis van de ontwikkeling van het EMU-saldo voor de hele
overheid en die van de lokale overheid wordt in 2005
gezamenlijk bezien of nadere actie nodig is.
Ten slotte wil ik u er graag op attenderen dat 24
november een voorlichtingsdag voor de lokale overheid gehouden
wordt over dit onderwerp. Deze vindt plaats bij de
Rijksacademie voor Financiën en Economie, zie voor programma
en aanmelding: www.rijksacademie.nl
(onder congreskalender).
Mede namens de
minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
De
minister van Financiën,
G. Zalm
Inleiding
In deze
circulaire informeren wij u over de gemaakte afspraken tussen
het kabinet en de koepelverenigingen VNG, IPO en Unie van
Waterschappen (UvW) om te komen tot een beheerste ontwikkeling
van het EMU-saldo van de lokale overheid.
Aanleiding hiervoor is dat begin van dit jaar bleek
dat een in 2003 opgetreden EMU-tekort (het gezamenlijk
begrotingstekort van het Rijk, lokale overheden en sociale
fondsen) mede was veroorzaakt door een hoger dan verwacht
EMU-tekort van de lokale overheden: provincies, gemeenten en
waterschappen. De tekorten waren hoger dan in ramingen van het
CPB was voorzien en dus ontstond een probleem, niet in de
laatste plaats omdat het EMU-tekort in 2003 over de
grenswaarde van 3% ging uit het verdrag van Maastricht. Ook in
2004 en 2005 bevindt Nederland zich nog in de
gevarenzone.
Het afgelopen
half jaar is uitvoerig overleg gevoerd over de mogelijkheden
om het EMU-saldo van de lokale overheid te beheersen.
Onderkend is dat er sprake is van een gezamenlijk probleem dat
gezamenlijk opgelost moet worden. Ook is duidelijk dat de
lokale overheid geen blaam treft en handelt binnen de eisen
over een sluitende begroting in baten-lastentermen. Op 27
september jl. hebben het kabinet, de VNG, het IPO en de UvW
(hierna ook wel genoemd lokale overheid) een akkoord bereikt dat zoveel mogelijk rekening
probeert te houden met dit gegeven en de autonomie van de
lokale overheid. Na raadpleging van de leden van VNG,
IPO en UvW is dit akkoord bekrachtigd op het bestuurlijk
overleg financiële verhoudingen van 27 oktober.
Navolgend wordt
ingegaan op de afspraken die er op gericht zijn om de
informatievoorziening over het EMU-saldo van de lokale
overheid te verbeteren, het tekort in 2005 te beheersen en
gezamenlijk te zoeken naar oplossingen in de sfeer van
publiek-private samenwerking en het grondbedrijf. Zonodig
worden in de eerste helft van 2005 na overleg nadere
oplossingen gezocht. Hiermee wordt voor 2005 afgezien van nadere regelgeving, boeten, een ontheffingsregime
en een ruilmechanisme, zoals nog werd voorgesteld in een
recent advies van een commissie van externe deskundigen (http://www.minfin.nl/, ter
zake dossier gemeenten en provincie, onder beheersen EMU-saldo
lokale overheid). Op basis
van de ervaringen in 2005 en de stand van de discussie die nu
loopt over het Stabiliteits- en groeipact (SGP) in Europa zal
nader invulling worden gegeven aan een structurele oplossing.
Het afgesloten akkoord is ter informatie bijgevoegd (bijlage
1).
Navolgend
wordt ingegaan op:
- Overschot
lokale overheid onverwachts omgeslagen in een EMU-tekort.
- Verbetering
van de informatievoorziening.
- Hoe het
EMU-saldo voor de eigen organisatie te berekenen.
- Beheersen van
het EMU-saldo 2005.
- Publiek-private samenwerking en
het grondbedrijf.
- Welke
ondersteuning biedt het rijk?
In de bijlage 1
staat de tekst van het bestuurlijk akkoord en in bijlage 2
zijn de referentiewaarden voor de individuele lokale overheden
opgenomen. Bijlage 3 bevat de enquêtes voor de
gemeenten/provincies en de waterschappen en bijlage 4 geeft
enige handvatten die kunnen helpen om binnen de EMU-norm te
blijven.
1. Overschot
lokale overheid onverwacht omgeslagen in een tekort
Het EMU-saldo
van de lokale overheid telt mee voor het EMU-saldo van de
totale Nederlandse overheid. Na jarenlange
kleine overschotten is het EMU-saldo van de lokale overheid in
2002 en 2003 onverwacht flink in de min geschoten. In 2003 is
er sprake van een EMU-tekort voor de lokale overheid van 0,6%
BBP. In 2004 zal er naar verwachting sprake zijn van een
tekort van 0,7% en in 2005 van 0,5%. Deze raming van het
Centraal Planbureau, in tabel 1, sluit aan bij de uitkomsten
van een enquête die is gehouden onder de 50.000+ gemeenten.
Tabel 1: EMU-saldo
lokale overheid 2000 – 2007; in miljarden euro en procenten
BBP
|
|
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
|
Miljarden euro |
0,3 |
-0,3 |
-2,0 |
-2,5 |
-3,2 |
-2,4 |
-1,6 |
-0,8 |
|
% BBP |
0,1 |
-0,1 |
-0,5 |
-0,6 |
-0,7 |
-0,5 |
-0,3 |
-0,2 |
Het tekort in het jaar 2003 bedraagt, bij een neutrale
verwerking van het BTW-compensatiefonds, 2,5 miljard euro dat
grotendeels was geconcentreerd bij de gemeenten (2,4 miljard)
en in minder mate bij de provincies (0,2 miljard), de
waterschappen (0,1 miljard).
Oorzaken voor het ontstaan van het tekort liggen met
name in de oplopende netto grondaankopen van gemeenten en in
de investeringen van gemeenten, provincies en waterschappen.
Deze uitgaven worden grotendeels gefinancierd door leningen en
door het inzetten van in het verleden opgebouwde reserves.
Het oplopen van het EMU-tekort betekent niet dat de
lokale overheden blaam treft. Een EMU-tekort kan zich immers
voordoen bij een sluitende begroting (bij een
baten-lastenstelsel) en het EMU-tekort is tot op heden geen
sturingsvariabele geweest voor de lokale overheid. Hoewel dus
conform de bestaande regels wordt gehandeld, vormt het
ontstane EMU-tekort toch een probleem omdat dit tekort van de
lokale overheid bijdraagt aan het EMU-tekort van de gehele
overheid. Mede daardoor heeft Nederland in 2003 de
3%-tekortgrens uit het verdrag van Maastricht overschreden.
Ook voor de jaren 2004 en 2005 kan dit het geval zijn omdat
Nederland zich dan ook in de buurt van deze grens beweegt.
Op basis van de wet Financiering Decentrale Overheden
(Fido) behoort ingrijpen tot de mogelijkheden bij een
dreigende overschrijding van het 3% EMU-tekort voor zover dit
wordt veroorzaakt door een ongewenste ontwikkeling van het
EMU-saldo van de lokale overheid. Om er zeker van te zijn dat
Nederland aan zijn Europese verplichtingen kan voldoen ten
aanzien van het respecteren van de 3% tekortgrens is 2005 een
zeer belangrijk jaar. In ieder geval moet voorkomen worden
dat, mede door (onverwachte) EMU-tekorten bij de lokale
overheden, Nederland voor de derde keer op rij deze grens
overschrijdt.
2. Verbetering van de
informatievoorziening
Goede
informatievoorziening kan een bijdrage leveren aan de
bewustwording dat de lokale overheden een bijdrage leveren aan
het EMU-saldo. Met het oog daarop is afgesproken dat in het
vervolg een raming van het eigen EMU-saldo wordt opgenomen in
de begroting (en in de uitvoeringsnota’s).
Aangezien de begrotingen voor 2005 al bijna zijn afgerond, zal
voor het eerste jaar de informatie separaat van de begroting
worden gepresenteerd. Deze informatie zal worden opgevraagd in
de vorm van een enquête en zal door het Rijk worden
geaggregeerd om een totaal te krijgen van elk van de drie
sectoren. Naast de cijfers voor het jaar 2005 wordt tevens
gevraagd naar de cijfers voor het jaar 2004 en 2006. In de
volgende paragraaf wordt aangegeven hoe u zelf op een
eenvoudige wijze het EMU-saldo kan berekenen. De begroting
2006 is dus de eerste begroting waarin het EMU-saldo een vaste
plaats krijgt.
De monitoring van
het EMU-saldo tijdens het jaar vindt plaats via de bestaande
EMU-kwartaalrapportages (ook wel KREDO-rapportages genoemd)
over de uitvoering 2005. Het belang van het tijdig en volledig
invullen van deze rapportages spreekt voor zich. Medio maart
zal op basis van de dan bestaande inzichten over de begroting
2005 en de uitkomsten 2004 de balans worden opgemaakt. U wordt
verzocht de Kredo-rapportage over het vierde kwartaal voor 1
februari aan het CBS te doen toekomen en tevens aan te geven
of de EMU-saldo raming voor 2005 nog actueel is. Medio juni
zal een tweede keer de balans worden opgemaakt, gebaseerd op
de eerste kwartaalrapportage aan het CBS. U wordt dan ook
verzocht aan te geven welke doorwerking de eerste
uitvoeringsnota
heeft op de EMU-saldo raming voor 2005 en aan te geven of de
EMU-saldi voor 2004 (invloed jaarverslag) en 2006 nog actueel
zijn.
Box:
aanleveren benodigde gegevens
|
In bijlage 3 van deze circulaire zijn aparte
enquêtes voor enerzijds provincies en gemeenten en
anderzijds waterschappen opgenomen in de bijlage 3. De
enquête voor provincies en gemeenten komt ook via het
internet in Excel-formaat beschikbaar (http://www.minfin.nl/,
bij ter zake dossier gemeenten en provincie, onderdeel
beheersen EMU-saldo lokale overheid). U wordt verzocht
uiterlijk 15 december de uitkomsten van de enquête in
dit Excel-formaat op te sturen naar emailadres r.p.weijden@minfin.nl
De door het bestuur van de lokale overheid
(voor gemeenten B&W) ondertekende versie dient per
post opgestuurd te worden aan het ministerie van BZK,
Postbus 20011 2500 EA Den Haag t.a.v. de heer B.
Doeves.
Mede omdat de van de waterschappen benodigde
gegevens reeds voor een deel aanwezig zijn in de
Begrotingsvergelijking van de Vereniging van Directeuren
van Waterschappen wordt de waterschapsenquête opgenomen
in dit instrument. De Unie van Waterschappen zal de gegevens beschikbaar stellen aan de Werkgroep
beheersen EMU-saldo lokale overheid. Onderstaand
schema maakt duidelijk welke informatie wanneer
aangeleverd moet worden.
Overzicht (aanvullende)
informatievoorziening |
|
|
2004 |
2005 |
2006 |
|
1. Enquête
voor 15 december (basis begroting 2005) |
X |
X |
X |
|
2. Voor 1
februari oplevering 4de kwartaal Kredo
2004 |
X |
X |
|
|
3 Voor 1 mei
1e kwartaal Kredo 2005, medio juni balans
opmaken |
|
X |
X |
3. Hoe het EMU-saldo voor de eigen organisatie te
berekenen
In het Verdrag van Maastricht is afgesproken dat het
EMU-tekort van een land maximaal 3% BBP mag bedragen. Hierbij
is gebruik gemaakt van definities en conventies van het
Europese systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR
1995). Deze definities bepalen dat het EMU-saldo het saldo van
de gehele overheid is: Rijk, Sociale Fondsen en overige
publiekrechterlijke lichamen (lokale overheid). Het EMU-saldo
van de lokale overheden maakt daarom deel uit van de afspraken
omtrent de 3%-tekortgrens.
Tabel 2: Invloed van
transacties op tekort lokale overheid en op
EMU-tekort
|
|
Tekort lokale
overheid |
EMU-tekort |
|
1. Investeringen |
Alleen afschrijvingen vergroten
tekort |
Volledige investeringsbedrag ten
laste van tekort |
|
|
Aan- en verkoop niet in
exploitatiesaldo. Wel geactiveerd, maar niet
afgeschreven; boekwinst/boekverlies in exploitatiesaldo
op moment van verkoop (of tussentijdse
winst-/verliesneming) |
Aankopen vergroten het
EMU-tekort; verkopen verkleinen het
EMU-tekort |
|
3. Opbrengst verkoop financiële
activa (aandelen/obligaties) |
Boekwinst komt ten goede aan het
exploitatiesaldo |
Opbrengst niet-relevant voor het
EMU-saldo |
|
4. Aanwenden
reserves |
Financieringsbron voor
uitgaven |
Geen
financieringsbron |
|
5. Beroep op
voorzieningen |
Financieringsbron voor
uitgaven |
Geen
financieringsbron |
|
6. Vorming reserves |
Ten laste van overschot
begroting |
Geen
post |
2. Een provincie verkoopt in jaar (t) een deelneming
in een (energie)bedrijf voor 250 miljoen euro en wendt de
opbrengst in kastermen nog in hetzelfde jaar aan voor een
investeringsproject. Dit leidt tot een belasting van het
EMU-saldo in jaar (t) met 250 miljoen. De verkoop van een
deelneming ontlast het tekort niet - net als een aankoop het
EMU-tekort niet belast - de kasbetaling voor het
investeringsproject wel. In het baten-lastenstelsel wordt de
boekwinst op de verkochte aandelen – 250 miljoen euro
verminderd met de boekwaarde – via de exploitatierekening van
jaar (t) aan de reserves toegevoegd; de met de investering
samenhangende afschrijving in jaar (t) komt ten laste van de
begroting van jaar (t).
3. Aankopen van grond belasten het EMU-saldo. Verkopen
van grond ontlasten het EMU-saldo. In het baten-lastenstelsel
leidt de aankoop van gronden tot een toename van de
grondpositie op de balans. In het jaar van verkoop wordt deze
grondpositie weer afgeboekt ten laste van de exploitatie van
dat jaar. Tevens wordt de verkoopopbrengst ten gunste van de
exploitatie geboekt, zodat per saldo de boekwinst (of verlies)
ten gunste (ten laste) van de exploitatie wordt gebracht.
