Dat
is niet onschuldig. Een rekening die eindigt met een saldo van ƒ
1.434.534, een aanbiedingsbrief bij de jaarrekening die zegt dat de
jaarrekening met een saldo van ƒ 1.434.534 sluit, een
goedkeurende accountantsverklaring bij dit alles, brengt iedereen tot
de overtuiging dat de gemeente 1996 dus heeft afgesloten met een
voordelig saldo van ƒ 1.434.534. Niemand heeft in de gaten of wil
zich ervan laten overtuigen dat het werkelijke saldo ƒ 9.585.374
bedraagt. Iedereen verwijst naar de goedkeurende
accountantsverklaring.
Accountant
Bruggeman had volgens de GBR moeten verhinderen dat zijn
accountantsverklaring bij deze onjuiste aanbiedingsbrief werd
opgenomen.
2.
Vanwaar
dit verschil tussen ƒ 1.434.534 en ƒ 9.585.374?
Heel
eenvoudig: er zijn baten en lasten buiten de rekening om geleid. Enig
speurwerk in de jaarrekening (toegegeven: het moet wel je vak zijn om
dit te kunnen), m.n. in de balans en de toelichting daarbij, laten
dit onomstotelijk zien.
Niet
alleen dat accountant Bruggeman dit ook had moeten opvallen, het is
tenslotte zijn vak, hij wist het zelfs! Accountant Bruggeman heeft
willens en wetens nagelaten te verhinderen dat zijn
accountantsverklaring bij die onjuiste aanbiedingsbrief werd
opgenomen.
3.
Mijn
activiteiten, correspondentie met het gemeentebestuur, ingezonden
brieven in het plaatselijk weekblad De
Wijkse Courant
proberen het gemeentebestuur en anderen ervan te overtuigen dat het
werkelijke overschot in 1996 circa ƒ 8 miljoen hoger is dan het
gemeentebestuur wil doen voorkomen.
Het
gemeentebestuur plaatst als reactie een officiële mededeling in
De
Wijkse Courant
waarin wordt meegedeeld dat de kwestie door de accountant onderzocht
is, dat ook de accountant van mening is dat ik ongelijk heb en dat
het batig saldo van alle baten en lasten "was, is en blijft ƒ
1.434.534."
Accountant
Bruggeman wist heel goed dat het batig saldo niet ƒ 1.434.534 maar
ruim ƒ 8 miljoen meer was. Wat in de mededeling van het
gemeentebestuur was opgenomen, kan dus nooit de uitkomst van het
onderzoek van accountant Bruggeman zijn geweest. Accountant Bruggeman
heeft niet geprobeerd deze officiële mededeling te voorkomen. In
ieder geval heeft hij na de publicatie nagelaten corrigerende
maatregelen te treffen. Ook hierin heeft accountant Bruggeman
strijdig met de GBR gehandeld.
4.
Door
aldus te handelen heeft accountant Bruggeman ook de schijn
opgeroepen alsof het zou gaan om een academische discussie waarbij
de ene accountant zus en de andere accountant zò zou kunnen
denken. Het gaat in het geheel niet om een academische discussie,
het gaat louter en alleen om een correcte weergave van feiten. De
feiten zijn: behalve de in de rekening opgenomen baten en lasten
zijn er ook nog andere, niet onaanzienlijke baten en lasten, zodat
het saldo van àlle in de jaarrekening opgenomen baten en
lasten niet ƒ 1,5 miljoen maar ƒ 9,5 miljoen bedraagt.
Door
het oproepen van de schijn van een academische discussie heeft
accountant Bruggeman wederom in strijd met de GBR gehandeld.
5.
Accountant
Bruggeman heeft geheel ten onrechte een goedkeurende verklaring bij
de jaarrekening verstrekt. Zijn verklaring bij de jaarrekening zegt
(in de standaardbewoordingen):
1. de
jaarrekening geeft een betrouwbaar beeld van de financiële
positie, de baten en de lasten en het saldo van die baten en
lasten;
2. de
jaarrekening voldoet aan de terzake geldende wettelijke
voorschriften.
