Dossier: Tuchtzaken(2)
PLEITNOTA

van drs. L.W. Verhoef RA

in de zaak
L.W. Verhoef
tegen
K. Bruggeman RA

voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(zitting dd. 13 juni 2000)

procedurenummer: AWB 99/458 TK
onderwerp: 20000 Wet op de Registeraccountants
besluit d.d. 6 april 1999, nr. R168,
van Raad van tucht voor R.A. & A.A.cons.

Klacht

1.
De aanbiedingsbrief bij de jaarrekening 1996 van Wijk bij Duurstede meldt: "De jaarrekening 1996 sluit met een batig saldo van ƒ 1.434.534". Deze mededeling is onjuist. Het is wèl zo dat de rekening van baten en lasten (kortweg aangeduid als de "rekening") met een batig saldo van ƒ 1.434.534 sluit, maar de jaarrekening als geheel sluit met een heel ander bedrag, en wel van ƒ 9.585.374. En dat scheelt nogal wat!Deze aanbiedingsbrief is opgenomen in het boekwerk "Jaarrekening 1996 Wijk bij Duurstede". In dit boekwerk zit ook de jaarrekening 1996 en de accountantsverklaring daarbij. De accountantsverklaring heeft dus ook betrekking op de genoemde onjuiste mededeling in de aanbiedingsbrief.
Dat is niet onschuldig. Een rekening die eindigt met een saldo van ƒ 1.434.534, een aanbiedingsbrief bij de jaarrekening die zegt dat de jaarrekening met een saldo van ƒ 1.434.534 sluit, een goedkeurende accountantsverklaring bij dit alles, brengt iedereen tot de overtuiging dat de gemeente 1996 dus heeft afgesloten met een voordelig saldo van ƒ 1.434.534. Niemand heeft in de gaten of wil zich ervan laten overtuigen dat het werkelijke saldo ƒ 9.585.374 bedraagt. Iedereen verwijst naar de goedkeurende accountantsverklaring.
Accountant Bruggeman had volgens de GBR moeten verhinderen dat zijn accountantsverklaring bij deze onjuiste aanbiedingsbrief werd opgenomen.

2.
Vanwaar dit verschil tussen ƒ 1.434.534 en ƒ 9.585.374?

Heel eenvoudig: er zijn baten en lasten buiten de rekening om geleid. Enig speurwerk in de jaarrekening (toegegeven: het moet wel je vak zijn om dit te kunnen), m.n. in de balans en de toelichting daarbij, laten dit onomstotelijk zien.

Niet alleen dat accountant Bruggeman dit ook had moeten opvallen, het is tenslotte zijn vak, hij wist het zelfs! Accountant Bruggeman heeft willens en wetens nagelaten te verhinderen dat zijn accountantsverklaring bij die onjuiste aanbiedingsbrief werd opgenomen.

3.
Mijn activiteiten, correspondentie met het gemeentebestuur, ingezonden brieven in het plaatselijk weekblad
De Wijkse Courant proberen het gemeentebestuur en anderen ervan te overtuigen dat het werkelijke overschot in 1996 circa ƒ 8 miljoen hoger is dan het gemeentebestuur wil doen voorkomen.
Het gemeentebestuur plaatst als reactie een officiële mededeling in De Wijkse Courant waarin wordt meegedeeld dat de kwestie door de accountant onderzocht is, dat ook de accountant van mening is dat ik ongelijk heb en dat het batig saldo van alle baten en lasten "was, is en blijft ƒ 1.434.534."
Accountant Bruggeman wist heel goed dat het batig saldo niet ƒ 1.434.534 maar ruim ƒ 8 miljoen meer was. Wat in de mededeling van het gemeentebestuur was opgenomen, kan dus nooit de uitkomst van het onderzoek van accountant Bruggeman zijn geweest. Accountant Bruggeman heeft niet geprobeerd deze officiële mededeling te voorkomen. In ieder geval heeft hij na de publicatie nagelaten corrigerende maatregelen te treffen. Ook hierin heeft accountant Bruggeman strijdig met de GBR gehandeld.

4.
Door aldus te handelen heeft accountant Bruggeman ook de schijn opgeroepen alsof het zou gaan om een academische discussie waarbij de ene accountant zus en de andere accountant zò zou kunnen denken. Het gaat in het geheel niet om een academische discussie, het gaat louter en alleen om een correcte weergave van feiten. De feiten zijn: behalve de in de rekening opgenomen baten en lasten zijn er ook nog andere, niet onaanzienlijke baten en lasten, zodat het saldo van àlle in de jaarrekening opgenomen baten en lasten niet ƒ 1,5 miljoen maar ƒ 9,5 miljoen bedraagt.

