drs.
L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard
13
3962
JR Wijk bij Duurstede
Wijk
bij Duurstede,
1 juni 2005
College
van procureurs-generaal
Postbus
20305
2500
EH 's-Gravenhage
Betreft: Boekhoudfraudes bij gemeenten en
provincies
Geachte
College,
Al
enige tijd ben ik met u in correspondentie over de behandeling van mijn
aangiften bij de politie en bij het Openbaar Ministerie van boekhoudfraude (i.c. valsheid in
geschrifte in openbaar gemaakte jaarrekeningen) op zeer grote schaal door
diverse provincie- en gemeentebesturen. (Mijn laatste brief aan u d.d. 3
september 2004; uw laatste brief aan mij d.d. 18 oktober 2004) Zoals u weet, heb
ik inmiddels aangifte gedaan tegen circa twintig provincie- en gemeentebesturen
en hun accountants. Het gaat (in deze twintig gevallen) inmiddels om (bij elkaar
opgeteld) een boekhoudfraude van circa vijf miljard euro. Het gaat dus om zeer
zware misleiding van de betreffende Provinciale Staten, gemeenteraden en burgers
van de betreffende provincies en gemeenten. Wat mij nog steeds mateloos ergert,
is de meer dan ergerlijke behandeling van deze zaken door het Openbaar
Ministerie. Voor zover mijn aangiften een bureau van een Officier van Justitie
haalden, werden ze geseponeerd om redenen die van geen kant deugen. De andere
aangiften liggen onderin politie-bureauladen te vergelen. Intussen gaat de
boekhoudfraude ongehinderd en ongebreideld gewoon door. Onlangs heeft
bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam haar jaarrekening 2004 uitgebracht. In het
jaarverslag en in het daarbij uitgebrachte persbericht doet het gemeentebestuur
voorkomen of Amsterdam in 2004 € 60 miljoen heeft overgehouden. In werkelijkheid
was het € 400 miljoen. Waarmee de boekhoudfraude bij gemeente Amsterdam vanaf
1998 steeg naar circa 2.300 miljoen
euro.) Amsterdam had dus met groot gemak
(ook) in 2004 de OZB (opbrengst € 165 miljoen) volledig kunnen overslaan zonder
in de rode cijfers te komen. Met ordinaire boekhoudfraude werd dat, door in de
jaarrekeningcijfers te knoeien, onherkenbaar gemaakt. Van deze boekhoudfraude
zijn de Amsterdamse belastingbetalers het regelrechte slachtoffer! Boekhoudfraude is ernstig, ook en vooral bij
de overheid! Alle reden dus om deze misstand te vervolgen. Zeker als daar
aangifte van gedaan is door een verontruste, maar wel uiterst deskundige,
burger.
Zoals
u bekend is, heb ik tegen al deze seponeringen, c.q. het niet in behandeling
nemen van mijn aangiften, op grond van
Wetboek van strafvordering artikel 12 klachten ingediend bij de betreffende
Gerechtshoven. Ook in uw brief van 18 oktober 2004 wijst u op deze mogelijkheid.
(Zoals ook onderaan alle brieven van de betreffende Officieren waarin zij hun
seponering meedelen.) U schreef mij dat u verder niet op mijn klachten gericht
aan het College van procureurs-generaal over de behandeling van mijn aangiften
door het Openbaar Ministerie wilde ingaan in afwachting van een reactie van het
gerechtshof op mijn klachten.
Vorige
week (24 mei 2005) was de eerste behandeling door een Gerechtshof van mijn
klachten aan de orde. Het was het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch inzake mijn
klachten over de seponeringen van mijn aangiften van boekhoudfraude bij
provincie Noord-Brabant en de gemeenten Breda, Eindhoven, Oss en Tilburg. De
gezamenlijke omvang van de boekhoudfraudes bij deze provincie en gemeenten is
vele honderden miljoenen euro's.
Ik
trof een zeer belangstellend Hof aan. Tot mijn grote verrassing wees het Hof mij
echter op de kille voorwaarde die aan een WSv-artikel 12 procedure is gesteld.
