drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede
Wijk bij
Duurstede,
23 december 2002
De Minister van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties
De heer J.W.
Remkes
Postbus
20011
2500 EA Den
Haag
Betreft:
Financiële verslaggeving door gemeenten en
provincies
Uw brief van 13 december 2002
(FO2002/97598)
Geachte heer
Remkes,
Dank voor uw reactie van 13
december jl. op mijn brief van 21 november jl. Dank ook voor uw uit uw
ondertekening nu blijkende persoonlijke betrokkenheid bij de kwestie die mij
zeer na aan het hart ligt, namelijk de kwestie dat (veel/de meeste/alle?)
gemeente- en provinciebesturen op grote schaal grote bedragen aan baten en
lasten buiten de rekening en daarmee buiten het zicht van de burgers en andere
belastingbetalers en anderszins geïnteresseerden laten en ook een totaal
verkeerd beeld voorschotelen van de financiële positie van hun gemeenten en
provincies. In mijn laatste brief gaf ik als voorbeeld het gemeentebestuur van
Amsterdam. Dat liet de winst- en verliesrekening over 2001 sluiten met een
negatief saldo van € 5 miljoen terwijl uit het geheel van de jaarrekening valt
op te maken dat er in werkelijkheid een overschot was van € 350 miljoen. Ik wees
u bijvoorbeeld op de publicatie in Vrij Nederland van 2 maart 2002 waar u
kon lezen dat de 30 grote gemeenten op deze wijze bijna ƒ 4 miljard over 2000
voor hun burgers verzwegen.
Dank voor uw waardering
voor mijn bezorgdheid over dit soort "leugen en bedrog" (excusez les mots, maar
dat is het toch, dus laten we de kwestie maar in gewoon Nederlands benoemen!),
nota bene door overheidsorganisaties. Ik denk te vermoeden dat die waardering er
niet eerder was.
U schrijft dat er twee
fundamentele verschillen van inzicht zijn tussen u en mij. Het eerste zou gaan
over de vraag of er wel of niet verschillen zouden mogen bestaan tussen de
wetgeving terzake voor "het bedrijfsleven" en voor gemeenten en provincies. Ik
denk echter dat wij op dit punt geen enkel verschil van mening hebben. Uiteraard
zal "de eigenheid" van gemeenten en provincies en "de eigenheid" van "het
bedrijfsleven" ertoe leiden dat ieder toegesneden wetgeving (nodig) heeft. Het
gaat mij echter, zoals toch ook uit mijn hiervòòr gegeven voorbeeld blijkt, om
iets geheel anders, namelijk om de betrouwbaarheid van de
financiële verslaggeving door gemeenten en provincies. Naar mijn mening is de
jaarrekening van de gemeente Amsterdam onbetrouwbaar als in de Rekening van
baten en lasten baten en lasten ontbreken van per saldo zo'n € 355 miljoen. Naar
mijn mening is de jaarrekening onbetrouwbaar als het saldo waarmee de Rekening
van baten en lasten sluit, niet € 350 miljoen is, wat het bij een betrouwbare
weergave van àlle baten en àlle lasten zou moeten zijn, maar, omdat er allerlei
en vele baten en lasten buiten de Rekening zijn gelaten, een tekort aangeeft van
€ 5 miljoen. Het gaat mij niet om verschillen tussen wetgeving maar om de
naleving van de bestaande (en terzake stellig adequate) wetgeving en de
handhaving van die wetgeving. Immers terzake is (ook) de huidige
wetgeving toch volstrekt duidelijk? De (huidige) Comptabiliteitsvoorschriften
schrijven toch overduidelijk voor in artikel 3 dat de jaarrekening een
betrouwbaar beeld moet geven, in artikel 27 dat de rekening van baten en lasten
àlle baten en àlle lasten moet weergeven en dat het saldo van de rekening het
saldo van àlle baten en àlle lasten moet zijn (met in artikel 9 hetzelfde
terzake van de begroting), in artikel 27 dat de Rekening van baten en lasten al
deze baten en lasten betrouwbaar weergeeft, en in artikel 33 dat de balans een
betrouwbaar beeld geeft van de financiële positie? Het gaat mij om de
naleving van deze wettelijke bepalingen door de betreffende gemeente- en
provinciebesturen en om de handhaving van deze wetten door de minister
van Binnenlandse zaken. Ik ben van mening dat veel, zo niet de meeste, gemeente-
en provinciebesturen zwaar tekort schieten in de naleving van terzake toch
overduidelijke wetgeving en ik ben ook van mening dat de minister van
Binnenlandse Zaken tekort schiet in zijn handhaving van die
wetgeving.
Heel graag zie ik alweer uw
reactie en wellicht zelfs uw uitnodiging om over de kwestie te praten,
tegemoet.
Met vriendelijke groet en
hoogachting,
L.W.
Verhoef