drs.
L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard
13
3962
JR Wijk bij Duurstede
Wijk
bij Duurstede,
30 juli 2004
President
van het
College
van Beroep voor het bedijfsleven
Postbus
20021
2500
EA 's-Gravenhage
Betreft: - Klacht inzake behandeling beroepzaken
- Verzoek om herziening van
uitspraken
- Procedures: AWB 03/263, AWB 03/266,
AWB 03/1171, AWB 03/1172,
AWB 03/1173, AWB 03/1174, AWB 03/1175,
AWB 02/1398
Geachte
heer President,
Klacht
en Verzoek tot revisie
Al
enige jaren strijd ik tegen de misstand dat in de jaarrekeningen van veel
gemeenten (en provincies) een totaal misleidend beeld wordt gegeven van de
omvang van de baten en de lasten en het saldo daarvan en van de financiële
positie. Het komt regelmatig voor, vaak tot zeer grote bedragen, dat baten en
lasten helemaal niet in de rekening van baten en lasten worden opgenomen,
waardoor uiteraard het saldo waarmee de rekening dan eindigt, niet het saldo is
van alle baten en lasten. Desondanks wordt dit foute en onvolledige saldo als
het saldo van alle baten en lasten genoemd. Vrijwel steeds worden op deze
misleidende manier grote overschotten verzwegen. Tegenwoordig noemen we dit
boekhoudfraude.
Boekhoudfraude
komt dus niet alleen voor bij het bedrijfsleven, maar blijkbaar ook bij de
(lokale) overheid. Dat is niet zonder gevaar. Gemeenteraden moeten aan de hand
van de rekening van baten en lasten in vergelijking met de begroting controleren
of het gemeentebestuur bijvoorbeeld geen uitgaven heeft gedaan buiten de
begroting om. Daarvoor hebben zij uiteraard wel betrouwbare, dus juiste en volledige, cijfers in die rekening nodig. Een
ander voorbeeld: (mede) op grond van het saldo waarmee de rekening sluit, moeten
gemeenteraden beslissen over de hoogte en verhogingen van de lokale belastingen
en heffingen, zoals de onroerendezaakbelasting. Het is dan noodzakelijk dat de
gemeenteraden kunnen beschikken over betrouwbare, dus juiste en volledige,
cijfers. Misleidende cijfers leiden gemakkelijk tot verkeerde beslissingen.
Onderzoek van mij heeft mij laten zien dat die cijfers bij veel gemeenten verre
van juist en verre van volledig, dus zeer onbetrouwbaar, dus misleidend, zijn.
We weten allemaal van de vele verhogingen van de lokale lasten met percentages
die de inflatie te boven gaan. Dit is bij verschillende gemeenten ongetwijfeld
mede het gevolg van boekhoudfraude.
Na
grondig onderzoek heb ik in twintig gevallen van door mij geconstateerde
boekhoudfraude bij Justitie daarvan (i.c. van valsheid in geschrifte in een
jaarrekening) aangifte gedaan. In deze twintig gevallen gaat het om een
boekhoudfraude van in totaal circa vijf miljard euro, een veelvoud bijvoorbeeld
van de boekhoudfraude bij Ahold, waar Justitie inmiddels een onderzoek is
gestart. Gemeente Amsterdam spant de kroon; daar is de boekhoudfraude inmiddels
vanaf 1998 opgelopen naar circa 2 miljard euro.
Bij
al deze misleidende jaarrekeningen staan desondanks goedkeurende
accountantsverklaringen. Verbijsterend! Gemeenteraden gaan af op die
goedkeurende accountantsverklaringen. Voor hen betekent een goedkeurende
accountantsverklaring dat de accountant heeft vastgesteld dat de cijfers in die
jaarrekening betrouwbaar, d.w.z. juist en volledig, en dus niet misleidend zijn.