Beide
uitspraken, dus beide onderdelen van de accountantsverklaring, zijn
onterecht.
ad
1. de jaarrekening geeft geen betrouwbaar beeld omdat ten minste
- aanschaffingsbedragen
van verschillende vaste activa niet in de balans zijn geactiveerd,
maar in het jaar van aanschaf in één keer, bovendien
buiten de rekening om, rechtstreeks ten laste van het eigen
vermogen, zijn afgeschreven;
- verschillende
verplichtingen, met name voorzieningen, te hoog of te laag in de
balans zijn opgenomen of simpelweg ontbreken;
- in
de rekening van baten en lasten baten en lasten ontbreken;
- afschrijvingsbedragen
ontbreken;
- rentelasten
over niet bestaande leningen zijn opgenomen.
ad
2. de jaarrekening voldoet niet aan de terzake geldende wettelijke
voorschriften omdat ten minste
- verschillende
baten en lasten buiten de rekening om zijn geleid;
- de
rekening niet het saldo van alle baten en lasten aangeeft;
-
de
waardering van verschillende balansposten en verschillende posten
van de rekening niet volgens het stelsel van baten en lasten is en
al helemaal niet voldoet aan normen die in het maatschappelijk
verkeer als aanvaardbaar beschouwd worden.
Niet
alleen dat het buiten de rekening om leiden van baten en lasten in
strijd is met expliciet genoemde wettelijke voorschriften, het is ook
in jurisprudentie bevestigd dat dit in strijd is met normen die in
het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwd worden. Ook
hierom voldoet de jaarrekening niet aan de wettelijke voorschriften.
Opvallend
is nog bijvoorbeeld dat nog voordat accountant Bruggeman zijn
accountantsverklaring afgaf, er bij het gemeentebestuur een ook bij
Bruggeman bekende Nota lag, waarin stond dat veel voorzieningen
verkeerd berekend en per saldo met ƒ 4,6 miljoen te hoog waren
weergegeven. Opvallend is ook dat accountant Bruggeman heel goed wist
dat er baten en lasten buiten de rekening om geleid waren. Accountant
Bruggeman heeft dus willens en wetens ten onrechte een goedkeurende
verklaring verstrekt.
Raad
van Tucht
6.
Ik
vind dat met het voorgaande accountant Bruggeman ernstig verwijtbaar
in strijd met de GBR heeft gehandeld. Ik heb daarom een klacht
daarover voorgelegd aan de Raad van Tucht voor accountants.
In
mijn klacht legde ik alle feiten en constateringen, uitvoerig
gedocumenteerd en onderbouwd aan de Raad van Tucht voor. Ik noemde en
citeerde alle wetsartikelen en jurisprudentie waarnaar ik verwees. In
mijn pleitnota voor de Raad van Tucht zette ik alles nogmaals
uitvoerig op rij. In mijn pleitnota weerlegde ik uitvoerig,
gedocumenteerd en onderbouwd, wat accountant Bruggeman in zijn
verweerschrift tegenover mijn klacht stelde.
Mijn
klacht bestond uit een viertal samenhangende onderdelen. U treft ze
in mijn beroepschrift op pagina 3 en 4 nogmaals opgesomd aan.
(In
mijn klacht had ik de onderdelen 3 en 4 samen als onderdeel 3
aangeduid; uit de tekst bleek dat onderdeel 3 weer in 2
sub-onderdelen, als het ware 3a en 3b, uiteenviel. In mijn
beroepschrift heb ik voor alle duidelijkheid de onderdelen 3a en 3b
nu als 3 en 4 genummerd.)
Groot
is mijn verbazing als in de uitspraak van de Raad van Tucht niets is
te vinden over drie van de vier onderdelen, zelfs niet de uitspraak
dat de Raad van mening is dat accountant Bruggeman terzake niets
verweten kan worden. Helemaal niets!
De
Raad gaat alleen in op de vraag of de betreffende jaarrekening wel of
niet voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften.