Dit artikel 12 stelt als strikte voorwaarde dat alleen "de rechtstreeks
belanghebbende" beklag kan doen. Het Hof besliste na enig doorvragen en intern
beraad dat ik, niet zijnde een burger van provincie Noord-Brabant en/of een van
de betreffende gemeenten, niet als "rechtstreeks belanghebbende" kon worden
aangemerkt, zodat het Hof moest besluiten tot niet-ontvankelijkheid. Aan een
beslissing tot al dan niet toewijzen van mijn klachten kwam het Hof daarna
uiteraard meer toe. Een, gezien de tekst van WSv artikel 12 wellicht correcte,
doch uiterst teleurstellende uitkomst. Een uitkomst die het rechtsgevoel, in
ieder geval mijn rechtsgevoel, en de belangen van de Brabantse en betreffende
gemeentelijke burgers behoorlijk tekort doet.
In
uw brief van 18 oktober 2004 schreef u dat u verder niet op mijn klachten
gericht aan het College van procureurs-generaal over de behandeling van mijn
aangiften door het Openbaar Ministerie wilde ingaan in afwachting van een
reactie van het gerechtshof op mijn klachten. Deze reactie is dus nu bekend.
Deze reactie brengt u en mij, na alweer een heel groot tijdverlies (na mijn
brief van 3 september 2004 zijn we inmiddels aanbeland bij 1 juni 2005), als het
ware "terug bij af".
Ter
gelegenheid van de behandeling voor het Hof had ik een uitvoerige Toelichting
opgemaakt. Het was mijn bedoeling die in zijn geheel voor te lezen en/of over te
leggen aan het Hof. Daar ben ik, na de beslissing van niet-ontvankelijkheid,
niet aan toe gekomen. In deze Toelichting ga ik uitvoerig in op de argumenten
van het Openbaar Ministerie om niet tot vervolging over te gaan. Ik toon keihard
aan dat er van die argumenten helemaal niets deugt. Ik doe u hierbij deze
Toelichting toekomen.
De
niet-ontvankelijkverklaring door het Hof te 's-Hertogenbosch hoeft geen enkele
belemmering voor het Openbaar Ministerie, waarvan uw college "de baas" is, te
zijn mijn aangiften niet serieus te nemen. Ik verzoek u uiterst dringend en met
alle klem mijn hiervoor genoemde Toelichting uiterst zorgvuldig te lezen. Ik
verzoek u daarna eindelijk mijn aangiften (serieus) in behandeling te nemen en
een (deskundig) onderzoek in te stellen naar mijn beweringen, te beginnen bij
mijn uitpuilende dossiers. (Ik verbaas mij er nog steeds hogelijkst over dat nog
nooit iemand van het Openbaar Ministerie de moeite genomen heeft met mij te
praten, mij om toelichting te vragen en in mijn dossiers te kijken.) Ik doe een
klemmend beroep op u te erkennen dat boekhoudfraude (i.c. valsheid in geschrifte
in een jaarrekening), met name als dat gebeurt bij de overheid, een zeer
ernstige zaak is, een misdrijf met een groot aantal zwaar getroffen
slachtoffers! Het valt naar mijn mening niet uit te leggen dat boekhoudfraude in
het bedrijfsleven (bijvoorbeeld bij Ahold) wèl strafrechtelijk wordt onderzocht,
maar dat boekhoudfraude bij de overheid, bovendien in veel groter omvang dan bij
Ahold, nìet strafrechtelijk onderzocht zou worden.
Kortom,
ik verzoek u dringend, met name gelet op de ernst van de zaak, gelet op de grote
aantallen slachtoffers, gelet op het inmiddels grote tijdverlies, en gelet op
het ongebreideld doorgaan van deze zeer ernstige misstand, onverwijld de koe bij
de horens te vatten en eindelijk naar aanleiding van mijn aangiften de zaak aan
te pakken en tot vervolging over te gaan.
Met
hoogachting,
L.W.
Verhoef