Voor hen betekent een goedkeurende accountantsverklaring dat het saldo waarmee
de rekening eindigt, het saldo is van alle ontvangsten en uitgaven. Voor hen is
het onvoorstelbaar dat er, ondanks de goedkeurende accountantsverklaring,
ontvangsten en uitgaven buiten de rekening zouden zijn gelaten. Voor een
gemeenteraad, zo is mijn herhaalde ervaring, is het onvoorstelbaar dat, als ik
na onderzoek een gemeenteraad laat weten dat de weergave van de baten en de
lasten en de weergave van het saldo daarvan verre van juist is, ik daarin gelijk
zou hebben. Zij verwijzen steeds onmiddellijk naar die goedkeurende
accountantsverklaring. Een goedkeurende accountantsverklaring waar vaak veel
geld voor betaald is. Dit is onacceptabel.
In
mijn strijd om de misstand van de (vaak grote) boekhoudfraudes bij veel
gemeenten aan de kaak te stellen heb ik circa vijftien accountants, betrokken
bij twaalf gevallen van door mij geconstateerde boekhoudfraude, aangeklaagd bij
de Raad van Tucht voor Accountants en in beroep bij uw College, het College van
Beroep voor het bedrijfsleven. Onlangs (i.c. 14 juli 2004) deed het College
uitspraak in beroep in acht zaken. In alle acht zaken sprak het College de
betreffende accountants vrij. Niet omdat ik ongelijk zou hebben in mijn
beweringen over misleidende jaarrekeningen met verzwegen ontvangsten en uitgaven
en een onjuist weergegeven saldo van ontvangsten en uitgaven, maar louter en
alleen door procedurefouten en
andere schrikbarende
onzorgvuldigheden. Ondanks mijn zeer zorgvuldig voorbereide beroepschriften
en pleitnota's.
De
gevolgen van deze schromelijke tekortkomingen van het College, en daarvoor in
eerste aanleg door de Raad van Tucht, laten zich raden en zijn desastreus.
Niemand kan begrijpen hoe accountants bij constatering van op grote schaal
gepleegde boekhoudfraude toch vrijuit zouden gaan. Gemeenteraden leiden uit deze
vrijspraken af dat ik "dus" ongelijk heb in mijn beweringen over verzwegen en
verkeerd weergegeven (saldi van) ontvangsten en uitgaven, en laten na maatregelen te treffen die een einde moeten
maken aan de boekhoudfraudes. De eerste aangifte bij Justitie tegen mij vanwege
smaad en het opzettelijk doen van een valse aangifte is al gedaan. De
boekhoudfraudes, zo leert de ervaring mij, gaan in volle omvang gewoon door.
Gemeenteraden worden blijvend voorzien van foute en gemanipuleerde cijfers.
Desastreus is ook de uitwerking naar Justitie. Het Openbaar Ministerie weigert
serieuze aandacht aan mijn aangiften te besteden. Mijn aangiften worden een voor
een geseponeerd onder verwijzing naar de vrijspraak van de aangeklaagde
accountants door Raad van Tucht en
College van Beroep en met motivering dat mijn beweringen over verzwegen
ontvangsten en uitgaven en noemen van onbetrouwbare saldi van ontvangsten en
uitgaven en over misleidende jaarrekeningen "dus" onwaar
zijn.
Desastreus
is ook de uitwerking waar het gaat om de geloofwaardigheid van
accountantsverklaringen in het algemeen. De enkelingen die doorzien dat ik
volkomen gelijk heb in mijn beweringen over misleidende jaarrekeningen van de
betreffende gemeenten, hebben verbijsterd kennis genomen van de uitspraken van
Raad van Tucht en College van Beroep, en vragen zich af wat nog de waarde is van
een accountantsverklaring in het algemeen.
Om
deze reden ben ik genoodzaakt hierdoor een klacht aan u als President van het
College voor te leggen inzake vergaand onzorgvuldig en onjuist handelen van het
College.