Hoewel
ik expliciet aangegeven en uitvoerig toegelicht heb dat en waar de
jaarrekening in flagrante strijd is met belangrijke wettelijke
voorschriften en welke voorschriften dat zijn, met letterlijke
aanhaling van de betreffende wetteksten, en ook met het verwijzen
naar en het noemen van daarop betrekking hebbende jurisprudentie,
stelt de Raad van Tucht desondanks en geheel onbegrijpelijk dat door
mij niet betwist zou zijn dat de jaarrekening voldoet aan de
betreffende wettelijke voorschriften. De Raad van Tucht is er
daardoor niet eens aan toegekomen om tegenover mijn beweringen ten
aanzien van welke concreet door mij genoemde wettelijke voorschriften
en jurisprudentie de jaarrekening tekortschiet, te motiveren waarom
de jaarrekening daar juist wèl aan zou voldoen en dus de
accountantsverklaring terecht zou melden dat wèl aan de
betreffende wettelijke voorschriften zou zijn voldaan.
In
de uitspraak van de Raad van Tucht legt de Raad van Tucht mij in 5.5
in de mond dat ik kritiek zou hebben op de
Comptabiliteitsvoorschriften en dat mijn klacht alleen maar zou
bestaan uit kritiek op het feit dat de jaarrekening van Wijk bij
Duurstede niet zou voldoen aan een door mij voorgestane andere tekst
van de Comptabiliteitsvoorschriften. Onder 5.6 herhaalt de Raad van
Tucht dit. Onder 5.5 gaat de Raad van Tucht er impliciet, zonder
nadere onderbouwing, vanuit dat de jaarrekening van Wijk bij
Duurstede wèl voldoet aan de bestaande
Comptabiliteitsvoorschriften.
Nergens
in mijn klacht of in mijn pleitnota of anderszins tijdens de zitting
heb ik kritiek geuit op de bestaande CV. Mijn kritiek dat de
jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet voldoet aan de
Comptabiliteitsvoorschriften, houdt wel degelijk in dat de
jaarrekening niet voldoet aan de bestaande
Comptabiliteitsvoorschriften. In tegenstelling tot wat de Raad van
Tucht zegt, heeft accountant Bruggeman zich juist nìet
gebaseerd op "de meergenoemde, geldende regelgeving".
De
Raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Naar mijn overtuiging ten
onrechte.
Beroep
7.
Het
kan niet anders dan dat ik tegen de uitspraak van de Raad van Tucht
in beroep ga.
Verweerschrift
accountant Bruggeman
8.
Wat
betreft de ontvankelijkheid van mijn klacht herhaal ik wat ik eerder
in mijn pleitnota voor de Raad van Tucht zei. Mijn klacht betreft het
verwijtbaar handelen dan wel nalaten van accountant Bruggeman in
strijd met de GBR. In mijn klacht heb ik de betreffende bepalingen
van de GBR aangegeven. Juist de Raad van Tucht en nu uw College is
het aangewezen orgaan om te oordelen.
Terecht
heeft de Raad van Tucht het verweer van accountant Bruggeman
verworpen dat ik in mijn klacht niet ontvankelijk zou zijn, omdat,
zoals de Raad van Tucht zegt, "betrokkene specifiek
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen wordt verweten".
9.
Wat
betreft een marginale toetsing herhaal ik ook wat ik eerder in mijn
pleitnota voor de Raad van Tucht zei. Het gaat, ik herhaal, in
tegenstelling tot wat accountant Bruggeman in zijn verweerschrift
voor de Raad van Tucht en ook nu weer telkens en telkens zegt,
voornamelijk nìet om een discussie over een al dan niet
juiste toepassing van de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften. De
eerste drie onderdelen van mijn klacht hebben al helemaal niets te
maken met toepassing van de Comptabiliteitsvoorschriften. Alleen het
vierde onderdeel gaat over toepassing van de
Comptabiliteitsvoorschriften. En dan niet of nauwelijks over
interpretatie daarvan. Het gaat in dat geval om baten en lasten die
buiten de rekening zijn gelaten, terwijl de
Comptabiliteitsvoorschriften in artikel 27 uitdrukkelijk zeggen dat
dat niet mag, het gaat erom dat de rekening niet het saldo van àlle
baten en lasten geeft, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dat
in artikel 27 toch uitdrukkelijk voorschrijven, het gaat om het niet
toepassen van het stelsel van baten en lasten, terwijl de
Comptabiliteitsvoorschriften dat in artikel 4 toch uitdrukkelijk
voorschrijven, en het gaat om het niet toepassen van normen die in
het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd,
terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dat in artikel 3 toch
uitdrukkelijk voorschrijven. Dat alles heeft met "interpretatie"
niets te maken, het gaat om louter objectief vast te stellen feiten.