Door het oproepen van de schijn van een academische discussie heeft accountant Bruggeman wederom in strijd met de GBR gehandeld.


5.
Accountant Bruggeman heeft geheel ten onrechte een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening verstrekt. Zijn verklaring bij de jaarrekening zegt (in de standaardbewoordingen):
1.  de jaarrekening geeft een betrouwbaar beeld van de financiële positie, de baten en de lasten en het saldo van die baten en lasten;
2.   de jaarrekening voldoet aan de terzake geldende wettelijke voorschriften.
Beide uitspraken, dus beide onderdelen van de accountantsverklaring, zijn onterecht.


ad 1. de jaarrekening geeft geen betrouwbaar beeld omdat ten minste ad 2. de jaarrekening voldoet niet aan de terzake geldende wettelijke voorschriften omdat ten minste Niet alleen dat het buiten de rekening om leiden van baten en lasten in strijd is met expliciet genoemde wettelijke voorschriften, het is ook in jurisprudentie bevestigd dat dit in strijd is met normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwd worden. Ook hierom voldoet de jaarrekening niet aan de wettelijke voorschriften.

Opvallend is nog bijvoorbeeld dat nog voordat accountant Bruggeman zijn accountantsverklaring afgaf, er bij het gemeentebestuur een ook bij Bruggeman bekende Nota lag, waarin stond dat veel voorzieningen verkeerd berekend en per saldo met ƒ 4,6 miljoen te hoog waren weergegeven. Opvallend is ook dat accountant Bruggeman heel goed wist dat er baten en lasten buiten de rekening om geleid waren. Accountant Bruggeman heeft dus willens en wetens ten onrechte een goedkeurende verklaring verstrekt.

Raad van Tucht

6.
Ik vind dat met het voorgaande accountant Bruggeman ernstig verwijtbaar in strijd met de GBR heeft gehandeld. Ik heb daarom een klacht daarover voorgelegd aan de Raad van Tucht voor accountants.

In mijn klacht legde ik alle feiten en constateringen, uitvoerig gedocumenteerd en onderbouwd aan de Raad van Tucht voor. Ik noemde en citeerde alle wetsartikelen en jurisprudentie waarnaar ik verwees. In mijn pleitnota voor de Raad van Tucht zette ik alles nogmaals uitvoerig op rij. In mijn pleitnota weerlegde ik uitvoerig, gedocumenteerd en onderbouwd, wat accountant Bruggeman in zijn verweerschrift tegenover mijn klacht stelde.


Mijn klacht bestond uit een viertal samenhangende onderdelen. U treft ze in mijn beroepschrift op pagina 3 en 4 nogmaals opgesomd aan.

(In mijn klacht had ik de onderdelen 3 en 4 samen als onderdeel 3 aangeduid; uit de tekst bleek dat onderdeel 3 weer in 2 sub-onderdelen, als het ware 3a en 3b, uiteenviel. In mijn beroepschrift heb ik voor alle duidelijkheid de onderdelen 3a en 3b nu als 3 en 4 genummerd.)

Groot is mijn verbazing als in de uitspraak van de Raad van Tucht niets is te vinden over drie van de vier onderdelen, zelfs niet de uitspraak dat de Raad van mening is dat accountant Bruggeman terzake niets verweten kan worden. Helemaal niets!
De Raad gaat alleen in op de vraag of de betreffende jaarrekening wel of niet voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften.
Hoewel ik expliciet aangegeven en uitvoerig toegelicht heb dat en waar de jaarrekening in flagrante strijd is met belangrijke wettelijke voorschriften en welke voorschriften dat zijn, met letterlijke aanhaling van de betreffende wetteksten, en ook met het verwijzen naar en het noemen van daarop betrekking hebbende jurisprudentie, stelt de Raad van Tucht desondanks en geheel onbegrijpelijk dat door mij niet betwist zou zijn dat de jaarrekening voldoet aan de betreffende wettelijke voorschriften. De Raad van Tucht is er daardoor niet eens aan toegekomen om tegenover mijn beweringen ten aanzien van welke concreet door mij genoemde wettelijke voorschriften en jurisprudentie de jaarrekening tekortschiet, te motiveren waarom de jaarrekening daar juist wèl aan zou voldoen en dus de accountantsverklaring terecht zou melden dat wèl aan de betreffende wettelijke voorschriften zou zijn voldaan.