Hoe bereken ik het EMU-saldo voor mijn gemeente,
provincie of waterschap?
Alle gemeenten, provincies en waterschappen leveren nu
al gedetailleerde informatie aan het CBS aan via de
EMU-kwartaalrapportagesen/of de FIDO-enquête aan bureau KREDO
van het CBS, op basis waarvan het EMU-saldo wordt berekend.
Dit wil niet zeggen dat elke gemeente, provincie of waterschap
nu al een EMU-saldo berekent (zeker niet voor de raming). Het
is immers tot nu toe geen sturingsvariabele.
Deze berekening is inmiddels wel gemaakt door de
50.000+ gemeenten. Dit is gebeurd door een enquête over de te
verwachten ontwikkeling van het EMU-saldo van de lokale
overheid in de jaren 2004-2006 in te vullen (op basis van
begroting 2004). De Unie van Waterschappen en het IPO hebben
op eigen initiatief ook deze berekening gemaakt. Voor de
berekening moet een aantal stappen worden gezet die in de
volgende tabel kort zijn weergegeven. Onderstaand overzicht is
van toepassing voor gemeenten en provincies (zie ook bijlage
3a), in bijlage 3b wordt nader ingegaan op de berekening voor
de waterschappen.
Tabel 3: Van exploitatiesaldo
lokale overheid naar EMU-saldo gemeenten en
provincies
|
|
|
|
+2 |
Afschrijvingen ten laste van de
exploitatie jaar (t) |
|
+3 |
Bruto dotaties aan voorzieningen
ten laste van de exploitatie jaar (t) |
|
-4 |
Investeringen in jaar (t) in
materiële vaste activa die op de balans ultimo jaar (t)
worden geactiveerd |
|
|
|
|
+6a |
Opbrengsten uit desinvesteringen
in vaste activa in jaar (t)(tegen
verkoopprijs) |
|
-6b |
De boekwinst op desinvesteringen
in vaste activa in jaar (t) |
|
-7 |
Aankoop grond, bouw-, woonrijp
maken e.d. in jaar (t) |
|
+8a |
Opbrengsten uit verkoop van grond
in jaar (t) (tegen verkoopprijs) |
|
-8b |
De boekwinst op grondverkopen in
jaar (t) |
|
-9 |
Betalingen in jaar (t) ten laste
van de voorzieningen |
|
-10 |
Betalingen in jaar (t) die niet
via de exploitatie lopen, maar rechtstreeks ten laste
van de reserves (inclusief fondsen e.d.) worden gebracht
en die niet vallen onder één van de andere genoemde
posten vallen |
|
-11 |
Boekwinst bij verkoop van
deelnemingen en aandelen in jaar (t) |
|
= |
Berekend EMU-saldo lokale
overheid |
*Een
exploitatietekort heeft een minteken.
De
posten met een plus verkleinen het EMU-tekort, die met een min
vergroten het EMU-tekort. Zo zijn bijvoorbeeld afschrijvingen
wel een last op de exploitatiebegroting van de lokale
overheden, maar vormen deze geen uitgavenpost voor het
EMU-saldo. Met de bovenstaande methode kan op eenvoudige wijze
de begroting worden doorvertaald in EMU-termen.
Voor de realisatie gelden uiteindelijk de
KREDO-rapportages (en/of FIDO) na beoordeling door het
CBS.
4. Beheersen van het EMU-saldo 2005
De ontwikkeling
van het EMU-tekort wordt gevolgd aan de hand van de begroting
en de uitvoering 2005. Alle gemeenten, provincies en
waterschappen zullen, zoals eerder gezegd, worden gevraagd op
basis van hun begroting een berekening te maken van het te
verwachten EMU-saldo in 2005. Medio maart (Voorjaarsnota)
wordt op basis van de uitvoering over de eerste twee maanden
de balans opgemaakt. De noodzaak van maatregelen zal dan
worden bezien in het licht van de recente inzichten over de
uitvoering en het actuele beeld rond het totale EMU-saldo
(Raming CPB). Dit is het geval wanneer het totale EMU-tekort
van de overheid de signaalwaarde van 2,5% overschrijdt en als
de huidige raming van het tekort van de lokale overheid voor
2005 (0,5%) wordt overschreden. Medio juni zal voor de tweede
keer de balans worden opgemaakt, gebaseerd op de gegevens over
de uitvoering van de eerste vier maanden.
Tabel 4:
Maximaal tekort per sector lokale
overheid
|
|
Gemeente |
Provincie |
Waterschappen |
totaal
tekort |
|
Verdeling
maximaal tekort in mln euro |
1900 |
325 |
250 |
2475 |
|
Verdeling
maximaal tekort in % BBP |
0,4% |
0,07% |
0,05% |
0,5% |
Uitgaande van een
maximaal EMU-tekort dat gemeenten, provincies en waterschappen
gezamenlijk mogen hebben in 2005 (zie tabel 4), krijgt elke
lokale overheid een eigen referentiewaarde. Het maximale
EMU-tekort zal voor gemeenten in totaal 1900 miljoen euro
bedragen, voor provincies 325 miljoen en voor waterschappen
250 miljoen (in totaal 0,5% BBP). Ter
bewustwording zal deze macro referentiewaarde worden
doorvertaald naar de afzonderlijke gemeenten, provincies en
waterschappen. Voor de gemeenten en provincies gebeurt dit op
basis van hun aandeel in de algemene uitkering van het
gemeentefonds, respectievelijk de totale uitkering van het
provinciefonds. Voor de waterschappen gebeurt dit op basis van
de totale netto-kosten over 2004. In bijlage 2 staan de
uitkomsten vermeld.
5. Welke
maatregelen kunnen helpen binnen de norm te blijven?
Ofschoon er op
voorhand geen grote spanning wordt verwacht bij het uitvoeren
van bestaande beleidsvoornemens bij het maximale tekort voor
de totale overheid is het toch verstandig om met voorrang de
mogelijkheden uit te werken om het verschil tussen de
belasting van het EMU-saldo en de begroting van de lokale
overheid te beperken (PPS en grondbedrijf). Naar de mate dat
dit lukt, beperkt dit de eventuele noodzaak van andere
maatregelen.
De belangrijkste
oorzaak voor het EMU-tekort van de lokale overheden is de
toename van de lokale investeringen. Deze investeringen hebben
voor circa 60% betrekking op het grondbedrijf. Voor niet-grond
gerelateerde investeringen resteert circa 40%. Door te kiezen
voor publiek-private samenwerking bij investeringen kan naast
een doelmatigheidswinst ook een besparing worden gerealiseerd
voor het EMU-saldo in de beginjaren. Op (korte) termijn valt
hier de nodige winst te boeken omdat het gebruik van het
instrument door de lokale overheden nog niet wijd verbreid is.
De exacte omvang valt op dit moment echter nog niet te
bepalen. Op deze wijze kan het probleem van grote fluctuaties
in het EMU-saldo worden verminderd en kan tevens
doelmatigheidswinst gerealiseerd worden. Ook ten aanzien van
grond kan gedacht worden aan het verschuiven van risico’s naar
een private partij. Handvatten daarbij zijn onder meer
jointventures en de door de externe commissie genoemde
CV/BV-constructie. Deze laatste constructie laat een
projectontwikkelaar op basis van een contract kavels bouwrijp
maken, publieke voorzieningen aanleggen en woningen
realiseren. Voorts zal het ministerie van Financiën samen met
de lokale overheden bezien welke mogelijkheden er zijn om in
de toekomst (bepaalde) marktactiviteiten van het grondbedrijf
af te splitsen en afzonderlijk te classificeren. In bijlage 4
wordt uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden die publiek
private samenwerking heeft te bieden.
6. Welke
ondersteuning biedt het rijk?
- Op woensdag 24
november zal een voorlichtingsbijeenkomst worden
georganiseerd ter ondersteuning van het berekenen van het
eigen EMU-saldo op basis van de begroting 2005 (2004-2006)
en het vinden van oplossingen. Onder meer het CBS zal dan
een toelichting geven, maar ook zal een gemeente uit de
50.000+ categorie aangeven hoe zij de enquête die gehouden
is in de zomer van 2004 heeft ingevuld en wat de ervaringen
daarbij waren. Tevens zal een concreet voorbeeld van
privaat-publieke samenwerking behandeld worden. Op de
website van de Rijksacademie voor Financiën en Economie
treft u hier nadere informatie over aan (http://www.rijksacademie.nl/,
via congreskalender).
- Tevens zal
voor concrete vragen over het EMU-saldo en de instrumenten
zoals PPS een helpdesk beschikbaar zijn. U kunt daarvoor
terecht bij: r.p.weijden@minfin.nl.
- Het Rijk zal
bezien hoe ex ante zekerheid gegeven kan worden, zoals
bijvoorbeeld door het CBS is geboden ten aanzien van de
CV/BV constructie zoals die door de commissie beheersen
EMU-saldo is bekeken (infrastructuur wordt privaat
ontwikkeld en gaat uiteindelijk voor 1 euro over naar de
overheid) over de classificatie van de onder punt 4 en in de
bijlage 4 aangedragen handvatten. Dit om te voorkomen dat
lokale overheden achteraf voor verrassingen komen te staan
over de uitkomsten van de classificatie.
Bijlage 1:
Akkoord bestuurlijk overleg over de beheersing van het
EMU-saldo van de lokale overheden
Op 27 september
hebben het kabinet, de VNG, het IPO en de UvW op constructieve
wijze overleg gevoerd over het beheersen van het EMU-saldo van
de lokale overheden. Onderkend is dat er sprake is van een
gezamenlijk probleem dat vraagt om gezamenlijke oplossingen.
Navolgend wordt ingegaan op de afspraken, die er op gericht
zijn de lokale overheden bewust te maken van hun bijdrage aan
het EMU-saldo. De beheersing zal op macroniveau gezamenlijk
worden aangepakt door een strakke monitoring, het nader
uitwerken van de mogelijkheden rond PPS/grondbedrijf en
zonodig nadere maatregelen in de eerste helft van 2005. Voor
2005 zal worden afgezien van nadere regelgeving (amvb),
boeten, een ontheffingsregime en een ruilmechanisme.
Het jaar
2005
- De
ontwikkeling van het EMU-tekort wordt gevolgd aan de hand
van de begroting en de uitvoering 2005. Alle gemeenten,
provincies en waterschappen zullen worden gevraagd op basis
van hun begroting een berekening te maken van het te
verwachten EMU-saldo in 2005. Medio maart (Voorjaarsnota)
wordt op basis van de uitvoering over de eerste twee maanden
de balans opgemaakt. De noodzaak van maatregelen zal dan
worden bezien in het licht van de recente inzichten over de
uitvoering en het actuele beeld rond het totale EMU-saldo
(CEP). Medio juni zal een tweede keer de balans worden
opgemaakt, gebaseerd op de gegevens over de uitvoering van
de eerste vier maanden.
- Er wordt een
macro referentiewaarde vastgesteld voor gemeenten,
provincies en waterschappen. Deze bedraagt voor
respectievelijk provincies, waterschappen en gemeenten een
maximaal EMU-tekort van 325, 250 en 1900 miljoen euro.
- Ter
bewustwording zal deze macro referentiewaarde worden
doorvertaald naar de afzonderlijke gemeente, provincie en
waterschap.
- Voorts zullen
de mogelijkheden worden uitgewerkt om de discrepantie tussen
de belasting van het EMU-saldo en de gemeentelijke begroting
te beperken. Partijen gaan gezamenlijk concrete
mogelijkheden uitwerken op het terrein van publiek-private
samenwerking. Daartoe zal de VNG een aantal concrete (grote)
projecten voorleggen aan de werkgroep beheersing EMU-saldo
lokale overheid. Voorts zal Financiën samen met de lokale
overheden bezien welke mogelijkheden er zijn om in de
toekomst (bepaalde) marktactiviteiten van het grondbedrijf
af te splitsen en afzonderlijk te classificeren. Hierbij zal
de expertise van het CBS worden ingeroepen.
Structurele
vormgeving
- De
afzonderlijke lokale overheden zullen per de begroting 2006
hun EMU-saldo in de begroting opnemen.
- Op basis van
de ervaringen in 2005 en de stand van de discussie die nu
loopt over stabiliteitspact in Europa zal nader invulling
worden gegeven aan een structurele oplossing (2006 en
verder).
Procedure
- Het akkoord
zal op korte termijn door VNG, IPO en Unie van waterschappen
met een positief advies worden voorgelegd aan de leden.
- Eind oktober
zal op basis van het akkoord een gezamenlijke
brief/circulaire uitgaan naar de individuele gemeenten,
provincies en waterschappen.
Bijlage 2:
Overzicht referentiewaarden van de gemeenten, provincies en
waterschappen
Hierbij treft u
per individuele lokale overheid de referentiewaarde zoals
toegelicht in paragraaf 4 van deze circulaire. Het overzicht
voor gemeenten en provincies is gemaakt op basis van de
organisatorische indeling zoals die in 2004 bestond. Bij
mogelijke herindelingen of fusies in 2005 mogen de
referentiewaarden voor de nieuwe indeling/organisatie
gebaseerd worden op basis van het totaal van de
referentiewaarden conform de indeling hieronder. Het overzicht
voor de waterschappen is reeds gebaseerd op de situatie 2005.
De Unie van Waterschappen heeft de gevolgen van de fusies per
1-1-2005 namelijk verwerkt.