10.
Wat
betreft de indeling van de klacht en of die nu uit 3 of uit 4
onderdelen bestaat, waarover volgens het verweerschrift misverstand
zou kunnen bestaan, heb ik hiervòòr uiteengezet dat
het nog steeds om dezelfde klachten gaat als in eerste instantie.
11.
Uit
opmerking 13 van het verweerschrift komt toch een merkwaardige
situatie naar voren.
Ik
begrijp uit deze opmerking dat accountant Bruggeman het geheel eens
is met de inhoud van de mededeling van het gemeentebestuur op de
gemeentepagina van
De Wijkse Courant
van 5.11.1997 (klacht, productie 7), waarin het gemeentebestuur zegt
- dat
na mijn eerste acties terzake van de falende jaarrekening er
onderzoek door de accountant heeft plaatsgevonden (wat dus een
ander onderzoek moet zijn dan het reguliere controle-onderzoek van
de jaarrekening);
- dat
op grond van dit onderzoek de accountant van mening is dat de
jaarrekening geheel in orde is;
- dat
het saldo van alle baten "was, is en blijft ƒ 1.434.534".
Merkwaardig
is dat accountant Bruggeman in zijn verweerschrift voor de Raad van
Tucht en thans wederom dit extra onderzoek ontkent.
Nog
merkwaardiger is het dat in de reactie die ik van het college van b&w
ontving (klacht, productie 4) op mijn eerste brief aan de
gemeenteraad over de falende jaarrekening (klacht, productie 3), het
college van b&w - n.m.m. zonder dit te beseffen - toegeeft dat de
jaarrekening inderdaad op de door mij aangegeven punten tekortschiet.
Het
college van b&w schrijft en geeft daarmee toe dat
- baten
en lasten buiten de rekening om rechtstreeks aan het eigen vermogen
toegevoegd zijn;
- de
rekening fictieve rentelasten ad ƒ 220.000 bevat;
- in
1996 aanschaffingsbedragen van enkele vaste activa ad ƒ 1.205.020
i.p.v. te activeren van het eigen vermogen afgetrokken zijn;
- onder
de voorzieningen bedragen voorkomen die in het geheel geen
verplichtingen representeren;
- in
de balans een voorziening ontbreekt voor de pensioen- en
wachtgeldverplichtingen jegens de (ex) wethouders.
(Zie
meer uitgebreid: klacht pagina 13.)
Het
wordt nog merkwaardiger als we bedenken dat deze brief voor het
college van b&w geconcipieerd is door accountant Bruggeman.
12.
De
opmerkingen 16 -19 uit het verweerschrift van accountant Bruggeman
voor uw College zijn niet relevant, omdat het verweer is tegen een
niet door mij ingebrachte klacht. Zoals ik in mijn beroepschrift en
hiervòòr in deze pleitnota uiteenzette, is mijn
kritiek niet dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet voldoet
aan een door mij voorgestane andere dan de huidige tekst van de
Comptabiliteitsvoorschriften, maar is mijn kritiek dat de
jaarrekening niet voldoet aan de geldende regelgeving.
13.
Het
geven van de voorbeelden op pagina 7 van mijn beroepschrift was en
is uiterst serieus bedoeld, in tegenstelling tot wat het
verweerschrift in opmerking 20 wil doen vermoeden.
14.
Naar
aanleiding van opmerking 21 in het verweerschrift merk ik op dat de
Comptabiliteitsvoorschriften in (kapstok)artikel 3 voorschrijven dat
een jaarrekening van een gemeente moet voldoen aan normen die in het
maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. Deze
normen zijn in de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving
geïnventariseerd. De Richtlijnen zijn derhalve (ook) voor
gemeenten zeer relevant, in tegenstelling tot wat het verweerschrift
wil doen geloven.
15.
In
tegenstelling tot wat het verweerschrift in opmerking 22 zegt is het
niet zo dat klachtonderdeel 4 zich toe zou spitsen op de stelling
dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet voldoet aan de
Comptabiliteitsvoorschriften, alsof de andere klachtonderdelen daar
ook al over zouden gaan. Immers de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gaan
in het geheel niet over de toepassing van de
Comptabiliteitsvoorschriften. Alleen klachtonderdeel 4 gaat
daarover.