Om
dezelfde reden doe ik u hierdoor tevens het dringende verzoek om herziening (revisie) van de
uitspraken na een nieuwe behandeling van de betreffende zaken door uw College.
Nu door terzake kundige rechters.
Toelichting
Om
de zaken niet te ingewikkeld te maken, was mijn klacht in deze zaken steeds dat
de goedkeurende accountantsverklaring ten onrechte gegeven was, omdat die
accountantsverklaringen geheel ten onrechte ook zeiden dat de jaarrekening zou
voldoen aan de relevante wettelijke voorschriften, i.c. de
Comptabiliteitsvoorschriften. Mijn klacht bestond telkens uit drie
onderdelen:
- In de rekening van baten en lasten ontbreken
bedragen, terwijl toch de Comptabiliteitsvoorschriften uitdrukkelijk
voorschrijven dat àlle baten en lasten ìn de rekening moeten worden opgenomen
(artikel 27 eerste deel);
- In de rekening van baten en lasten ontbreekt
het saldo van alle baten en lasten, terwijl toch de Comptabiliteitsvoorschriften
uitdrukkelijk voorschrijven dat ìn de rekening dit saldo van alle baten en
lasten moet worden opgenomen (artikel 27 tweede deel);
- De jaarrekening is misleidend, i.c. de
jaarrekening geeft beslist niet dàt inzicht waar door een verantwoord oordeel
kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten
(artikel 3).
(Ik
heb mij in deze zaken beperkt tot het (onterechte) tweede oordeel in de
betreffende accountantsverklaringen, namelijk over de toepassing van de
relevante wettelijke voorschriften. Het eerste oordeel in de
accountantsverklaring, namelijk of de jaarrekening betrouwbaar, dus niet
misleidend, is, valt samen met de wettelijke eis in artikel 3 van de
Comptabiliteitsvoorschriften dat de jaarrekening betrouwbaar moet
zijn.)
De
Raad van Tucht in eerste aanleg sprak terzake van het eerste klachtonderdeel
(ten onrechte) uit dat Comptabiliteitsvoorschriften artikel 27 eerste deel nìet
zou voorschrijven dat alle baten en alle lasten ìn de rekening moeten staan. De
Raad van Tucht heeft telkens het tweede klachtonderdeel geheel onbehandeld
gelaten. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel sprak de Raad van Tucht uit
dat het, gezien mijn meerdere klachten, blijkbaar niet ongebruikelijk is dat
gemeentebesturen baten en lasten buiten de rekening laten en een verkeerd saldo
van baten en lasten presenteren, zodat accountants niets te verwijten valt als
zij daar goedkeurende accountantsverklaringen bij geven. Een verbijsterende
uitspraak! De Raad van Tucht ging geheel voorbij aan de alles overstijgende eis
dat een jaarrekening, ook die van een gemeente, op de allereerste plaats
betrouwbaar moet zijn en niet misleidend mag zijn en dat dat ook de alles
overstijgende eis is van artikel 3 van de Comptabiliteitsvoorschriften. De Raad
van Tucht ging ook geheel voorbij aan de (door mij telkens uitdrukkelijk
genoemde) vaste en herhaalde jurisprudentie (Gerechtshof te Amsterdam) dat een
jaarrekening niet voldoet aan de betrouwbaarheidseis die ook in
Comptabiliteitsvoorschriften artikel 3 genoemd is, als in de rekening van baten
en lasten niet alle baten en lasten zijn opgenomen!