2.1: Verdeling
referentiewaarden gemeenten
|
Naam |
Aandeel in het totaal
|
Referentiewaarde
(*€1000) |
Naam |
Aandeel in het totaal
|
Referentiewaarde
(*€1000) |
|
Aa en Hunze |
0,1% |
2.572 |
Maarn |
0,0% |
505 |
|
Aalburg |
0,1% |
1.077 |
Maarssen |
0,2% |
3.458 |
|
Aalsmeer |
0,1% |
1.690 |
Maasbracht |
0,1% |
1.193 |
|
Aalten |
0,1% |
1.893 |
Maasbree |
0,1% |
1.081 |
|
Abcoude |
0,0% |
619 |
Maasdonk |
0,0% |
924 |
|
Achtkarspelen |
0,2% |
2.900 |
Maasdriel |
0,1% |
1.905 |
|
Alblasserdam |
0,1% |
1.714 |
Maassluis |
0,2% |
3.478 |
|
Albrandswaard |
0,1% |
1.651 |
Maastricht |
0,8% |
14.436 |
|
Alkemade |
0,1% |
1.201 |
Margraten |
0,1% |
1.177 |
|
Alkmaar |
0,6% |
11.039 |
Marum |
0,1% |
1.037 |
|
Almelo |
0,5% |
9.061 |
Medemblik |
0,1% |
971 |
|
Almere |
1,0% |
19.404 |
Meerlo-Wanssum |
0,0% |
691 |
|
Alphen aan den Rijn |
0,4% |
7.083 |
Meerssen |
0,1% |
1.612 |
|
Alphen-Chaam |
0,0% |
889 |
Meijel |
0,0% |
513 |
|
Ambt Montfort |
0,1% |
983 |
Menaldumadeel |
0,1% |
1.380 |
|
Ameland |
0,0% |
727 |
Menterwolde |
0,1% |
1.333 |
|
Amerongen |
0,0% |
638 |
Meppel |
0,2% |
3.475 |
|
Amersfoort |
0,8% |
14.473 |
Middelburg |
0,3% |
5.703 |
|
Amstelveen |
0,4% |
6.978 |
Middelharnis |
0,1% |
1.822 |
|
Amsterdam |
8,9% |
168.371 |
Midden Drenthe |
0,2% |
3.535 |
|
Andijk |
0,0% |
629 |
Midden-Delfland |
0,1% |
1.568 |
|
Angerlo |
0,0% |
445 |
Mill en Sint Hubert |
0,1% |
1.012 |
|
Anna Paulowna |
0,1% |
1.389 |
Millingen aan de
Rijn |
0,0% |
532 |
|
Apeldoorn |
0,9% |
16.482 |
Moerdijk |
0,2% |
2.961 |
|
Appingedam |
0,1% |
1.628 |
Montfoort U |
0,1% |
1.062 |
|
Arcen en Velden |
0,0% |
768 |
Mook en Middelaar |
0,0% |
631 |
|
Arnhem |
1,0% |
19.499 |
Moordrecht |
0,0% |
709 |
|
Assen |
0,4% |
7.004 |
Muiden |
0,0% |
512 |
|
Asten |
0,1% |
1.403 |
Naarden |
0,1% |
1.257 |
|
Baarle-Nassau |
0,1% |
993 |
Neder-Betuwe |
0,1% |
2.069 |
|
Baarn |
0,1% |
2.109 |
Nederlek |
0,1% |
1.368 |
|
Barendrecht |
0,2% |
3.655 |
Nederweert |
0,1% |
1.534 |
|
Barneveld |
0,2% |
4.353 |
Neede |
0,1% |
1.262 |
|
Bathmen |
0,0% |
457 |
Neerijnen |
0,1% |
1.012 |
|
Bedum |
0,1% |
1.099 |
Niedorp |
0,1% |
1.076 |
|
Beek |
0,1% |
1.402 |
Nieuwegein |
0,3% |
5.873 |
|
Beemster |
0,0% |
775 |
Nieuwerkerk a/d
IJssel |
0,1% |
1.980 |
|
Beesel |
0,1% |
1.213 |
Nieuwkoop |
0,0% |
917 |
|
Bellingwedde |
0,1% |
1.220 |
Nieuw-Lekkerland |
0,0% |
807 |
|
Bennebroek |
0,0% |
384 |
Nijefurd |
0,1% |
1.491 |
|
Bergambacht |
0,0% |
835 |
Nijkerk |
0,2% |
3.297 |
|
Bergeijk |
0,1% |
1.553 |
Nijmegen |
1,1% |
20.931 |
|
Bergen L |
0,1% |
1.275 |
Noord-Beveland |
0,0% |
818 |
|
Bergen NH |
0,1% |
2.749 |
Noordenveld |
0,2% |
3.129 |
|
Bergen op Zoom |
0,4% |
7.353 |
Noorder-Koggenland |
0,1% |
1.023 |
|
Bergh |
0,1% |
1.736 |
Noordoostpolder |
0,3% |
5.029 |
|
Bergschenhoek |
0,1% |
1.425 |
Noordwijk |
0,1% |
2.073 |
|
Berkel en Rodenrijs |
0,1% |
1.854 |
Noordwijkerhout |
0,1% |
1.248 |
|
Bernheze |
0,1% |
2.385 |
Nuenen c.a. |
0,1% |
1.780 |
|
Bernisse |
0,1% |
1.070 |
Nunspeet |
0,1% |
2.345 |
|
Best |
0,1% |
2.465 |
Nuth |
0,1% |
1.312 |
|
Beuningen |
0,1% |
2.057 |
Obdam |
0,0% |
571 |
|
Beverwijk |
0,2% |
3.962 |
Oegstgeest |
0,1% |
1.731 |
|
Binnenmaas |
0,1% |
1.506 |
Oirschot |
0,1% |
1.629 |
|
Bladel |
0,1% |
1.715 |
Oisterwijk |
0,1% |
2.181 |
|
Blaricum |
0,0% |
473 |
Oldebroek |
0,1% |
1.984 |
|
Bleiswijk |
0,0% |
883 |
Oldenzaal |
0,2% |
3.282 |
|
Bloemendaal |
0,0% |
924 |
Olst-Wijhe |
0,1% |
1.637 |
|
Boarnsterhim |
0,1% |
1.949 |
Ommen |
0,1% |
1.787 |
|
Bodegraven |
0,1% |
1.698 |
Onderbanken |
0,0% |
718 |
|
Boekel |
0,0% |
875 |
Oosterhout |
0,3% |
5.042 |
|
Bolsward |
0,1% |
1.230 |
Oostflakkee |
0,1% |
994 |
|
Borculo |
0,1% |
1.144 |
Ooststellingwerf |
0,2% |
2.948 |
|
Borger-Odoorn |
0,1% |
2.782 |
Oostzaan |
0,0% |
773 |
|
Borne |
0,1% |
1.807 |
Opmeer |
0,1% |
1.045 |
|
Borsele |
0,1% |
2.055 |
Opsterland |
0,2% |
3.070 |
|
Boskoop |
0,1% |
2.013 |
Oss |
0,4% |
7.958 |
|
Boxmeer |
0,1% |
2.730 |
Oud-Beijerland |
0,1% |
2.074 |
|
Boxtel |
0,1% |
2.788 |
Ouder-Amstel |
0,1% |
981 |
|
Breda |
1,0% |
18.483 |
Ouderkerk |
0,0% |
763 |
|
Breukelen |
0,1% |
1.279 |
Oudewater |
0,0% |
932 |
|
Brielle |
0,1% |
1.533 |
Overbetuwe |
0,2% |
3.589 |
|
Brummen |
0,1% |
1.895 |
Papendrecht |
0,2% |
2.854 |
|
Brunssum |
0,2% |
3.346 |
Pekela |
0,1% |
1.613 |
|
Bunnik |
0,0% |
947 |
Pijnacker-Nootdorp |
0,2% |
3.519 |
|
Bunschoten |
0,1% |
1.510 |
Purmerend |
0,4% |
7.946 |
|
Buren |
0,1% |
2.207 |
Putten |
0,1% |
1.972 |
|
Bussum |
0,1% |
2.840 |
Raalte |
0,2% |
3.403 |
|
Capelle aan den
IJssel |
0,4% |
7.049 |
Reeuwijk |
0,1% |
1.017 |
|
Castricum |
0,2% |
3.029 |
Reiderland |
0,1% |
989 |
|
Coevorden |
0,2% |
3.867 |
Reimerswaal |
0,1% |
2.108 |
|
Cranendonck |
0,1% |
1.785 |
Renkum |
0,1% |
2.717 |
|
Cromstrijen |
0,1% |
1.100 |
Renswoude |
0,0% |
346 |
|
Cuijk |
0,1% |
2.333 |
Reusel-De Mierden |
0,1% |
1.069 |
|
Culemborg |
0,1% |
2.823 |
Rheden |
0,2% |
4.166 |
|
Dalfsen |
0,1% |
2.324 |
Rhenen |
0,1% |
1.535 |
|
Dantumadeel |
0,1% |
2.158 |
Ridderkerk |
0,2% |
4.485 |
|
De Bilt |
0,2% |
3.370 |
Rijnsburg |
0,1% |
1.178 |
|
De Marne |
0,1% |
1.504 |
Rijnwaarden |
0,1% |
964 |
|
De Ronde Venen |
0,1% |
2.848 |
Rijnwoude |
0,1% |
1.538 |
|
De Wolden |
0,1% |
2.349 |
Rijssen-Holten |
0,2% |
3.529 |
|
Delft |
0,7% |
12.363 |
Rijswijk |
0,3% |
4.758 |
|
Delfzijl |
0,2% |
3.553 |
Roerdalen |
0,0% |
914 |
|
Den Helder |
0,4% |
7.063 |
Roermond |
0,3% |
5.655 |
|
Deurne |
0,2% |
3.037 |
Roggel en Neer |
0,0% |
791 |
|
Deventer |
0,5% |
10.197 |
Roosendaal |
0,4% |
8.150 |
|
Didam |
0,1% |
1.539 |
Rotterdam |
6,5% |
123.705 |
|
Diemen |
0,1% |
2.243 |
Rozenburg |
0,1% |
1.197 |
|
Dinkelland |
0,1% |
2.396 |
Rozendaal |
0,0% |
170 |
|
Dinxperlo |
0,0% |
832 |
Rucphen |
0,1% |
1.942 |
|
Dirksland |
0,0% |
806 |
Ruurlo |
0,0% |
796 |
|
Doesburg |
0,1% |
1.202 |
Sassenheim |
0,1% |
1.207 |
|
Doetinchem |
0,3% |
5.165 |
Schagen |
0,1% |
1.895 |
|
Dongen |
0,1% |
2.210 |
Scheemda |
0,1% |
1.646 |
|
Dongeradeel |
0,2% |
3.152 |
Schermer |
0,0% |
509 |
|
Doorn |
0,0% |
950 |
Scherpenzeel |
0,0% |
700 |
|
Dordrecht |
0,8% |
15.789 |
Schiedam |
0,5% |
10.438 |
|
Drechterland |
0,1% |
951 |
Schiermonnikoog |
0,0% |
296 |
|
Driebergen-Rijsenburg |
0,1% |
1.535 |
Schijndel |
0,1% |
1.982 |
|
Drimmelen |
0,1% |
2.120 |
Schinnen |
0,1% |
1.088 |
|
Dronten |
0,2% |
3.705 |
Schoonhoven |
0,1% |
1.298 |
|
Druten |
0,1% |
1.677 |
Schouwen-Duiveland |
0,2% |
3.743 |
|
Duiven |
0,1% |
2.355 |
Sevenum |
0,0% |
709 |
|
Echt-Susteren |
0,2% |
3.119 |
's-Gravendeel |
0,0% |
753 |
|
Edam-Volendam |
0,1% |
2.510 |
's-Gravenhage |
4,8% |
91.650 |
|
Ede |
0,5% |
9.926 |
's-Hertogenbosch |
0,8% |
14.859 |
|
Eemnes |
0,0% |
665 |
Simpelveld |
0,1% |
1.137 |
|
Eemsmond |
0,1% |
2.095 |
Sint-Anthonis |
0,1% |
1.350 |
|
Eersel |
0,1% |
1.585 |
Sint-Michielsgestel |
0,1% |
2.187 |
|
Eibergen |
0,1% |
1.660 |
Sint-Oedenrode |
0,1% |
1.427 |
|
Eijsden |
0,1% |
999 |
Sittard-Geleen |
0,6% |
10.581 |
|
Eindhoven |
1,3% |
25.114 |
Skarsterlan |
0,2% |
2.853 |
|
Elburg |
0,1% |
1.952 |
Sliedrecht |
0,1% |
2.461 |
|
Emmen |
0,6% |
11.691 |
Slochteren |
0,1% |
1.538 |
|
Enkhuizen |
0,1% |
2.125 |
Sluis |
0,2% |
2.971 |
|
Enschede |
1,0% |
18.927 |
Smallingerland |
0,3% |
6.302 |
|
Epe |
0,2% |
3.084 |
Sneek |
0,2% |
4.267 |
|
Ermelo |
0,1% |
2.720 |
Soest |
0,2% |
3.814 |
|
Etten-Leur |
0,2% |
3.752 |
Someren |
0,1% |
1.631 |
|
Ferwerderadiel |
0,1% |
1.093 |
Son en Breugel |
0,1% |
1.090 |
|
Franekeradeel |
0,1% |
2.553 |
Spijkenisse |
0,4% |
8.214 |
|
Gaasterlan-Sleat |
0,1% |
1.272 |
Stadskanaal |
0,2% |
3.876 |
|
Geertruidenberg |
0,1% |
1.831 |
Staphorst |
0,1% |
1.571 |
|
Geldermalsen |
0,1% |
2.215 |
Stede Broec |
0,1% |
2.228 |
|
Geldrop-Mierlo |
0,2% |
3.510 |
Steenbergen |
0,1% |
2.214 |
|
Gemert-Bakel |
0,1% |
2.605 |
Steenderen |
0,0% |
490 |
|
Gendringen |
0,1% |
2.013 |
Steenwijkerland |
0,3% |
4.835 |
|
Gennep |
0,1% |
1.754 |
Stein |
0,1% |
2.246 |
|
Giessenlanden |
0,1% |
1.260 |
Strijen |
0,0% |
878 |
|
Gilze en Rijen |
0,1% |
2.087 |
Swalmen |
0,0% |
851 |
|
Goedereede |
0,1% |
1.081 |
Ten Boer |
0,0% |
789 |
|
Goes |
0,2% |
4.357 |
Ter Aar |
0,0% |
737 |
|
Goirle |
0,1% |
1.919 |
Terneuzen |
0,3% |
6.233 |
|
Gorinchem |
0,2% |
4.231 |
Terschelling |
0,0% |
837 |
|
Gorssel |
0,1% |
1.186 |
Texel |
0,1% |
1.991 |
|
Gouda |