Accountant
Bruggeman stelt in het verweerschrift dat de opvatting zoals verwoord
in opmerking 22 van het verweerschrift geheel en al uitsluitend voor
rekening van klager, i.c. mijn persoon, komt. Dat lijkt mij in strijd
met opmerking 18 in het verweerschrift waar het verweerschrift
spreekt over "harmoniseren waar het kan, differentiëren
waar het moet". Een voorbeeld van deze harmonisatie, wellicht de
belangrijkste, is te vinden in het kapstokartikel van de
Comptabiliteitsvoorschriften, artikel 3. Dezelfde woorden zijn te
vinden in het (kapstok)artikel 362 van BW boek 2, waar de
jaarrekeningvoorschriften zijn opgenomen voor NV's, BV's, etc. In
navolging van BW 2: 362 spreken de Comptabiliteitsvoorschriften in
artikel 3 ook over "normen die in het maatschappelijk verkeer
als aanvaardbaar worden beschouwd" en "zodanig inzicht dat
een verantwoord oordeel kan worden gevormd". Dat betekent dat
alle jurisprudentie over invulling van wat wel/niet voldoet aan
"normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar
worden beschouwd", ook betrekking heeft op begrotingen en
jaarrekeningen van gemeenten. Het betekent ook dat de Richtlijnen
voor de jaarverslaggeving, die een invulling beogen te geven van deze
aanvaardbare normen, Richtlijnen die in feite uitleggen wat de
consequenties zijn van het toepassen van het stelsel van baten en
lasten (dat in Comptabiliteitsvoorschriften artikel 4 wordt
voorgeschreven), geheel en al van toepassing zijn op jaarrekeningen
van gemeenten. Natuurlijk is de wetgever bij het redigeren van de
Comptabiliteitsvoorschriften hier en daar afgeweken van de tekst van
BW 2 titel 9; dat heeft te maken met de eigen aard van gemeenten.
Bepalingen over de verwerking van transacties met aandeelhouders
ontbreken in de Comptabiliteitsvoorschriften; gemeenten kennen immers
geen aandeelhouders. De bepalingen over de voorgeschreven
specificaties van vorderingen en schulden zijn in beide wetten
verschillend; de accenten liggen in gemeenten nu eenmaal anders dan
in ondernemingen. De voorschriften over toelichtingen en
specificaties bij en van reserves zijn in de
Comptabiliteitsvoorschriften uitgebreider dan in BW 2 titel 9;
gemeenten splitsen immers graag hun eigen vermogen op in allerhande
bestemmingsreserves, een fenomeen dat in het bedrijfsleven niet of
nauwelijks voorkomt. Zo zijn er meer voorbeelden te geven van
"differentiëren waar het moet".
Ik
zie niet in hoe de raadsman van accountant Bruggeman aan het slot van
zijn opmerking 22 kan zeggen: "Dit alles al ontzenuwt de visie
van klager". Ik denk dat het juist mijn visie bevestigt.
Conclusie
16.
In
februari 1998 dienen circa 60 inwoners van Wijk bij Duurstede een
verzoek in bij het gemeentebestuur om, nu uit de activiteiten van
mij blijkt dat de gemeente in 1996 niet ƒ 1,5 miljoen maar ruim f 8
miljoen meer heeft overgehouden, de OnroerendeZaakBelasting over
1996 (circa ƒ 4 miljoen) terug te betalen of anders geen OZB over
1998 te heffen.
Met
brief van 8 mei 1998 laat het gemeentebestuur hun weten:
"Voorts
zijn wij, na raadpleging van onze financiële deskundigen en de
externe accountant, ervan overtuigd dat wij de burgers de juiste
informatie over de jaarrekening 1996 hebben verstrekt", en "Het
werkelijke batig resultaat van de jaarrekening 1996 is naar onze
mening dan ook ƒ 1,5 miljoen (afgerond)."
Het
gaat dus niet om een academische discussie tussen mij en het
gemeentebestuur en de accountant. De kwestie heeft heel concrete
consequenties.
Over
mijn schouders kijken veel inwoners van Wijk bij Duurstede mee hoe de
zaak (waaronder de behandeling voor uw College) zich ontwikkelt.
