Uw brief van 23 juni
2000
Geacht
bestuur,
Ik
heb kennis genomen van uw brief van 23 juni jl. waarin u ingaat op de door mij
opgeroepen kwestie van de (naar mijn mening) op grote schaal ten onrechte
verstrekte goedkeurende accountantsverklaringen bij jaarrekeningen van gemeenten
en provincies en waarin u onze afspraak bevestigt om daarover te praten op 16
augustus a.s.
U
vraagt zich af of de door mij in mijn brief van 18 april jl. opgestelde lijst
van vragen (u spreekt ook van "een groot aantal gespreksonderwerpen") tot een
efficiënte discussie en zinvolle conclusie zal kunnen leiden. U stelt dat de
aard van de door mij opgevoerde vragen veelal suggereert dat beantwoording door
een simpel ja/nee zou kunnen volstaan en dat dit geen recht doet aan de
complexiteit van de materie.
Allereerst
is de materie verre van complex. De kwestie waar het mij om gaat (en dààr zouden
wij over praten, niet over wat anders!) kan worden weergegeven in de vragen
zoals ik die geformuleerd heb. Ik heb er wel een aantal jaren over moeten doen
om de kwestie, die bij eerste kennismaking wellicht complex (beter is misschien
te zeggen: "ongelofelijk") voorkomt, te analyseren. De analyse vindt u in de
vragen. De analyse laat zien dat het gaat om basale kwesties. Ik denk stellig
dat bespreking van mijn zaak aan de hand van de door mij geformuleerde vragen
kan leiden tot een efficiënte discussie en tot zinvolle, zelfs duidelijke,
conclusies. Wellicht niet de conclusies die u zou moeten trekken maar niet wìlt
trekken. Ook dat is onderdeel van het probleem! De vragen kunnen inderdaad
worden afgedaan met een simpel ja/nee.
Naar
uw mening kunnen de door mij gesignaleerde problemen worden samengevat in de
twee kernproblemen zoals u die geformuleerd heeft. U heeft daarin
ongelijk.
Het
gaat mij niet om "de kwaliteit en de consistentie van de
Comptabiliteitsvoorschriften, de uitwerking daarvan in de Toelichting en de door
het Ministerie van Binnenlandse Zaken opgestelde nadere uitwerking in de vorm
van vragen en antwoorden". Hoewel deze kwaliteit zeker geen schoonheidsprijs
verdient, gaat het mij niet dààrom.
Het
praten over of "een op basis van deze voorschriften .... opgestelde jaarrekening
.... voldoet aan de .... voorschriften" lijkt mij weinig
zinvol.
Waar
het mij om gaat, heeft grotendeels zelfs niets uitstaande met de zogenoemde
Comptabiliteitsvoorschriften.
Ik
stel voor dat wij ons gesprek toch voeren aan de hand van de door mij opgestelde
vragen, waarbij wij, waar daartoe aanleiding ontstaat, een uitstapje maken naar
"de kwaliteit en de consistentie van de Comptabiliteitsvoorschriften etc" en
naar de vraag of een jaarrekening opgemaakt op basis van deze voorschriften een
betrouwbaar beeld geeft van de financiële positie van de betreffende
entiteit.
Hoogachtend,
L.W.
Verhoef