0,5% |
8.847 |
Tholen |
0,1% |
2.487 |
|
Graafstroom |
0,0% |
938 |
Thorn |
0,0% |
280 |
|
Graft-De Rijp |
0,0% |
565 |
Tiel |
0,2% |
4.492 |
|
Grave |
0,1% |
1.209 |
Tilburg |
1,3% |
23.797 |
|
Groenlo |
0,1% |
978 |
Tubbergen |
0,1% |
1.690 |
|
Groesbeek |
0,1% |
1.798 |
Twenterand |
0,2% |
3.123 |
|
Groningen |
1,5% |
28.172 |
Tynaarlo |
0,2% |
2.912 |
|
Grootegast |
0,1% |
1.260 |
Tytsjerksteradiel |
0,2% |
3.054 |
|
Gulpen-Wittem |
0,1% |
1.435 |
Ubbergen |
0,1% |
981 |
|
Haaksbergen |
0,1% |
2.287 |
Uden |
0,2% |
3.834 |
|
Haaren |
0,1% |
1.170 |
Uitgeest |
0,0% |
930 |
|
Haarlem |
1,0% |
19.152 |
Uithoorn |
0,1% |
2.324 |
|
Haarlemmerliede
Spaarnw |
0,0% |
440 |
Urk |
0,1% |
1.497 |
|
Haarlemmermeer |
0,6% |
11.107 |
Utrecht |
2,3% |
44.470 |
|
Haelen |
0,1% |
977 |
Vaals |
0,1% |
1.149 |
|
Halderberge |
0,1% |
2.649 |
Valkenburg aan de
Geul |
0,1% |
1.597 |
|
Hardenberg |
0,3% |
5.856 |
Valkenburg ZH |
0,0% |
286 |
|
Harderwijk |
0,2% |
4.071 |
Valkenswaard |
0,2% |
2.858 |
|
Hardinxveld-Giessendam |
0,1% |
1.640 |
Veendam |
0,2% |
3.442 |
|
Haren |
0,1% |
1.837 |
Veenendaal |
0,3% |
5.984 |
|
Harenkarspel |
0,1% |
1.304 |
Veere |
0,1% |
2.119 |
|
Harlingen |
0,1% |
2.053 |
Veghel |
0,2% |
3.394 |
|
Hattem |
0,1% |
1.013 |
Veldhoven |
0,2% |
3.688 |
|
Heel |
0,0% |
748 |
Velsen |
0,3% |
6.176 |
|
Heemskerk |
0,2% |
3.539 |
Venhuizen |
0,0% |
767 |
|
Heemstede |
0,1% |
1.915 |
Venlo |
0,5% |
10.440 |
|
Heerde |
0,1% |
1.649 |
Venray |
0,2% |
3.980 |
|
Heerenveen |
0,2% |
4.749 |
Vianen |
0,1% |
1.731 |
|
Heerhugowaard |
0,3% |
4.882 |
Vlaardingen |
0,5% |
8.992 |
|
Heerlen |
0,6% |
12.091 |
Vlagtwedde |
0,1% |
2.027 |
|
Heeze-Leende |
0,1% |
1.287 |
Vlieland |
0,0% |
331 |
|
Heiloo |
0,1% |
1.684 |
Vlissingen |
0,3% |
5.548 |
|
Helden |
0,1% |
1.884 |
Vlist |
0,0% |
914 |
|
Hellendoorn |
0,2% |
3.345 |
Voerendaal |
0,1% |
1.051 |
|
Hellevoetsluis |
0,2% |
3.907 |
Voorhout |
0,1% |
1.133 |
|
Helmond |
0,5% |
9.429 |
Voorschoten |
0,1% |
1.714 |
|
Hendrik-Ido-Ambacht |
0,1% |
1.914 |
Voorst |
0,1% |
2.144 |
|
Hengelo Gld |
0,0% |
760 |
Vorden |
0,0% |
809 |
|
Hengelo O |
0,5% |
9.137 |
Vught |
0,1% |
2.410 |
|
Het Bildt |
0,1% |
1.365 |
Waalre |
0,1% |
1.167 |
|
Heumen |
0,1% |
1.313 |
Waalwijk |
0,2% |
4.489 |
|
Heusden |
0,2% |
3.730 |
Waddinxveen |
0,1% |
2.389 |
|
Heythuysen |
0,1% |
1.179 |
Wageningen |
0,2% |
3.712 |
|
Hillegom |
0,1% |
1.800 |
Warmond |
0,0% |
414 |
|
Hilvarenbeek |
0,1% |
1.258 |
Warnsveld |
0,0% |
895 |
|
Hilversum |
0,4% |
8.402 |
Wassenaar |
0,1% |
1.598 |
|
Hof van Twente |
0,2% |
3.801 |
Waterland |
0,1% |
1.533 |
|
Hoogeveen |
0,3% |
5.628 |
Weert |
0,3% |
5.038 |
|
Hoogezand-Sappemeer |
0,2% |
4.268 |
Weesp |
0,1% |
1.807 |
|
Hoorn |
0,4% |
7.878 |
Wehl |
0,0% |
599 |
|
Horst aan de Maas |
0,1% |
2.829 |
Werkendam |
0,1% |
2.194 |
|
Houten |
0,2% |
3.990 |
Wervershoof |
0,0% |
848 |
|
Huizen |
0,2% |
3.703 |
West Maas en Waal |
0,1% |
1.631 |
|
Hulst |
0,2% |
3.158 |
Wester-Koggenland |
0,1% |
1.303 |
|
Hummelo en Keppel |
0,0% |
431 |
Westerveld |
0,1% |
2.114 |
|
Hunsel |
0,0% |
575 |
Westervoort |
0,1% |
1.404 |
|
IJsselstein |
0,2% |
3.079 |
Westland |
0,5% |
8.926 |
|
Jacobswoude |
0,0% |
874 |
Weststellingwerf |
0,2% |
3.021 |
|
Kampen |
0,3% |
5.607 |
Westvoorne |
0,1% |
1.293 |
|
Kapelle |
0,1% |
1.074 |
Wierden |
0,1% |
1.962 |
|
Katwijk |
0,2% |
3.581 |
Wieringen |
0,0% |
879 |
|
Kerkrade |
0,3% |
5.585 |
Wieringermeer |
0,1% |
1.441 |
|
Kessel |
0,0% |
396 |
Wijchen |
0,2% |
3.558 |
|
Kollumerland en
Nwkruisl |
0,1% |
1.491 |
Wijdemeren |
0,1% |
1.857 |
|
Korendijk |
0,1% |
954 |
Wijk bij Duurstede |
0,1% |
1.961 |
|
Krimpen aan den
IJssel |
0,1% |
2.593 |
Winschoten |
0,1% |
2.470 |
|
Laarbeek |
0,1% |
1.726 |
Winsum |
0,1% |
1.562 |
|
Landerd |
0,1% |
1.257 |
Winterswijk |
0,2% |
3.038 |
|
Landgraaf |
0,2% |
3.986 |
Wisch |
0,1% |
1.892 |
|
Landsmeer |
0,0% |
847 |
Woensdrecht |
0,1% |
1.925 |
|
Langedijk |
0,1% |
1.947 |
Woerden |
0,2% |
4.325 |
|
Laren |
0,0% |
734 |
Wognum |
0,0% |
712 |
|
Leek |
0,1% |
2.035 |
Wormerland |
0,1% |
1.293 |
|
Leerdam |
0,1% |
2.207 |
Woudenberg |
0,0% |
883 |
|
Leersum |
0,0% |
623 |
Woudrichem |
0,1% |
1.261 |
|
Leeuwarden |
0,7% |
13.058 |
Wunseradiel |
0,1% |
1.451 |
|
Leeuwarderadeel |
0,1% |
1.102 |
Wymbritseradiel |
0,1% |
1.661 |
|
Leiden |
0,8% |
16.076 |
Zaanstad |
0,8% |
15.520 |
|
Leiderdorp |
0,1% |
2.317 |
Zaltbommel |
0,1% |
2.442 |
|
Leidschendam-Voorburg |
0,4% |
7.429 |
Zandvoort |
0,1% |
1.474 |
|
Lelystad |
0,5% |
10.094 |
Zederik |
0,1% |
1.258 |
|
Lemsterland |
0,1% |
1.453 |
Zeevang |
0,0% |
623 |
|
Leusden |
0,1% |
2.145 |
Zeewolde |
0,1% |
1.883 |
|
Lichtenvoorde |
0,1% |
1.822 |
Zeist |
0,3% |
5.878 |
|
Liemeer |
0,0% |
612 |
Zelhem |
0,1% |
1.065 |
|
Liesveld |
0,0% |
894 |
Zevenaar |
0,1% |
2.553 |
|
Lingewaal |
0,1% |
968 |
Zevenhuizen-Moerkapelle |
0,0% |
850 |
|
Lingewaard |
0,2% |
3.808 |
Zijpe |
0,1% |
1.196 |
|
Lisse |
0,1% |
1.848 |
Zoetermeer |
0,6% |
11.787 |
|
Lith |
0,0% |
612 |
Zoeterwoude |
0,0% |
744 |
|
Littenseradiel |
0,1% |
1.283 |
Zuidhorn |
0,1% |
1.751 |
|
Lochem |
0,1% |
1.950 |
Zundert |
0,1% |
1.883 |
|
Loenen |
0,0% |
638 |
Zutphen |
0,2% |
4.670 |
|
Loon op Zand |
0,1% |
1.952 |
Zwartewaterland |
0,1% |
2.160 |
|
Lopik |
0,1% |
1.348 |
Zwijndrecht |
0,2% |
4.534 |
|
Loppersum |
0,1% |
1.322 |
Zwolle |
0,7% |
12.915 |
|
Losser |
0,1% |
2.024 |
Totaal |
100% |
1.900.000 |
2.2: Verdeling
referentiewaarden provincies
|
|
aandeel in het
totaal |
aandeel in tekort
(*€1000) |
|
Groningen |
7% |
21.728 |
|
Friesland |
8% |
25.706 |
|
Drenthe |
6% |
18.153 |
|
Overijssel |
9% |
30.600 |
|
Gelderland |
13% |
43.100 |
|
Utrecht |
5% |
16.210 |
|
Noord-Holland |
11% |
34.832 |
|
Zuid-Holland |
14% |
46.118 |
|
Zeeland |
6% |
19.630 |
|
Noord-Brabant |
10% |
31.295 |
|
Limburg |
7% |
22.510 |
|
Flevoland |
5% |
15.118 |
|
|
|
|
|
Totaal |
100% |
325.000 |
*inclusief
integratie-uitkering
2.3
Verdeling referentiewaarden
waterschappen
De doorvertaling
van het aandeel van de totale referentiewaarde naar de
individuele waterschappen geschiedt op voorstel van de Unie op
basis van het aandeel in de netto-kosten
zoals die in 2004 is geraamd.
|
|
Aandeel in totaal |
Referentie- waarde (*€
1000) |
|
HHS Hollands Noorderkwartier
(HNK) |
8,1% |
20.167 |
|
HHS van Delfland
(DLF) |
6,6% |
16.597 |
|
Ws Rivierenland (WSRL)
2005 |
6,1% |
15.339 |
|
HHS van Rijnland (HHR)
2005 |
6,1% |
15.183 |
|
Ws. Hollandse Delta (WHD)
2005 |
5,9% |
14.832 |
|
HHS Amstel, Gooi en Vecht
(AGV) |
5,8% |
14.433 |
|
Wetterskip Fryslân
(FRL) |
4,9% |
12.240 |
|
Ws Brabantse Delta
(BRD) |
4,5% |
11.323 |
|
Ws De Dommel (DOM) |
4,3% |
10.670 |
|
HHS De Stichtse Rijnlanden
(HDSR) |
3,9% |
9.800 |
|
Ws Aa en Maas
(A&M) |
4,1% |
10.293 |
|
Ws Roer en Overmaas
(R&O) |
3,7% |
9.132 |
|
Ws Hunze en Aa's
(WHA) |
3,4% |
8.604 |
|
Ws Rijn en IJssel
(WRIJ) |
3,5% |
8.657 |
|
Ws Regge en Dinkel
(R&D) |
3,4% |
8.555 |
|
HHS Schieland+Krimpenerwaard
(HHSK) 2005 |
3,3% |
8.136 |
|
Ws Vallei & Eem
(V&E) |
2,9% |
7.171 |
|
Ws Groot Salland
(SAL) |
2,6% |
6.420 |
|
Ws Zuiderzeeland
(ZZL) |
2,6% |
6.507 |
|
Ws Zeeuwse Eilanden
(WZE) |
2,5% |
6.318 |
|
Ws Veluwe (VEL) |
2,5% |
6.329 |
|
Ws Noorderzijlvest
(NZV) |
2,4% |
5.934 |
|
Ws Peel en Maasvallei
(WPM) |
2,1% |
5.265 |
|
Ws Reest en Wieden
(R&W) |
1,9% |
4.717 |
|
Ws Velt & Vecht
(V&V) |
1,7% |
4.176 |
|
Ws Zeeuws-Vlaanderen
(WZV) |
1,3% |
3.201 |
|
Totaal |
100% |
250.000 |
Bijlage 3a:
Enquête gemeenten en provincies
Voor wat betreft gemeenten en provincies is het
uitgangspunt aan te sluiten bij de sinds 1 januari 2004 van
toepassing zijnde Besluit begroting en verantwoording
(BBV). Voor in onderstaande berekening gehanteerde
terminologie wordt verwezen naar het BBV. Daar het niet geheel
uit te sluiten is dat gemeenten in de praktijk nog niet
volledig omgeschakeld zijn naar de nieuwe regelgeving en
interpretatie daarvan, wordt specifiek aandacht besteed aan
het onderscheid voor en na bestemming en aan aan/onttrekking
aan de reserves (zie BBV, artikel 17); voorts wordt gewezen op
de nieuwe definities voor reserves en voorzieningen. Ten einde
goede informatie te hebben over de ontwikkeling van het
EMU-saldo van de gemeente is om die reden een vraag opgenomen
die strikt genomen op grond van de BBV niet gesteld behoeft te
worden. Dit betreft vraag 10.