In de uitspraak van de Raad van Tucht legt de Raad van Tucht mij in 5.5 in de mond dat ik kritiek zou hebben op de Comptabiliteitsvoorschriften en dat mijn klacht alleen maar zou bestaan uit kritiek op het feit dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet zou voldoen aan een door mij voorgestane andere tekst van de Comptabiliteitsvoorschriften. Onder 5.6 herhaalt de Raad van Tucht dit. Onder 5.5 gaat de Raad van Tucht er impliciet, zonder nadere onderbouwing, vanuit dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede wèl voldoet aan de bestaande Comptabiliteitsvoorschriften.
Nergens in mijn klacht of in mijn pleitnota of anderszins tijdens de zitting heb ik kritiek geuit op de bestaande CV. Mijn kritiek dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften, houdt wel degelijk in dat de jaarrekening niet voldoet aan de bestaande Comptabiliteitsvoorschriften. In tegenstelling tot wat de Raad van Tucht zegt, heeft accountant Bruggeman zich juist nìet gebaseerd op "de meergenoemde, geldende regelgeving".

De Raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Naar mijn overtuiging ten onrechte.

Beroep

7.
Het kan niet anders dan dat ik tegen de uitspraak van de Raad van Tucht in beroep ga.


Verweerschrift accountant Bruggeman

8.
Wat betreft de ontvankelijkheid van mijn klacht herhaal ik wat ik eerder in mijn pleitnota voor de Raad van Tucht zei. Mijn klacht betreft het verwijtbaar handelen dan wel nalaten van accountant Bruggeman in strijd met de GBR. In mijn klacht heb ik de betreffende bepalingen van de GBR aangegeven. Juist de Raad van Tucht en nu uw College is het aangewezen orgaan om te oordelen.

Terecht heeft de Raad van Tucht het verweer van accountant Bruggeman verworpen dat ik in mijn klacht niet ontvankelijk zou zijn, omdat, zoals de Raad van Tucht zegt, "betrokkene specifiek tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen wordt verweten".

9.
Wat betreft een marginale toetsing herhaal ik ook wat ik eerder in mijn pleitnota voor de Raad van Tucht zei. Het gaat, ik herhaal, in tegenstelling tot wat accountant Bruggeman in zijn verweerschrift voor de Raad van Tucht en ook nu weer telkens en telkens zegt, voornamelijk nìet om een discussie over een al dan niet juiste toepassing van de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften. De eerste drie onderdelen van mijn klacht hebben al helemaal niets te maken met toepassing van de Comptabiliteitsvoorschriften. Alleen het vierde onderdeel gaat over toepassing van de Comptabiliteitsvoorschriften. En dan niet of nauwelijks over interpretatie daarvan. Het gaat in dat geval om baten en lasten die buiten de rekening zijn gelaten, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften in artikel 27 uitdrukkelijk zeggen dat dat niet mag, het gaat erom dat de rekening niet het saldo van àlle baten en lasten geeft, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dat in artikel 27 toch uitdrukkelijk voorschrijven, het gaat om het niet toepassen van het stelsel van baten en lasten, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dat in artikel 4 toch uitdrukkelijk voorschrijven, en het gaat om het niet toepassen van normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dat in artikel 3 toch uitdrukkelijk voorschrijven. Dat alles heeft met "interpretatie" niets te maken, het gaat om louter objectief vast te stellen feiten.


10.
Wat betreft de indeling van de klacht en of die nu uit 3 of uit 4 onderdelen bestaat, waarover volgens het verweerschrift misverstand zou kunnen bestaan, heb ik hiervòòr uiteengezet dat het nog steeds om dezelfde klachten gaat als in eerste instantie.

11.
Uit opmerking 13 van het verweerschrift komt toch een merkwaardige situatie naar voren.
Ik begrijp uit deze opmerking dat accountant Bruggeman het geheel eens is met de inhoud van de mededeling van het gemeentebestuur op de gemeentepagina van
De Wijkse Courant van 5.11.1997 (klacht, productie 7), waarin het gemeentebestuur zegt Merkwaardig is dat accountant Bruggeman in zijn verweerschrift voor de Raad van Tucht en thans wederom dit extra onderzoek ontkent.
Nog merkwaardiger is het dat in de reactie die ik van het college van b&w ontving (klacht, productie 4) op mijn eerste brief aan de gemeenteraad over de falende jaarrekening (klacht, productie 3), het college van b&w - n.m.m. zonder dit te beseffen - toegeeft dat de jaarrekening inderdaad op de door mij aangegeven punten tekortschiet.
Het college van b&w schrijft en geeft daarmee toe dat
(Zie meer uitgebreid: klacht pagina 13.)
Het wordt nog merkwaardiger als we bedenken dat deze brief voor het college van b&w geconcipieerd is door accountant Bruggeman.