17.
Aan
"RA view", een uitgave van het Koninklijk NIVRA (nummer 1
januari 2000) ontleen ik enkele passages uit een stukje met als
opschrift "De accountantsverklaring in de praktijk":
"Met
de accountantsverklaring spreekt de accountant een oordeel uit over
de door hem/haar gecontroleerde financiële verslaggeving (de
jaarrekening) van een onderneming. Wat betekent dit in de praktijk?
Het
oordeel houdt in dat de jaarrekening al dan niet 'een getrouw beeld'
geeft van de financiële positie en het resultaat van de
onderneming.
Met
deze wat ouderwets aandoende formulering wordt bedoeld dat er met een
hoge mate van zekerheid een oordeel wordt gegeven over de
betrouwbaarheid van de cijfers. In het maatschappelijk verkeer wordt
de accountantsverklaring door belanghebbenden dan ook zonder
aarzeling gebruikt om een afdoend oordeel te vormen over de
financiële situatie van een onderneming."
18.
Geeft
de accountantsverklaring bij de jaarrekening 1996 van Wijk bij
Duurstede terecht een goedkeurend oordeel over "de
betrouwbaarheid van de cijfers"? Mogen belanghebbenden de
accountantsverklaring zonder aarzeling gebruiken om "een
afdoend oordeel te vormen over de financiële situatie" van
Wijk bij Duurstede?
Stellig
niet!!
Ik
meen dat overtuigend aangetoond te hebben.
Wat
heeft dit te maken met zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften?
Helemaal
niets!!
Ik
meen ook dat overtuigend aangetoond te hebben.
Als
de accountantsverklaring dan ten onrechte een positief oordeel geeft
over de "betrouwbaarheid van de cijfers", zegt de
accountantsverklaring in ieder geval nog terecht dat de jaarrekening
ten minste nog voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften, wat dan
ook de waarde mag zijn van een onbetrouwbare jaarrekening die wèl
aan zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften voldoet?
Ook
dat niet!!
Ik
meen ook dat overtuigend aangetoond te hebben.
Interessant
is de reactie van het gemeentebestuur van Wijk bij Duurstede (klacht,
productie 4) op de eerste brief die ik het bestuur over de falende
jaarrekening stuurde (klacht, productie 3). Met mijn reactie op
genoemde reactie (klacht, productie 5) kon ik het gemeentebestuur
haarfijn laten zien hoe het mij in zijn reactie in alles mijn gelijk
voor 100% bevestigde. Interessant is dat de reactie van het
gemeentebestuur door de accountant zelf geconcipieerd was!
Ik
mag uw College verzoeken ook deze correspondentie nauwkeurig te
beoordelen.
De
accountantsverklaring spreekt ten onrechte een positief oordeel uit
over de betrouwbaarheid van de cijfers.
De
accountantsverklaring spreekt ten onrechte uit dat de jaarrekening
voldoet aan de betreffende wettelijke voorschriften.
Ten
onrechte is de accountantsverklaring opgenomen bij een
aanbiedingsbrief die ten onrechte zegt dat de jaarrekening sluit met
een positief saldo van ƒ 1,5 miljoen; ten onrechte want de
jaarrekening sluit in werkelijkheid met een positief saldo van ƒ 9,5
miljoen.
Ten
onrechte grijpt accountant Bruggeman niet in als het gemeentebestuur
in de krant een officiële mededeling plaatst dat "het saldo
was, is en blijft ƒ 1.434.534."
Accountant
Bruggeman heeft hierdoor naar mijn stellige mening verwijtbaar
gehandeld in strijd met diverse belangrijke bepalingen uit de GBR.
19.
Ik
verzoek uw College
- het
beroep gegrond te verklaren
-
de
beslissing van de Raad van Tucht te vernietigen
- alsdan
zelf de klacht opnieuw en thans ook geheel en al in behandeling te
nemen, of
- de
zaak te verwijzen naar de Raad van Tucht voor een nieuwe, en in dat
geval ook algehele, behandeling
en
hierbij alles wat ik in mijn klacht en ter nadere toelichting in mijn
beroepschrift en pleitnota's heb aangegeven, zorgvuldig te bezien en
te wegen.