De enquête zal ook in excel ter beschikking worden
gesteld (www.minfin.nl, ter zake dossier gemeenten en
provincie, onder beheersen EMU-saldo lokale overheid) welke u
voor 15 december 2004 kan retourneren naar hiervoor genoemde
emailadres. U wordt tevens verzocht per post een door het
bestuur van de lokale overheid ondertekende versie te sturen
naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken, ter attentie van
de heer B. Doeves, Postbus 20011, 2500 EA in Den Haag).
Wanneer u nog vragen heeft over de berekening van het
EMU-saldo dan kunt u deze per e-mail stellen aan: mailto:bram.doeves@minbzk.nl.
De antwoorden op de vragen kunnen voor alle lokale overheden
beschikbaar komen indien dit nuttig wordt geacht. Ingeval u
een brede verspreiding van uw vraag en bijbehorend antwoord
niet op prijs stelt, wordt u verzocht dit expliciet bij het
stellen van de vraag aan te geven. Er zal in overeenstemming
met uw verzoek worden gehandeld.
Vragenlijst berekening
EMU-saldo voor gemeenten en provincies
A)
Berekening van het EMU-saldo gemeenten 2004-2006
Uitgangspunt is de
gemeentelijke exploitatierekening voor toevoegingen aan c.q.
onttrekkingen uit de reserves.
1)
Wat is uw exploitatiesaldo
2004-2006 voor toevoeging aan c.q. onttrekking uit
reserves exclusief de gemeentelijke “bedrijven”?
Het EMU-saldo heeft
alleen betrekking op de overheidssector. De cijfers die bij
alle vragen ingevuld moeten worden, dienen dan ook alleen de
cijfers te zijn van die delen van de gemeente die tot de
sector overheid worden gerekend. Dit betekent dat niet
uitgegaan kan worden van de cijfers waarin de gemeentelijke
bedrijven geconsolideerd zijn; ingeval deze geconsolideerde
cijfers als uitgangspunt voor de beantwoording van de vragen
worden genomen, moeten de gemeentelijke bedrijven
"gedeconsilideerd" worden. Gemeentelijke bedrijven zijn
bedrijven die marktgerichte activiteiten uitvoeren.
Voorbeelden zijn het openbaar nutsbedrijf, het woningbedrijf,
het marktwezen, het parkeerbedrijf, de kredietbank en het
havenbedrijf. Daarentegen worden het grondbedrijf, de
reinigingsdienst, de sociale werkvoorzieningen en de musea wel
tot de sector overheid gerekend, zijn dus volgens de toe te
passen definities geen bedrijf en dienen bij de beantwoording
van bovenstaande vragen meegenomen te worden.
Het bovenstaand exploitatiesaldo is een saldo in
“baten-lasten” termen. Voor aansluiting op EMU-saldo definitie
dient voor baten en lasten die geen EMU-effect hebben, maar
wel deel uitmaken van het exploitatiesaldo. In verband hiermee
moeten de volgende vragen beantwoord worden. De saldi
van de gemeentelijke “bedrijven” moeten zoals gezegd buiten
beschouwing gelaten worden. Bij het opstellen van de vragen is
ervan uitgegaan dat conform BBV toevoegingen en onttrekkingen
aan de reserves geen deel uitmaken van het
exploitatiesaldo.
2)
Wat zijn uw afschrijvingen ten
laste van de exploitatie 2004-2006?
3)
Wat zijn uw bruto dotaties aan de
post voorzieningen ten laste van de exploitatie 2004-2006?
Daarnaast zijn er uitgaven en ontvangsten die wel een
EMU effect hebben maar niet via de exploitatie lopen. In
verband hiermee moeten de volgende vragen beantwoord worden
(ook exclusief de gemeentelijke “bedrijven”):
4)
Wat zijn in 2004-2006 uw
investeringen in (im)materiële vaste activa die op de balans worden geactiveerd?
Ter toelichting:
§
het betreft hier de
jaarschijven, niet het totale investeringsbedrag voor op te
starten investeringsprojecten (ook wel bekend als
krediettotalen).
§
Dit betreffen
derhalve niet de investeringen in financiële vaste activa en
onderhanden werk grond. M.b.t. deze posten zijn vragen 7 t/m 8
en vraag 11 relevant.
5)
Wat zijn de voor 2004-2006
toegekende bijdragen van het Rijk, de Provincies, de Europese
Unie en overigen aan de gemeenten inzake de investeringen die
niet via de onder vraag 1 genoemde exploitatie
lopen?
6)
Desinvesteringen in vaste
activa:
a)
Wat zijn uw desinvesteringen in
vaste activa in 2004-2006 (tegen verkoopprijs)?
b)
en wat is daarin de te verwachten
boekwinst?
7)
Hoeveel bedragen de grondaankopen
en de uitgaven aan bouw-, woonrijp maken e.d.in
2004-2006?[10]
Ter toelichting: het
betreft hier de jaarschijven, niet het totale
investeringsbedrag voor op te starten projecten (ook wel
bekend als krediettotalen).
8)
Grondverkopen:
a)
Hoeveel bedragen de verkopen van
grond in 2004-2006 (tegen verkoopprijs)?
b)
en wat is daarin de te verwachten
boekwinst?
9)
Wat zijn uw betalingen in
2004-2006 ten laste van de voorzieningen?
Conform BBV wordt
gedoteerd aan voorzieningen ten laste van de exploitatie en
betaald ten laste van de voorzieningen. Deze betalingen maken
dus geen deel uit van het exploitatiesaldo zoals bedoeld in
vraag 1.
10)
Zijn er voorts betalingen in
2004-2006 die niet via de onder vraag 1 genoemde exploitatie
lopen, maar rechtstreeks ten laste van de reserves (inclusief
fondsen en dergelijke) worden gebracht en die nog niet vallen
onder één van de bovenstaand vragen?
Strikt genomen is deze vraag bij
toepassing BBV niet nodig. Deze vraag wordt toch
zekerheidshalve gesteld omdat het BBV nog van recente datum
is. Gezien de respons op deze vraag bij de in het voorjaar van
2004 aan de 50.000+ gemeenten blijft deze vraag
gehandhaafd.
11)
Bij de berekening van het
EMU-saldo wordt gecorrigeerd voor verkoop van deelnemingen en
aandelen.
a)
Gaat u deelnemingen en aandelen
verkopen 2004-2006?
b)
Zo ja wat is bij verkoop de te
verwachten boekwinst?
EMU-saldo = 1
+ 2 + 3 – 4 + 5 + 6a – 6b – 7 + 8a – 8b – 9 – 10 –
11b
Bijlage 3b:
Berekening ter benadering van het EMU-saldo van een
waterschap
De Unie van
Waterschappen heeft in overleg met het Ministerie van
Financiën en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een
berekening ontwikkeld die aansluit op de principes van het
baten–lastenstelsel en waarmee een goede benadering van het
EMU–saldo kan plaatsvinden. De componenten van de berekening
sluiten aan op exploitatie– en balansposten alsmede
–mutatiesoorten die zijn opgenomen in het 'Convenant
gegevensverstrekking op kwartaalbasis door waterschappen aan
Centraal Bureau voor de Statistiek' zoals dat op 27 maart 2003
door de Unie aan de waterschappen is gestuurd. In het
convenant zijn de eisen aan de begroting en verantwoording van
waterschappen uiteengezet die voortvloeien uit de verplichting
om op kwartaalbasis gegevens ten behoeve de EMU beschikbaar te
stellen.
De berekening
wordt ook gebruikt om van de waterschappen de informatie te
verkrijgen die nodig is om uitvoering te geven aan de in
bestuurlijk overleg tussen kabinet en de decentrale overheden
gemaakt afspraken over de monitoring van het EMU–saldo. Omdat
deze informatie voor een deel reeds is opgenomen in de
Begrotingsvergelijking van de Vereniging van Directeuren van
Waterschappen,
zal de gegevensverzameling van dit instrument worden gebruikt
om de gegevens centraal beschikbaar te krijgen. Hierdoor kan
de inspanning van de waterschappen tot een minimum beperkt
blijven.
In bijgevoegde
tabel wordt aangegeven hoe op basis van reeds aanwezige
gegevens en berekeningen in de Begrotingsvergelijking de
benadering van het EMU–saldo plaatsvindt (alleen in de
grijsgekleurde cellen behoeven gegevens te worden vermeld).
Wanneer u vragen heeft over de berekening van het EMU–saldo
en/of de enquête dan kunt u deze per email stellen aan het
volgende adres: wdekking@uvw.nl.
|
|
Berekening
voor 2004, 2005 en 2006 obv begrotingen |
Regel |
Totaal |
Waterkering |
Waterkwantiteit |
Waterkwaliteit |
wegen |
vaarwegen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Netto–kosten |
3 |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Kwijtschelding |
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Oninbaarverklaring |
5 |
|
|
|
|
|
|
|
= |
Te
dekken bedrag |
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
Onttrekkingen
reserves |
7 |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Toevoegingen aan
reserves |
|
|
|
|
|
|
|
|
= |
Te
dekken door belastingopbrengst |
9 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
Bruto–belastingopbrengst |
11 |
|
|
|
|
|
|
|
– |
Onttrekkingen
reserves |
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Toevoegingen aan
reserves |
13 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
= |
'Exploitatiesaldo in
EMU–termen' |
15 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Totale
afschrijvingen |
17 |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Toevoegingen aan
voorzieningen |
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
Onttrekkingen aan
voorzieningen |
19 |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Rechtstreekse toevoegingen aan
reserves |
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
Rechtstreekse onttrekkingen aan
reserves |
21 |
|
|
|
|
|
|
|
– |
Bruto–uitgaven materiële en
immateriële vaste activa |
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Verminderingen balansposten
materiële en
immateriële vaste activa agv
verkoop |
23 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
Verminderingen balansposten
materiële en
immateriële vaste activa agv
investeringssubsidies |
25 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
Betalingen rechtstreeks ten laste
van voorzieningen |
27 |
|
|
|
|
|
|
|
– |
Betalingen rechtstreeks ten laste
van reserves |
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
Boekwinst verkoop deelnemingen en
aandelen |
29 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
= |
EMU–saldo |
31 |
|
|
|
|
|
|
Toelichting componenten
benadering EMU–saldo voor waterschappen
Startpunt (regel
3) zijn de netto–kosten van de waterschappen voor de diverse
waterschapstaken (kostendragers) voordat rekening wordt
gehouden met de invloed van kwijtschelding, oninbaarverklaring
en (algemene en bestemmings)reserves die worden gebruikt in
het kader van de tariefsontwikkeling.
Het begin van de
tabel geeft aan hoe het 'EMU–exploitatiesaldo' uit reeds in de
Begrotingsvergelijking opgenomen gegevens en berekeningen
(regels t/m nummer 15) wordt bepaald. In de vervolgberekening
(vanaf regel 17) wordt gecorrigeerd voor balansmutaties en
posten van de exploitatiebegroting die niet EMU–relevant
zijn.
Regel 15: 'EMU–exploitatiesaldo'
Komt in feite
neer op het saldo van de toevoegingen aan en onttrekkingen uit
(algemene en bestemmings)reserves die worden gebruikt in het
kader van de tariefsontwikkeling.
Dit is een saldo
in 'baten–lasten' termen. Voor aansluiting op EMU–saldo
definitie dient te worden gecorrigeerd voor baten en lasten
die geen EMU–effect hebben, maar wel deel uitmaken van het
saldo. In verband hiermee worden de volgende gegevens
ingevuld.
Regel 17: Totale afschrijvingen
Wat zijn uw
afschrijvingen ten laste van de exploitatie?
Het gaat om de
totale afschrijvingen dus zowel van vaste activa als van
eventuele boekverliezen. Het gaat met andere woorden om het
totaal van de volgende kostensoorten:
1.3
Afschrijvingen van activa
1.4
Afschrijvingen van boekverliezen
Regel 18: Toevoegingen aan voorzieningen
Wat zijn uw
dotaties aan de post voorzieningen ten laste van de
exploitatie?
Dit komt overeen
met kostensoort 5.1 Toevoegingen aan voorzieningen.
Regel 19: Onttrekkingen aan voorzieningen
Wat zijn uw
onttrekkingen uit de post voorzieningen ten bate van de
exploitatie?
De post komt
overeen met opbrengstsoort 6.1 Onttrekkingen aan
voorzieningen.
Het gaat hier
niet om de bedragen die rechtstreeks, dat wil zeggen
niet via de exploitatierekening, uit voorzieningen zijn
betaald. Deze bedragen dienen ingevuld te worden op regel
27.
Regel 20: Rechtstreekse toevoegingen aan reserves
Wat zijn uw
rechtstreekse dotaties aan de reserves anders dan die in de
sfeer van de tariefsontwikkeling?
Het gaat hier om
alle eventuele rechtstreekse, externe toevoegingen aan
reserves anders dan de eerder in de berekening (regels 8 en
13) opgenomen bedragen, en eventuele toevoegingen die ten
laste van de exploitatie worden gebracht.
Regel 21: Rechtstreekse onttrekkingen aan reserves
Wat zijn uw
rechtstreekse onttrekkingen aan de reserves anders dan die in
de sfeer van de tariefsontwikkeling?
Het gaat hier om
alle eventuele bedragen die rechtstreeks aan de reserves
worden onttrokken anders dan de eerder in de berekening
(regels 7 en 12) opgenomen dan wel de onder regel 28 op te
nemen bedragen alsmede onttrekkingen die ten bate van de
exploitatie worden gebracht.
Daarnaast zijn er
uitgaven en ontvangsten die wel een EMU–effect hebben maar
niet via de exploitatie lopen. In verband hiermee zijn de
volgende gegevens relevant
Regel 22: Bruto–uitgaven materiële en immateriële vaste
activa
Wat zijn uw
bruto–jaarinvesteringen in materiële en immateriële vaste
activa die op de balans zullen worden geactiveerd?
Het betreft hier
de jaarschijf van datgene wat op de balansposten 'materiële
vaste activa' (inclusief grond) en 'immateriële vaste activa'
als gevolg van overname en 'nieuwbouw' als vermeerdering wordt
verantwoord. De informatie zal over het algemeen aan de
betreffende staten van vaste activa kunnen worden
ontleend.
Het gaat derhalve niet om:
–
de investeringen in financiële vaste activa;
–
interne vermeerdering als gevolg van activeren van eigen
bijdragen en herwaarderen.