12.
De opmerkingen 16 -19 uit het verweerschrift van accountant Bruggeman voor uw College zijn niet relevant, omdat het verweer is tegen een niet door mij ingebrachte klacht. Zoals ik in mijn beroepschrift en hiervòòr in deze pleitnota uiteenzette, is mijn kritiek niet dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet voldoet aan een door mij voorgestane andere dan de huidige tekst van de Comptabiliteitsvoorschriften, maar is mijn kritiek dat de jaarrekening niet voldoet aan de geldende regelgeving.


13.
Het geven van de voorbeelden op pagina 7 van mijn beroepschrift was en is uiterst serieus bedoeld, in tegenstelling tot wat het verweerschrift in opmerking 20 wil doen vermoeden.


14.
Naar aanleiding van opmerking 21 in het verweerschrift merk ik op dat de Comptabiliteitsvoorschriften in (kapstok)artikel 3 voorschrijven dat een jaarrekening van een gemeente moet voldoen aan normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. Deze normen zijn in de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving geïnventariseerd. De Richtlijnen zijn derhalve (ook) voor gemeenten zeer relevant, in tegenstelling tot wat het verweerschrift wil doen geloven.

15.
In tegenstelling tot wat het verweerschrift in opmerking 22 zegt is het niet zo dat klachtonderdeel 4 zich toe zou spitsen op de stelling dat de jaarrekening van Wijk bij Duurstede niet voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften, alsof de andere klachtonderdelen daar ook al over zouden gaan. Immers de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gaan in het geheel niet over de toepassing van de Comptabiliteitsvoorschriften. Alleen klachtonderdeel 4 gaat daarover.
Accountant Bruggeman stelt in het verweerschrift dat de opvatting zoals verwoord in opmerking 22 van het verweerschrift geheel en al uitsluitend voor rekening van klager, i.c. mijn persoon, komt. Dat lijkt mij in strijd met opmerking 18 in het verweerschrift waar het verweerschrift spreekt over "harmoniseren waar het kan, differentiëren waar het moet". Een voorbeeld van deze harmonisatie, wellicht de belangrijkste, is te vinden in het kapstokartikel van de Comptabiliteitsvoorschriften, artikel 3. Dezelfde woorden zijn te vinden in het (kap­stok)artikel 362 van BW boek 2, waar de jaarrekeningvoorschriften zijn opgenomen voor NV's, BV's, etc. In navolging van BW 2: 362 spreken de Comptabiliteitsvoorschriften in artikel 3 ook over "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" en "zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd". Dat betekent dat alle jurisprudentie over invulling van wat wel/niet voldoet aan "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd", ook betrekking heeft op begrotingen en jaarrekeningen van gemeenten. Het betekent ook dat de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, die een invulling beogen te geven van deze aanvaardbare normen, Richtlijnen die in feite uitleggen wat de consequenties zijn van het toepassen van het stelsel van baten en lasten (dat in Comptabiliteitsvoorschriften artikel 4 wordt voorgeschreven), geheel en al van toepassing zijn op jaarrekeningen van gemeenten. Natuurlijk is de wetgever bij het redigeren van de Comptabiliteitsvoorschriften hier en daar afgeweken van de tekst van BW 2 titel 9; dat heeft te maken met de eigen aard van gemeenten. Bepalingen over de verwerking van transacties met aandeelhouders ontbreken in de Comptabiliteitsvoorschriften; gemeenten kennen immers geen aandeelhouders. De bepalingen over de voorgeschreven specificaties van vorderingen en schulden zijn in beide wetten verschillend; de accenten liggen in gemeenten nu eenmaal anders dan in ondernemingen. De voorschriften over toelichtingen en specificaties bij en van reserves zijn in de Comptabiliteitsvoorschriften uitgebreider dan in BW 2 titel 9; gemeenten splitsen immers graag hun eigen vermogen op in allerhande bestemmingsreserves, een fenomeen dat in het bedrijfsleven niet of nauwelijks voorkomt. Zo zijn er meer voorbeelden te geven van "differentiëren waar het moet".

Ik zie niet in hoe de raadsman van accountant Bruggeman aan het slot van zijn opmerking 22 kan zeggen: "Dit alles al ontzenuwt de visie van klager". Ik denk dat het juist mijn visie bevestigt.

Conclusie

16.
In februari 1998 dienen circa 60 inwoners van Wijk bij Duurstede een verzoek in bij het gemeentebestuur om, nu uit de activiteiten van mij blijkt dat de gemeente in 1996 niet ƒ 1,5 miljoen maar ruim f 8 miljoen meer heeft overgehouden, de OnroerendeZaakBelasting over 1996 (circa ƒ 4 miljoen) terug te betalen of anders geen OZB over 1998 te heffen.

