drs.
L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard
13
3962
JR Wijk bij Duurstede
Wijk
bij Duurstede,
21 juni 2002
De
Minister van Economische Zaken
Mevrouw
A. Jorritsma-Lebbink
Postbus
20101
2500
EC Den Haag
Betreft: Evaluatie accountantswetgeving /
Accountants bij gemeenten en provincies
Mijn brief d.d. 16 april
2002
Uw brief d.d. 10 juni
2002
Geachte
Mevrouw Jorritsma,
Met
mijn brief van 16 april 2002 maakte ik u deelgenoot van mijn zorgen over en mijn
strijd tegen de misstand dat (veel) gemeente- en provinciebesturen in hun
jaarrekeningen, dus in hun verantwoording aan de burgers, belastingbetalers en
andere belanghebbenden, op incorrecte, onbetrouwbare, dus misleidende wijze,
verslag doen van de baten (opbrengsten) en lasten (kosten) en van de financiële
positie van hun gemeente of provincie. Grote bedragen aan baten en lasten worden
aan het zicht onttrokken door ze te verzwijgen en daardoor niet te
verantwoorden. Uiteraard voldoen deze jaarrekeningen daardoor ook niet aan de
betreffende wettelijke voorschriften (i.c. de Comptabiliteitsvoorschriften).
Verder liet ik u weten het opmerkelijk te vinden dat bij al deze onbetrouwbare
en misleidende jaarrekeningen goedkeurende accountantsverklaringen staan. Een
goedkeurende accountantsverklaring drukt uit dat naar het oordeel van de
accountant de betreffende verantwoording, i.c. jaarrekening, een betrouwbaar
beeld geeft en ook voldoet aan de wettelijke bepalingen. De goedkeurende
accountantsverklaringen bij deze gemeentelijke en provinciale jaarrekeningen
zijn dus volstrekt ten onrechte gegeven.
U
reageerde met uw brief van 10 juni 2002. Ik heb mij zeer verbaasd over uw
reactie.
U
stelt, zonder enige motivering: "Echter, de huidige comptabiliteitsvoorschriften
voor gemeenten en provincies bieden feitelijk de ruimte voor de door u
geschetste situatie". U zegt ook: "Concluderend kan ik stellen dat de huidige
comptabiliteitsvoorschriften de ruimte bieden voor de door u geschetste
situatie". Concluderend waaruit? U geeft nergens de gronden aan voor uw
conclusie! Uw conclusie hangt dus volledig in de lucht!
De
door mij aan de orde gestelde misstand is juist dat deze jaarrekeningen in geen
velden of wegen aan die Comptabiliteitsvoorschriften
voldoen!
In
strijd met uitdrukkelijke eisen van die Comptabiliteitsvoorschriften geven die
jaarrekeningen geen betrouwbaar beeld van de financiële positie, van de baten en
de lasten en van het saldo daarvan. In strijd met uitdrukkelijke eisen van die
Comptabiliteitsvoorschriften worden op grote schaal en tot grote bedragen en in
grote willekeur opbrengsten en kosten buiten de rekening van baten en lasten en
daarmee buiten het zicht van de gebruiker van de jaarrekening gelaten. Geheel in
strijd met de Wet op de Registeraccountants geven accountants aan deze
onbetrouwbare en misleidende jaarrekeningen op grote schaal, volstrekt ten
onrechte derhalve, goedkeurende accountantsverklaringen.
In
uw brief lees ik dat er uwerzijds contact is geweest met het ministerie van
Binnenlandse Zaken en het NIVRA. Het is toch niet zo dat, alleen omdat zij u
gezegd hebben dat er niets aan de hand is, u concludeert dat er dus niets aan de
hand is?
Het
ministerie van Binnenlandse Zaken faalt al jaren in zijn toezichthoudende rol op
de provincies en in zijn rol van bewaker van de goede naleving van de
Comptabiliteitsvoorschriften. Ik heb de (achtereenvolgende) Minister(s) van
Binnenlandse Zaken al jarenlang gewezen op de misstand van de misleidende
jaarrekeningen van gemeenten en provincies. De Minister weigert categorisch er
met mij over te praten. Die, of beter gezegd: zijn ambtenaren die zich er al
jarenlang in vastgebeten hebben dat er niets aan de hand is, omdat anders zou
komen vaststaan dat ze al die jaren hun werk niet goed gedaan hebben, gaan nu
niet opeens tegen u zeggen dat ik gelijk heb.
Het
bestuur van het NIVRA weigert al jarenlang categorisch met mij over de misstand
te praten. Hierbij zou u moeten bedenken wie er in het bestuur van het NIVRA
zitten. Juist ja, dezelfde (grote) kantoren die al die jaarrekeningen van die
gemeenten en provincies ten onrechte van goedkeurende verklaringen voorzien. Ook
die gaan nu echt niet opeens tegen u zeggen dat ik gelijk
heb.
Het
is juist, zoals ik al in mijn brief van 16 april jl. aangaf, onderdeel van de
misstand dat de minister van Binnenlandse Zaken en het bestuur van het NIVRA de
misstand niet willen aanpakken. U heeft dus bij de verkeerde instanties
geïnformeerd! U heeft bij degenen geïnformeerd die ik juist beschuldig. U heeft
niet een eigen zelfstandig onderzoek uitgevoerd.
Aan
het slot van uw brief zegt u dat het mij vrij staat concrete zaken aan de
tuchtrechter voor te leggen. Dat klopt. Ik heb dat in één zaak tweemaal gedaan.
Door louter procedurefouten van de Raad van Tucht is de door mij voorgelegde
zaak niet behandeld en is er dus geen uitspraak gedaan. Ook dit gestuntel van de
Raad van Tucht is onderdeel van de door mij aan de orde gestelde
misstand.
Ik
stel het zeer op prijs als u, na lezing van het voorgaande, mijn brief van 16
april jl. opnieuw zou willen lezen en opnieuw uw conclusies zou willen trekken,
echter nu na eigen onderzoek. Graag verneem ik daarna uw
conclusies.
Ik
zou het erg jammer vinden als u mij in mijn strijd tegen de door mij aan de orde
gestelde misstand, alleen zou laten staan.
Met
vriendelijke groet en hoogachting,
L.W.
Verhoef