Regel 23: Verminderingen materiële en immateriële vaste
activa als gevolg van verkoop
Wat zijn uw
desinvesteringen in vaste activa als gevolg van
verkoop?
Het betreft hier de jaarschijf van
datgene wat op de balansposten 'materiële vaste activa'
(inclusief grond) en 'immateriële vaste activa' als gevolg van
verkoop als vermindering wordt verantwoord. De informatie zal
over het algemeen aan de betreffende staten van vaste activa
kunnen worden ontleend.
Het gaat derhalve niet om:
–
de desinvesteringen in financiële vaste activa;
–
de verkoopopbrengst, maar wel de vermindering van de
balanspost (er wordt vanuit gegaan dat de eventueel verwachte
boekwinst is opgenomen in de exploitatiebegroting);
–
interne vermindering als gevolg van activeren van afschrijven,
bijdragen van reserves en herwaarderen.
Regel 25: Verminderingen materiële en
immateriële vaste activa als gevolg van ontvangen
subsidies
Wat zijn uw
investeringssubsidies die leiden tot een vermindering van de
balansposten materiële en immateriële vaste activa?
Het gaat om de
bijdragen die in het betreffende jaar door het Rijk, de
provincies, gemeenten, de Europese Unie en overigen inzake de
investeringen zullen worden toegekend.
Regel 27: Betalingen rechtstreeks ten laste van
voorzieningen
Wat zijn uw
betalingen die direct ten laste van de voorzieningen worden
gebracht?
Conform de
comptabiliteitsvoorschriften wordt in principe gedoteerd aan
voorzieningen ten laste van de exploitatie en rechtstreeks
betaald uit de voorzieningen. Deze betalingen maken dus geen
deel uit van de netto–exploitatiekosten en het
'Exploitatiesaldo in EMU–termen' zoals deze eerder in het
overzicht zijn genoemd.
Regel 28: Betalingen rechtstreeks ten laste van
reserves
Zijn er voorts
eventueel betalingen die rechtstreeks uit reserves
plaatsvinden en die nog niet vallen onder één van de
bovenstaande vragen?
In principe mogen
er volgens de comptabiliteitsvoorschriften geen transacties
met derden rechtstreeks uit de
reserves worden gefinancierd. Omdat niet met zekerheid vast
staat dat in de praktijk niet gebeurt, wordt deze sluitvraag
zekerheidshalve gesteld om goede informatie over de
ontwikkeling van het EMU–saldo te krijgen.
Regel 29: Boekwinst
verkoop deelnemingen en aandelen
Wat is, in
geval van verkoop van deelnemingen en/of aandelen, de
verwachte boekwinst?
Het saldo van
regel 15 tot en met 28 moet ten slotte worden gecorrigeerd
voor de boekwinsten uit de verkoop van deelnemingen en
aandelen.
Bijlage 4:
Publiek private samenwerking en het grondbedrijf
1.
Inleiding
De belangrijkste
oorzaak voor het EMU-tekort van de lokale overheden is de
toename van de lokale investeringen. Deze investeringen hebben
voor circa 60% betrekking op het grondbedrijf. Voor niet-grond
gerelateerde investeringen resteert circa 40%. Door de
investeringen anders vorm te geven sluiten de belasting van
deze investeringen op het EMU-saldo beter aan bij de belasting
van het begrotingssaldo in baten-lastentermen. Hierdoor worden
de uitslagen in de belasting van het EMU-saldo minder groot.
Tevens kunnen via innovatieve vormen van aanbestedingen
doelmatigheidswinsten worden gerealiseerd. Hieronder worden de
verschillende mogelijkheden langsgelopen waarbij een splitsing
is aangebracht tussen niet grondgerelateerde investeringen en
grondgerelateerde investeringen.
Publiek private samenwerking wordt in deze circulaire
genoemd als één van de maatregelen die kunnen helpen binnen de
norm te blijven. In deze bijlage zal een overzicht worden
gegeven van de relevante vormen van publieke samenwerking, zal
worden ingegaan op welk effect ze hebben op het EMU tekort en
op welke terreinen ze leiden tot betere en goedkopere
oplossingen. Hierbij zullen de twee hoofdvormen van publiek
private samenwerking, namelijk de pps-concessie en de
samenwerking in een apart organisatorisch samenwerkingsverband
apart worden behandeld.
Bij een
pps-concessie worden een aantal onderdelen van het
productieproces (of waardeketen) geïntegreerd (verticaal) en
in één contract aanbesteed. Dit betekent dat ontwerp, bouw,
onderhoud, financiering en eventueel exploitatie en
faciliteitsmanagement worden geïntegreerd in één contract
(bijv. DBFM- of DBFO-contract: design, build,
finance and maintenance of operations).
Bij een
samenwerking in een apart organisatorisch samenwerkingsverband
worden verschillende projecten met elkaar geïntegreerd.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de combinatie van
de ontwikkeling van groenprojecten met vastgoed, maar ook aan
gebiedsontwikkeling gecombineerd met infrastructuur. Voordelen
van deze benadering zijn:
·
integrale planontwikkeling;
·
planoptimalisatie;
·
financiële verevening tussen de rendabele en
onrendabele onderdelen van het totale project.
Deze samenwerking
tussen publieke en private partijen komt vooral tot uiting in
een gezamenlijke planvorming en eventueel ook in een
gezamenlijke (grond-, maar soms ook opstal-) exploitatie.
2. PPS via een
concessie
Werking
Zoals gezegd gaat
het bij een pps-concessie om een contract waarbij ontwerp,
bouw, financiering, onderhoud en faciliteitsmanagement
geïntegreerd worden aanbesteed. Het gaat hierbij niet om
contract die bestaat uit verschillende onderdelen (ontwerp,
bouw, enz) en waar later een nietje door heen is geslagen. Bij
een pps concessie staat het resultaat van al deze onderdelen
centraal en moet de private partij alles doen het gewenste
resultaat te behalen. In een dergelijk contract wordt
bijvoorbeeld gesproken over hoeveel auto’s per uur over een
weg moeten kunnen rijden. Om deze vervoerscapaciteit te
leveren zal de private partijen de weg wel moeten ontwerpen,
bouwen en onderhouden, anders kan hij de gevraagde dienst niet
leveren..
Bij een
pps-concessie bepaalt de overheid vanuit haar publieke
verantwoordelijkheid welke dienst (of product) aangeboden
wordt en binnen welke randvoorwaarden de dienst tot stand moet
komen. De private sector is verantwoordelijk om binnen de
gestelde randvoorwaarden te bepalen hoe deze dienst
geleverd gaat worden. Doordat de overheid niet voorschrijft
hoe de private partijen de dienst moeten leveren krijgen zij
de ruimte om met slimmere en betere oplossingen te komen
waardoor de dienst voor minder geld geleverd kan worden en/of
van een betere kwaliteit is.

Zo heeft de
overheid bij HSL Zuid Infraprovider niet gevraagd om rails van
een bepaalde staalsoort, een bepaald veiligheid systeem of
soort bovenleiding, maar heeft de overheid gevraagd om een
capaciteit tussen Amsterdam en de Belgische grens van 16
HSL-treinen per uur (binnen duidelijk randvoorwaarden op het
gebied van veiligheid en milieu). De winnende bieder heeft van
de geboden ruimte gebruik gemaakt en een oplossing gekozen die
circa 5% goedkoper is dan de varianten waarbij de overheid de
oplossing voorschrijft en die gedurende 25 jaar voor 99% van
de tijd beschikbaar is.
Omdat alleen
ruimte geven voor andere oplossingen niet voldoende is om de
private partijen aan te zetten tot het gewenste gedrag zijn er
nog twee belangrijke ingrediënten om pps te laten werken:
·
De betaling wordt gekoppeld aan de dagelijks te
leveren prestatie. De overheid betaalt niet meer voor een stuk
asfalt bij de oplevering van de weg, maar betaalt gedurende
meerdere jaren voor de mogelijk om zoveel auto’s van a naar b
te laten rijden. Door de koppeling van prestatie en betaling
worden de private partijen gedwongen om elke dag van de
contractduur hun best te doen.
·
De aanbesteding van de pps-concessie moet in
concurrentie plaats vinden. Dit is de enige manier om de
private partijen te dwingen om optimaal gebruik te maken van
de aangeboden ruimte. Doen ze dit niet, dan wint een ander het
contract.
In de
brochure “DBFM, sturing door prikkels” wordt
uitgebreider ingegaan op hoe de private partij wordt aangezet
om de gevraagde dienst zo efficiënt en effectief mogelijk te
leveren (zie www.minfin.nl/pps).
EMU
norm
Door de betaling
te koppelen aan de dagelijkse prestatie krijgt de overheid te
maken met een ander betalingsritme. Normaal gesproken betaald
de overheid eerst een groot bedrag bij de oplevering van de
bouw en daarna kleinere bedragen voor onderhoud en
vervangingsinvesteringen.
.gif)
In een pps volgen
de uitgaven van de overheid de dienst die met het project
gerealiseerd moet worden. De dienst die met een weg wordt
aangeboden is dagelijkse beschikbaarheid aan de automobilist.
De private partij in een pps wordt afgerekend in hoeverre hij
in staat is de gewenste dienst te leveren. Omdat de dienst
gedurende de gehele contractduur geleverd moet worden en de
dienst hetzelfde blijft wordt de betaling gelijkelijk gespreid
over de gehele contractduur. Zie onderstaande figuur.
.gif)
Of de toepassing
van een pps concessie en de spreiding van de betalingen helpt
om binnen de EMU norm te blijven hangt af van de vraag of
hoeveel risico’s aan de private partij zijn overgedragen.
Eurostat heeft in het handboek ESA 95 (zie bijlage …)
beschreven hoe bepaald moet worden of er voldoende risico’s
aan de private sector zijn overgedragen. Het gaat om de
volgende twee groepen risico’s:
·
bouwrisico ; en
·
het vraagrisico of beschikbaarheidrisico.
Mocht op basis
van de Eurostat-regels geconstateerd worden dat er te weinig
risico’s aan de private sector zijn overgedragen dan zal de
investering in het activum als investering van de overheid
worden aangemerkt. Het contract voor de HSL Zuid bovenbouw
(rails, bovenleiding, enz) is een voorbeeld van DBFM contract
waarvan de jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding bij de
berekingen van EMU saldo worden meegenomen. De winnende bieder
Infraspeed is verantwoordelijk voor het ontwerp, bouw en
onderhoud en draagt bijna alle bijbehorende risico’s en wordt
afgerekend op basis van de dagelijkse beschikbaarheid van het
spoor en draagt dus het beschikbaarheids gebouw.
Toepassingsgebied
Zoals met ieder
instrument is ook de pps concessie niet universeel toepasbaar.
Om de pps concessie goed te kunnen laten werken is het
noodzakelijk dat de resultaten van de overheidsdiensten (of
delen van het productieproces) helder, éénduidig en meetbaar
zijn te formuleren en de randvoorwaarden waarbinnen de private
partijen moeten opereren duidelijk zijn.
Als de prestatie
niet helder geformuleerd kan worden kun je de private partijen
nergens op afrekenen. Zo zal het onderwijs zich niet lenen
voor een pps contract. Want waar ga je de private partijen op
afrekenen? Eindexamenresultaten alleen zijn niet voldoende,
want de overheid vindt daarnaast de ontwikkeling van
leerlingen zeer belangrijk. Hoe ga je dat meten? Bovendien
verandert de overheid met enige regelmaat haar ideeën over het
onderwijs. Wat zich wel goed leent voor een pps-concessie is
het schoolgebouw (en alle faciliteitsdiensten). De
kwaliteitseisen waar een gebouw aan moet voldoen zijn goed te
formuleren. Zo is voor te schrijven dat de temperatuur in een
lokaal gemiddeld 18 graden (over 1 dag) moet zijn of een
kapotte wc binnen een dag gerepareerd moet zijn.
Als de
randvoorwaarden niet duidelijk zijn weet een private partij
niet welke ruimte hij heeft om gevraagde prestatie te leveren.
Als een private partij bijvoorbeeld verantwoordelijk is voor
het realiseren van een weg tussen A en B inclusief de keuze
van het tracé is het voor de overheid heel moeilijk om te
omschrijven binnen welke randvoorwaarden de keuze van het
tracé gemaakt moet worden. Zo is de keuze afhankelijk van de
uitkomsten van inspraakprocedures, druk van maatschappelijke
organisaties, kosten van inpassingsmaatregelen, enz. Na dat
het tracé is vastgesteld is juist weer heel goed om gebruik te
maken een pps-concessie. In de vorm van de tracéwet zijn de
randvoorwaarden heel duidelijk.
Sectoren waar pps
tot betere oplossingen leidt zijn: infrastructuur (wegen en
spoor), overheidsgebouwen (departementen, gemeentehuizen,
enz), schoolgebouwen, huisvesting van ziekenhuizen, nutssector
(waterzuivering en afval), opleidings- en trainingscentra.
Vanwege de transactiekosten zal het project wel een minimale
grootte moeten hebben van € 10 mln aan bouwkosten. Wel is het
mogelijk om een aantal vergelijkbare projecten (aantak
schoolgebouwen) te bundelen waardoor deze grens wordt
overschreden.
3. PPS bij
gebiedsontwikkeling
Onder PPS
(publiek-private samenwerking) bij gebiedsontwikkeling in de
meer traditionele (grondgebonden) vorm verstaan we een op
realisatie van ruimtelijke investeringsplannen gerichte
samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, met behoud van
eigen identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een
project realiseren op basis van een heldere taak- en risico
verdeling. Het resultaat van de samenwerking is meerwaarde:
een kwalitatief beter eindproduct voor hetzelfde geld, of
dezelfde kwaliteit voor minder geld.
Als de overheid
haar publieke doelen zelfstandig nastreeft is er sprake van
een eenduidige rolverdeling. De grondexploitatie is van de
gemeente en de eventuele opstalontwikkeling is een zaak van
marktpartijen. Deze rolverdeling past echter niet meer altijd
in een tijd waarin complexe integrale
gemeentegrensoverschrijdende projecten vragen om de inzet van
veel middelen en mensen. PPS-constructies, waarbij de
klassieke rolverdeling wordt doorbroken en waarbij de private
partij(en) ook grondexploitatierisico lopen en meer invloed
hebben op de planvorming vormen een goed alternatief.