Met brief van 8 mei 1998 laat het gemeentebestuur hun weten:
"Voorts zijn wij, na raadpleging van onze financiële deskundigen en de externe accountant, ervan overtuigd dat wij de burgers de juiste informatie over de jaarrekening 1996 hebben verstrekt", en "Het werkelijke batig resultaat van de jaarrekening 1996 is naar onze mening dan ook ƒ 1,5 miljoen (afgerond)."
Het gaat dus niet om een academische discussie tussen mij en het gemeentebestuur en de accountant. De kwestie heeft heel concrete consequenties.
Over mijn schouders kijken veel inwoners van Wijk bij Duurstede mee hoe de zaak (waaronder de behandeling voor uw College) zich ontwikkelt.

17.
Aan "RA view", een uitgave van het Koninklijk NIVRA (nummer 1 januari 2000) ontleen ik enkele passages uit een stukje met als opschrift "De accountantsverklaring in de praktijk":

"Met de accountantsverklaring spreekt de accountant een oordeel uit over de door hem/haar gecontroleerde financiële verslaggeving (de jaarrekening) van een onderneming. Wat betekent dit in de praktijk?

Het oordeel houdt in dat de jaarrekening al dan niet 'een getrouw beeld' geeft van de financiële positie en het resultaat van de onderneming.
Met deze wat ouderwets aandoende formulering wordt bedoeld dat er met een hoge mate van zekerheid een oordeel wordt gegeven over de betrouwbaarheid van de cijfers. In het maatschappelijk verkeer wordt de accountantsverklaring door belanghebbenden dan ook zonder aarzeling gebruikt om een afdoend oordeel te vormen over de financiële situatie van een onderneming."

18.
Geeft de accountantsverklaring bij de jaarrekening 1996 van Wijk bij Duurstede terecht een goedkeurend oordeel over "de betrouwbaarheid van de cijfers"? Mogen belanghebbenden de accountantsverklaring zonder aarzeling gebruiken om "een afdoend oordeel te vormen over de financiële situatie" van Wijk bij Duurstede?

Stellig niet!!

Ik meen dat overtuigend aangetoond te hebben.
Wat heeft dit te maken met zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften?
Helemaal niets!!
Ik meen ook dat overtuigend aangetoond te hebben.
Als de accountantsverklaring dan ten onrechte een positief oordeel geeft over de "betrouwbaarheid van de cijfers", zegt de accountantsverklaring in ieder geval nog terecht dat de jaarrekening ten minste nog voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften, wat dan ook de waarde mag zijn van een onbetrouwbare jaarrekening die wèl aan zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften voldoet?
Ook dat niet!!
Ik meen ook dat overtuigend aangetoond te hebben.

Interessant is de reactie van het gemeentebestuur van Wijk bij Duurstede (klacht, productie 4) op de eerste brief die ik het bestuur over de falende jaarrekening stuurde (klacht, productie 3). Met mijn reactie op genoemde reactie (klacht, productie 5) kon ik het gemeentebestuur haarfijn laten zien hoe het mij in zijn reactie in alles mijn gelijk voor 100% bevestigde. Interessant is dat de reactie van het gemeentebestuur door de accountant zelf geconcipieerd was!
Ik mag uw College verzoeken ook deze correspondentie nauwkeurig te beoordelen.

De accountantsverklaring spreekt ten onrechte een positief oordeel uit over de betrouwbaarheid van de cijfers.
De accountantsverklaring spreekt ten onrechte uit dat de jaarrekening voldoet aan de betreffende wettelijke voorschriften.
Ten onrechte is de accountantsverklaring opgenomen bij een aanbiedingsbrief die ten onrechte zegt dat de jaarrekening sluit met een positief saldo van ƒ 1,5 miljoen; ten onrechte want de jaarrekening sluit in werkelijkheid met een positief saldo van ƒ 9,5 miljoen.
Ten onrechte grijpt accountant Bruggeman niet in als het gemeentebestuur in de krant een officiële mededeling plaatst dat "het saldo was, is en blijft ƒ 1.434.534."

Accountant Bruggeman heeft hierdoor naar mijn stellige mening verwijtbaar gehandeld in strijd met diverse belangrijke bepalingen uit de GBR.

19.
Ik verzoek uw College

en hierbij alles wat ik in mijn klacht en ter nadere toelichting in mijn beroepschrift en pleitnota's heb aangegeven, zorgvuldig te bezien en te wegen.