Dat dragen van
risico en het delen van zeggenschap is ook in het kader van
classificatie als overheidsorganisatie of als marktpartij
tegen de achtergrond van het “nationale begrotingstekort” de
meest essentiele factor.
Voordat in de volgende hoofdstukken de diverse
samenwerkingsconstructies bij PPS en hun invloed op het
EMU-saldo uitgebreid aan de orde komen, wordt een beknopte
beschrijving gegeven van twee traditionele modellen van
grondexploitatie( die dus niet vallen onder de noemer PPS) en
welke mogelijkheden er zijn om de investeringen die de
overheid binnen dit kader doet niet direct ten laste te laten
komen van het EMU-saldo.
Traditionele
modellen:
A:
Het model van de gemeentelijke gronduitgifte
In de
traditionele situatie van de gemeentelijke gronduitgifte is de
samenwerking met marktpartijen vrij eenvoudig. De gemeente
verkoopt aan de private partij bouwrijpe kavels en maakt
verder afspraken over de inhoud van het bouwprogramma. Met de
grondexploitatie heeft de kopende partij in principe niets te
maken. De gronduitgifte van gemeenten is naast een
civielrechtelijke transactie tevens een beleidsinstrument.
Gemeenten kunnen door middel hiervan grip houden op de manier
waarop het gemeentelijk planologisch beleid wordt
uitgevoerd. De gemeente investeert, draagt het risico en loopt
daar mee de kans indien de inkomsten niet in het zelfde jaar
vallen een negatief EMU-saldo te creëren.
Als de gemeente
kiest voor dit model dan is het voor het EMU-saldo van groot
belang dat er geen groot tijdsgat zit tussen de kosten en de
opbrengsten van de grondexploitatie.
Hoewel de meeste
van de onderstaande suggesties dagelijkse praktijk zijn voor
veel gemeenten herhalen we de mogelijkheden toch nog maar een
keer:
-
gronden niet te vroeg aankopen (maar ook niet te laat:
bedrijfseconomisch handelen blijft uiteraard voorop staan)
-
investeringen uitstellen tot er duidelijkheid is over
de data van feitelijke en juridische levering met daaraan
gekoppeld de betaling van de overeengekomen prijs,
-
het zoveel mogelijk uitsluiten van eventuele
opschortende voorwaarden in verband met nog niet bekende
uitslagen van bodemonderzoeken, archeologie en besluitvorming
rond vergunningverlening
-
de staat van levering van de gronden (wel of niet
bouwrijp gemaakt) helder afspreken. Als er niet bouwrijp
geleverd hoeft te worden dan betekent dat een beperking van de
investeringen.
Wanneer een private partij op gronden die zij al in
bezit heeft voor eigen rekening en risico plannen ontwikkelt
conform de planologische wensen van de gemeente dan spreken we
van zelfrealisatie. Dit kan natuurlijk niet zomaar. De
grondeigenaar zal over het algemeen met de gemeente een
exploitatieovereenkomst afsluiten, die is gebaseerd op de
gemeentelijke exploitatieverordening (artikel 42 Wet op de
Ruimtelijke Ordening). Bij een dergelijke overeenkomst
verbindt de ontwikkelaar zich tot het betalen aan de gemeente
van een bijdrage in de kosten die de gemeente moet maken voor
de aanleg van openbare voorzieningen die noodzakelijk zijn
voor de plannen van de ontwikkelaar.
Voor het EMU –saldo is deze vorm van realisatie van
projecten uiteraard gunstig. De gemeente hoeft niet te
investeren in gronden en in veel gevallen kan ook het bouw-en
woonrijpmaken door derden worden gedaan. Het is echter
de vraag of de overheid op deze wijzealtijd voldoende
invulling kan geven aan haar publieke verantwoordelijkheid.
Ook is het in feit dat private partijen grondposities innemen
veelal niet bevorderlijk voor de onderhandelingspositie van
publieke partijen. Bovendien is deze werkwijze niet geheel in
overeenstemming met het in de nota ruimte gepropageerde
“actievere grondbeleid”. Zelfrealisatie is mede om die
reden niet de meest gangbare vorm van “samenwerking”. In het
geval dat de kosten van het bouwrijp maken en de
infrastruktuur boven de drempel liggen die de Europese
richtlijn werken aangeeft, zal er moeten worden
aanbesteed. Wie de aanbesteder is, is daarmee nog niet
bepaald; dit kan zowel de ontwikkelaar zijn als de
gemeente.
c Grondverwerving
zonder belasting gemeentelijke begroting
In het
bovenstaande is een aantal malen de tegenstelling aangegeven
tussen het momenteel gepropageerde actieve grondbeleid en de
onwenselijke effecten daarvan op het EMU-saldo. Een passief
grondbeleid heeft weliswaar minder negatieve effecten op de
totale uitgaven van de gemeente, maar verschaft haar ook een
minder effectief instrumentarium voor het realiseren van haar
ruimtelijk beleid en het eventueel behalen van rendement.
Om mogelijk aan
beide aspecten tegemoet te komen. Zou men kunnen denken aan
een wijze om gronden te verwerven binnen een speciaal daartoe
op te richten grondbedrijf (grondbank/stallingsbedrijf/BNG
etc.)
Ook hier is het
weer van belang hoe men de financiering, de zeggenschap en het
risico binnen een dergelijke onderneming verdeelt, dan wel
verlegt.
Vooralsnog lijkt
het lastig om een grondbank te construeren waarin publieke
partijen voldoende zeggenschap behouden om hun “actieve
grondbeleid” vorm te geven en tegelijkertijd voldoende
financiële afstand te behouden om niet belast te worden met de
daarbij behorende uitgaven.
Een andere
mogelijkheid zou (op incidentele basis) nog kunnen zitten in
het sluiten van optieovereenkomsten met grondeigenaren of het
sluiten van koopovereenkomsten met uitgestelde levering en
betaling.
Hierbij zijn twee
varianten denkbaar:
- betaling
uitgesteld tot moment van levering van de grond
- betaling in
meerdere tranches, bijvoorbeeld bij sluiten overeenkomst en
bij vaststelling nieuwe bestemmingsplan.
D
PPS - modellen bij gebiedsontwikkeling
Voor wat betreft de grondexploitatiefase zijn de drie
bekendste PPS-modellen: het bouwclaimmodel (gemeentelijke
grondexploitatie, waarin de gemeente de van private partijen
verworven gronden na bouwrijp maken uitgeeft aan deze private
partijen), de joint venture (gezamenlijke publiek-private
grondexploitatie) en het concessiemodel (private
grondexploitatie, waarin de realisatie van het project
inclusief de publieke functies door middel van een
exploitatie-overeenkomst of concessie aan een private partij
wordt gegund).
In onderstaande
tabel worden de vijf modellen op deze cruciale onderwerpen bij
gebiedsontwikkeling met elkaar vergeleken.
|
Criteria
Modellen |
Grond-verwerving |
Planvorming |
Bouwrijp maken |
Gronduitgifte |
Wie draagt
grondexploitatie-risico |
|
1 |
Traditioneel
Gemeentelijke
gronduitgifte
|
Overheid |
Overheid (event. getoetst in
markt-consultatie) |
Overheid |
Overheid |
Overheid |
|
2 |
Bouwclaim |
Overheid neemt grond af van
private partij (die private partij al heeft of
verwerft) |
Overheid |
Overheid |
Door overheid aan de private
partijen waarvan overheid grond heeft
afgenomen |
Overheid. Event. afnameplicht
tegen vooraf bepaalde prijs |
|
3 |
Joint-venture / gezamenlijke
ontwikkeling |
Gezamenlijk of conform
afspraak |
Gezamenlijk) |
Gezamenlijk |
,Veelal door private partijen die
participeren in de joint venture |
Gezamenlijk |
|
4 |
Concessie |
Overheid |
Overheid, met private partijen
binnen door overheid gestelde kaders |
Door private partij |
Aan de private partijen die de
concessie krijgen |
Private partij |
|
5 |
Exploitatie-overeenkomst
Zelfrealisering |
Door private partij |
Gezamenlijk of door private
partij (binnen bestemmings-plan) |
(Door overheid, op kosten van)
private partij |
Geen uitgifte |
Private
partij |
In dit model
draagt de gemeente het grondexploitatierisico en voert de
regie over het proces van de gronduitgifte ondanks het feit
dat zij in eerste aanleg niet alle gronden in het plangebied
in eigendom had. De gronden die de private partijen in bezit
hebben worden tegen een vaste prijs per vierkante meter aan de
gemeente overgedragen. In ruil daarvoor krijgen de
marktpartijen te zijner tijd een bepaald aantal bouwrijpe
kavels toebedeeld.
Dit model wordt
derhalve gebruikt als de gemeente er voor kiest om zelf de
grondexploitatie ter hand te nemen (en te investeren) en als
partijen het over deze werkwijze in een contract eens geworden
zijn. Voor de private partijen ontstaat op deze wijze een
zekerheid dat zij zgn “produktierechten” verwerven als gevolg
van hun (over te dragen) grondpositie in het gebied.
De investeringen
die de overheid doet binnen dit model kunnen beperkt worden
door relatief laat aan te kopen, de kosten voor bouw- en
woonrijpmaken (binnen het plangebied) ofwel over te laten aan
de private partijen danwel zeer dicht op het moment van
gronduitgifte te laten vallen (zie ook onder 2). Over het
algemeen kan gesteld worden dat projecten die op deze wijze
worden opgezet relatief weinig mogelijkheden bieden voor
verlaging van een mogelijk negatief EMU-saldo. (in feite exact
vergelijkbaar met de gemeentelijke grondexploitatie). Men kan
alleen door bedrijfseconomisch handelen de periode waarover de
investering noodzakelijk is trachten te bekorten, zodat op de
peildatum een minder negatief (of wellicht positief) saldo
ontstaat (temporiseren van investeringen).
Het
joint-venture model
We spreken van
een joint-venture model als gemeente en marktpartij(en) samen
een bedrijf (i.c. een grondexploitatiemaatschappij (GEM))
oprichten. De samenwerking is gericht op het verwerven,
bouwrijpmaken en uitgeven van de grond binnen het plangebied
op een financieel verantwoorde wijze. Partijen zullen daartoe
samen overeenstemming moeten hebben bereikt over de financiële
uitgangspunten, de planinhoud en de risicoverdeling. Dit
is normaliter een proces dat niet zonder slag of stoot
verloopt; aan de samenwerking gaat derhalve een
onderhandelingsfase vooraf. Dit gezamenlijke bedrijf
onderstreept het gemeenschappelijke belang dat partijen hebben
bij de realisatie van de plannen. Partijen geven door
het aangaan van een joint venture ook aan dat zij met elkaar
gedurende de looptijd van het project wensen samen te werken
en dat zij derhalve elkaar (enigszins) vertrouwen. Er zal dan
ook intensief samengewerkt moeten worden binnen de op te
richten projectvennootschap. De uitwerking van de plannen, de
publiekrechtelijke procedures, de aanbesteding van publieke
werken, de financiering van het geheel alles dient in goed
overleg te worden doorlopen. De bestaande cultuurverschillen
tussen partijen moeten worden overwonnen en zowel op
uitvoerend als op bestuurlijk niveau zullen partijen De
GEM verwerft, zoals gesteld alle de gronden binnen het
plangebied, is verantwoordelijk voor het bouw- en woonrijp
maken en voor de gronduitgifte. De GEM heeft daarmee in
feite het karakter van een geprivatiseerd grondbedrijf op
locatieniveau. Het grondexploitatierisico wordt in dit
samenwerkingsmodel verdeeld tussen gemeente en marktpartijen
in de verhouding waarin deze partijen participeren in de GEM.
Behalve een centrale rol bij de grondproductie doet de GEM in
de regel ook voorstellen voor de nadere uitwerking van de
plannen voor de locatie. De spelregels voor de GEM maken in
het joint-venturemodel vanzelfsprekend onderdeel uit van een
afsprakenkader in een PPS-overeenkomst.
Essentieel in dit
model is het delen van risico en zeggenschap. Voor de gemeente
betekent dit het inleveren van sturingsmogelijkheden en
invloed op het grondbedrijfproces (opdrachten voor bouw- en
woonrijp maken, inrichting openbaar gebied, planvorming,
gronduitgiftebeleid) maar ook een verminderd risico
(grondexploitatierisico: prijs, uitgiftetempo, etc.) en veelal
lagere investeringen.
Voor de
marktpartijen geldt juist het omgekeerde: risico in een
oorspronkelijk gemeentelijke aangelegenheid (nl. de
grondexploitatie) komt naar ze toe, maar daar komt invloed
voor terug.
Het
joint-venturemodel voorziet, zoals we gezien hebben, in
de oprichting van een afzonderlijk bedrijf, dat als een
geprivatiseerd grondbedrijf op locatieniveau functioneert. De
participatie van de gemeente enerzijds en de ontwikkelaar
anderzijds in de GEM kan op verschillende manieren vorm worden
gegeven. Over het algemeen wordt een onderneming opgericht
waarin de partijen ieder voor 50% deelnemen.
Er komen echter
ook vormen voor waarin de publieke partijen voor minder dan
50% participeren. Dat wil overigens nog niet zeggen dat de
zeggenschap niet voor 50% bij de publieke partijen blijft
liggen (Voorbeeld: koopgootmodel Rotterdam : 10% participatie
vs 50% zeggenschap voor de gemeente).
De gedachte dat
de mate waarin private partijen participeren in een joint
venture van invloed zou kunnen zijn op de beantwoording van de
vraag of een GEM meetelt voor het gemeentelijk EMU-saldo is
afhankelijk van de verdeling van risico, zeggenschap en het
doel dat de GEM dient.
Niet van
doorslaggevende betekenis is de aandelen-verhouding die binnen
de GEM bestaat en de juridische entiteit die wordt gekozen.
Wel van belang is de sturing en de verdeling van zeggenschap
binnen de onderneming. Indien de overheid met behoud van
zeggenschap en een groot deel van het risico infrastructuur
realiseert binnen een JV waarin ook private partners
deelnemen, dan is er geen sprake van een activiteit in de
marktsector.
Indien er binnen
een op bedrijfseconomische gronden opererend bedrijf waarin de
overheid ook participeert zowel publieke als commerciële
belangen worden nagestreefd en gerealiseerd en de overheid
zich niet het recht heeft voorbehouden om over alle zaken
betreffende de publieke doelen een beslissende stem te hebben,
dan kan worden aangenomen dat er sprake is van een activiteit
die behoort tot de marktsector.
Aandachtspunt
hierbij is dat als er een GEM wordt opgericht, ook de
financiering van de grondexploitatie een zaak van de GEM hoort
te zijn. Als private onderneming kan de GEM financiering
aantrekken op de kapitaalmarkt. In de regel loopt de
financiering echter nogal eens via de gemeente. Dit heeft als
voordeel dat een lagere rente kan worden bedongen, omdat de
gemeente vanwege het lage risicoprofiel van overheden tegen
gunstige condities leningen kan sluiten. Nog afgezien van de
staatssteun implicaties die hieraan kunnen zitten, is deze
werkwijze voor het EMU saldo niet wenselijk. De gemeente loopt
nu immers weer direct al het risico en daarmee zal eerder
kunnen worden aangenomen dat er een direct effect is op het
EMU-saldo van de gemeente.
4.
EMU
norm en classificatie
Uit het
bovenstaande kunnen we afleiden dat er een aantal criteria
gelden die de zgn. grondgerelateerde activiteiten van de
overheid classificeren als onderdeel van de overheidssector of
als onderdeel van de marktsector. Als hoofdregel voor de PPS-
constructies zoals hierboven benoemd geldt daarbij dat het
constructierisico en het beschikbaarheids- of het vraagrisico
bij het bedrijf dient te liggen (en niet bij de overheid).
Voor de Joint venture constructies is met name van belang
:
-Doel van de
activiteit/ontwikkeling (zuiver publiek/publiek en privaat /
zuiver commercieel)
Een ontwikkeling
die een zuiver publiek doel heeft en als afnemer in feite
alleen de overheid zelf kan hebben zal niet al te snel worden
aangemerkt als een activiteit van de markt , tenzij het een
full operational lease betreft. Een gecombineerde output
waarbij zowel publieke als commerciele doelen van belang zijn
en waarbij ook een waardevermeerdering optreedt door de
integratie van deze functies kan wel worden gezien als
een marktactiviteit, mits dit ook past bij de onderstaande
voorwaarden.
-Risicoverdeling
publiek/privaat
De private
partner moet een substantieel deel van het risico dragen,
zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde. Indien een
substantieel deel van deze risico’s direct of indirect door
garanties van de overheid (bijvoorbeeld m.b.t. de schuld van
de private partij bij banken) worden afgedekt, is dat een
indicatie van onvoldoende risico-overdracht aan de
marktpartij.
-Financiering
De financiering
van het vehikel mag (nog los van de staatssteunaspecten)niet
zuiver publiek zijn.
-Zeggenschapverdeling
De overheid mag
niet de volledige zeggenschap hebben over een joint
venture, anders is er geen sprake van een bedrijf dat
geclassificeerd kan worden als onderdeel van de marktsector.
Ter nadere
toelichting treft u hierbij een korte toelichting aan van de
classificatie van het grondbedrijf, de sector onderwijs en het
havenbedrijf/vervoersbedrijf aan. Deze toelichting is
opgesteld door het CBS op basis van de huidige registratie in
de Nationale rekeningen waarvoor de verantwoordelijkheid bij
het CBS ligt. In het bestuurlijk akkoord is overeengekomen dat
nog nader wordt gekeken naar deze materie.
In het navolgende wordt eerst ingegaan op de
internationale richtlijnen voor de afbakening van eenheden en
sectoren. Deze richtlijnen die gelden voor de samenstelling
van de Nationale rekeningen zijn vastgelegd in het Europees
Systeem van Rekeningen 1995 (ESR 1995). Daarnaast zijn in het
Handboek Overheidstekort en –schuld specifiek op de overheid
gerichte registratievraagstukken verder uitgewerkt, waarbij de
richtlijnen van het ESR 1995 uitgangspunt zijn.
Vervolgens
zal worden ingegaan op de toepassing van deze voorschriften
bij de registratie van het gemeentelijke grondbedrijf, waarbij
ook een parallel wordt getrokken naar het gemeentelijke
havenbedrijf en het gesubsidieerde onderwijsveld. In de
huidige Nationale rekeningen wordt het gemeentelijke
havenbedrijf niet tot de sector overheid gerekend en het
gesubsidieerde onderwijs wel.
Sectortypering in
ESR 1995
Voor
een adequate beschrijving van de economie is het noodzakelijk
dat economische actoren worden gegroepeerd. In de Nationale
rekeningen heten deze groepen institutionele sectoren (of
kortweg: sectoren). De sectoren die worden onderscheiden zijn:
niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen,
overheid, huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk t.b.v.
huishoudens en het buitenland. De sectoren in de Nationale
rekeningen omvatten institutionele eenheden die worden
gekenmerkt door een gelijksoortig economisch gedrag. Hierbij
geldt dat een economische eenheid alleen als institutionele
eenheid wordt beschouwd als de eenheid volledig beschrijfbaar
is (lopende, kapitaal- en financiële transacties, inclusief de
balansen).
De
indeling van deze institutionele eenheden naar sectoren vindt
plaats op basis van het type producent dat zij zijn en op
basis van hun hoofdactiviteit of functie. Wanneer de
hoofdactiviteit van de institutionele eenheid het voortbrengen
van goederen en diensten is, moet om vast te stellen bij welke
sector de eenheid moet worden ingedeeld, eerst worden
vastgesteld tot welk type producent hij behoort.
In
het ESR 1995 worden 3 types producenten
onderscheiden:
a)
Particuliere marktproducenten en
marktproducenten in handen van de overheid
b)
Particuliere producenten voor eigen
finaal gebruik
c)
Particuliere overige
niet-marktproducenten en overige niet-marktproducenten in
handen van de overheid.
Voor
de sectortypering van de gemeentelijke grondbedrijven zijn
alleen de types a) en c) relevant. Bij het onderscheid tussen
marktproductie en overige niet-marktproductie zijn de volgende
criteria van belang. Van marktproductie is sprake als de
voortgebrachte goederen en diensten op de markt worden afgezet
en van overige niet-marktproductie als deze (bijna) gratis
worden geleverd. Voor het maken van dit onderscheid moet
gebruik worden gemaakt van de zogenoemde 50%-regel.
De
50%-regel houdt het volgende in: als de opbrengsten uit
verkopen van de goederen en diensten meer zijn dan 50% van de
productiekosten, dan is er sprake van marktproductie. Indien
de opbrengsten uit verkopen van de goederen en diensten minder
zijn dan 50% van de productiekosten, dan betreft het overige
niet-marktproductie. In deze 50%-regel worden de opbrengsten
van de verkopen van de goederen en diensten vergeleken met de
productiekosten ervan. Hierbij worden onder de productiekosten
gerekend de beloning van werknemers, het intermediair
verbruik, de afschrijvingen en de niet-productgebonden
belastingen op productie. Tot de sector overheid worden
vervolgens alleen eenheden gerekend waarbij sprake is van
overige niet-marktproductie en die ‘in handen zijn’ van de
overheid.
Het
gemeentelijke havenbedrijf
Het havenbedrijf
kan als een afzonderlijke institutionele eenheid worden
beschouwd omdat het volledig beschrijfbaar is (volledige
boekhouding en balans aanwezig). Voor de sectortypering van
het havenbedrijf dient dan eerst de hoofdactiviteit (en de
daarmee samenhangende productie) worden bepaald. Deze
hoofdactiviteit bestaat uit het beschikbaar stellen van
havenfaciliteiten (ligplaatsen, opslagplaatsen,
bedrijfsgebouwen e.d.) voor (individueel) gebruik door andere
eenheden. Hiervoor worden vergoedingen gevraagd in de vorm van
haven- en liggelden, huur van gebouwen en bedrijfsterreinen
e.d.. Deze producerende eenheid brengt zijn diensten dus op de
markt. Op grond van de 50%-regel wordt deze eenheid beschouwd
als een marktproducent, want de verkoopopbrengsten uit deze
activiteit bedragen meer dan 50% van de exploitatiekosten. Dit
betekent dat het havenbedrijf geen onderdeel vormt van de
sector overheid in de Nationale rekeningen.
Voor de uitvoering
van deze taak zijn (uiteraard) investeringen nodig, zoals het
uitdiepen van de havens, nieuwbouw en onderhoud kades,
bedrijfsterreinen en –gebouwen, aanschaf computers e.d. Deze
kosten worden bij de (institutionele) beschrijving van deze
eenheid meegenomen, evenals de kosten en opbrengsten van
nevenactiviteiten. Een zelfde argumentatie kan worden gevolgd
voor een gemeentelijk energiebedrijf of een openbaar
vervoerbedrijf.
Het gesubsidieerde
onderwijs
De scholen voor
bijzonder gesubsidieerd onderwijs – meestal in de vorm van een
stichting of een vereniging – vormen afzonderlijke
institutionele eenheden (verplicht jaarverslag). De
hoofdactiviteit van deze instellingen is het geven van
onderwijs aan personen. De productie bestaat dus uit het
voortbrengen van (individuele) onderwijsdiensten. De
opbrengsten uit ‘verkoop’ van deze diensten betreffen de
betalingen door individuele personen, in de vorm van
schoolgelden en collegegelden. Omdat deze opbrengsten minder
dan 50 % bedragen van de totale exploitatiekosten, worden deze
scholen beschouwd als overige niet-marktproducenten. Omdat zij
tevens ‘onder controle staan’ van de overheid, worden zij
gerekend tot de sector overheid.
Het gemeentelijke
grondbedrijf
Uitgaande van de
veronderstelling dat het gemeentelijke grondbedrijf volledig
beschrijfbaar is (volledige boekhouding en balans aanwezig),
kan het als een afzonderlijke institutionele eenheid worden
beschouwd.De hoofdactiviteit van het grondbedrijf is het
ontwikkelen van de infrastructuur door het (laten) aanleggen
van wegen, pleinen, straten, riolering, lantaarnpalen e.d. Dit
betreft dus het voortbrengen van collectieve diensten. Daarmee
is de activiteit van het grondbedrijf anders van karakter dan
die van het havenbedrijf of openbaar vervoerbedrijf. De output
van het grondbedrijf wordt collectief ter beschikking gesteld
aan de gemeenschap, zonder dat daar een directe betaling van
de leden van de gemeenschap tegenover staat. De voortgebrachte
voorzieningen worden ook niet verkocht, maar blijven in
eigendom en beheer van de gemeente. In feite kan de activiteit
van het grondbedrijf dan ook worden gezien als een
hulpactiviteit voor de gemeente. Er is sprake van een hechte
relatie tussen de gemeente en het gemeentelijk grondbedrijf.
Bij toepassing van de 50%-regel op het grondbedrijf
worden de opbrengsten van de verkoop van kavels door het CBS
dan ook niet in de beschouwing meegenomen als opbrengsten uit
hoofde van de hoofdactiviteit. Dit houdt in dat de uitvoering
van de hoofdactiviteit van het grondbedrijf tot de overige
niet-marktproductie wordt gerekend. Als gevolg daarvan is het
gemeentelijke grondbedrijf van oudsher een onderdeel van de
sector overheid in de Nationale rekeningen.
5.
Toepassingsgebieden
a. Joint venture
: Een project waarin de overheid en een private partner ieder
een gedeelte van het risico-dragen kan zowel als privaat als
als publiek worden geclassificeerd. Om dit toch wat beter te
kunnen onderscheiden zijn hieronder 3 voorbeelden opgenomen:
1: Een project
waarin infrastructuur en een door de overheid exact opgegeven
woningbouwprogramma wordt gerealiseerd kent een heldere
risico-verdeling: de private grondafnemers moeten een
afnamegarantie geven en de infrastructuur wordt wel aanbesteed
door de JV, maar overschrijdingen zijn voor risico van de
overheid. Er zijn geen extra mogelijkheden tot bijsturen of
vetorechten voor de overheid voorzien. De directie van de JV
is op afstand van de aandeelhouders geplaatst. Beide partijen
hebben grondposities ingebracht op gelijkwaardige basis.
De overheid stort
1000 euro bij om de onrendabele top te dekken. Deze JV zou
kunnen classificeren als een private onderneming, maar de
investering die de overheid in het project doet moet wel
worden meegenomen in het EMU-saldo.
2: Een project
waarin infrastructuur en een nog nader in te vullen
woningprogramma zal worden gerealiseerd kent een heldere
risicoverdeling; de overheid draagt het risico voor de infra,
de private partij draagt bij afhankelijk van de opbrengst van
het woningbouwprogramma (geen winst geen bijdrage). Dit
classificeert niet als een private onderneming, dit is een
overheidsinvestering pur sang.
3: Een project
waarin een JV wordt opgericht en de risico’s 50/50 worden
gedeeld, kent een complex programma. Een mix van publieke en
private doelen heeft invloed op elkaar en op de kwaliteit van
het eindprodukt. Omdat het project lang zal gaan duren behoud
de overheid zich een fors aantal rechten voor ten aanzien van
de sturing van het project. Dit betreft o.a. aanpassing van
het plan (onder schadeloosstelling van de andere partners,
beëindiging van de samenwerking (onder schadeloosstelling van
de andere partners) etc. Hier is zoveel directe invloed op het
project en de werkwijze dat niet gezegd kan worden dat hier
sprake is van een marktgestuurde bedrijfseconomisch handelende
onderneming. Hier wordt een marktpartij betrokken bij het
uitvoeren van een overheidstaak.
b.
De concessie
De concessie
wordt in Nederland steeds vaker gebruikt voor het realiseren
van gecombineerde (publieke en private) doelen. Als dit goed
wordt aanbesteed dan is er sprake van een volledig
transparante wijze van het beperken van een eventueel
EMU-tekort.
Voorbeelden:
Wieringerrandmeren, Bergen op Zoom, Zuiderzeelijn.