In
beroep bij het College van Beroep sprak het College in zijn uitspraken van 14
juli jl. uit dat ik accountants "niet nodeloos met een zulk een tuchtklacht" mag
lastigvallen (3.3.2) en dat ik ook het College van Beroep niet mag lastigvallen
met dit soort klachten (3.3.1 en 3.3.2). Het College gaat er blijkbaar geheel
aan voorbij dat het College door de wet uitdrukkelijk is aangewezen als
beroepinstantie! Het College heeft mijn klachten niet in beroep willen
behandelen ("... tot de slotsom dat inhoudelijke beoordeling van de onderhavige
klacht van appellant tegen ... achterwege moet blijven."; 3.3.5). Alweer
verbijsterend! Ging de Raad van Tucht nog in op mijn klachten, zij het met
verbijsterende uitkomsten, het College van Beroep liet mijn beroep geheel
onbehandeld. Maar sprak wèl de betreffende accountants vrij! Die daarna lustig
kunnen doorgaan met het goedkeuren van misleidende
jaarrekeningen.
Het
College van Beroep wijst in zijn uitspraken van 14 juli jl. naar een eerdere
uitspraak van Raad van Tucht en College van Beroep (AWB 99/458 d.d. 4 juli 2000)
op een eerder door mij aanhangig gemaakte klacht tegen een accountant die een
goedkeurende verklaring had gegeven bij een jaarrekening van een gemeente waarin
eveneens baten en lasten in de rekening ontbraken (en waarin overigens nog veel
meer onoverkomelijke tekortkomingen voorkwamen). Op volstrekt laakbare wijze
hebben Raad van Tucht en College van Beroep in die zaak de behandeling van de
klacht afgedaan. Zonder goed mijn klaagschrift en vervolgens beroepschrift en
pleitnota's te lezen, mij woorden in de mond leggend die ik nooit gezegd of
geschreven heb, mijn woorden verdraaiend, de meeste klachtonderdelen onbehandeld
latend, de wèl behandelde klachtonderdelen zodanig verkeerd weergevend waardoor
heel andere klachten ontstonden, en voorbijgaand aan veel belangrijke
uitlatingen mijnerzijds, hebben Raad van Tucht en College van Beroep
toentertijd - volkomen ten onrechte -
geconcludeerd dat ik zou vinden dat de betreffende accountant zich niet aan de
van toepassing zijnde Comptabiliteitsvoorschriften had mogen houden, en dat ik
niet de Comptabiliteitsvoorschriften had geciteerd als relevante wetgeving maar
het Burgerlijk Wetboek, en mijn klachten volgens een redenering waaraan elke
logica ontbreekt, ongegrond verklaard. Ook toen al een verbijsterende gang van
zaken.
Over
deze gang van zaken heb ik mij indertijd met brief aan u, President van het
College van Beroep, ook al beklaagd (brief d.d. 14 juli
2000).
In
zijn uitspraken van 14 juli jl. zegt het College mijn beroep onbehandeld te
hebben gelaten omdat het College mijn klacht, althans wat Raad van Tucht en
College van Beroep daarvan gemaakt hadden, waarover de uitspraak van 4 juli 2000
ging, ook al ongegrond had verklaard. En zo haalt de ene gerechtelijke dwaling
de andere gerechtelijke dwaling uit.
Door
in de onderhavige procedures het beroep niet te behandelen maar eenvoudigweg te
verwijzen naar de uitspraak in de eerdere procedure (uitspraak van 4 juli 2000)
heeft de betreffende Kamer voorkomen dat zij een oordeel moest geven over het
werk van de Kamer die de uitspraak van 4 juli 2000 deed. Dat is niet geheel
toevallig: in de Kamer van toen en de Kamer van thans hadden beide keren zitting
mr. B. Verwayen (voorzitter) en mr. H.C.
Cusell.
Niet
voor niets had ik (met brief van 28 april 2004) tegen voorzitter mr. B. Verwayen
een verzoek tot wraking ingediend. Uit heel zijn lichaamstaal tijdens de
mondelinge behandeling in de zitting van 22 april 2004 bleek zijn
vooringenomenheid en onwil om zijn fouten in de eerdere procedure in te zien en
te herstellen. (Het verzoek om wraking is met beslissing van 5 juli 2004
afgewezen.)
Uitdrukkelijk
had ik in mijn klaagschriften in de nieuwe procedures (de procedures die geleid
hebben tot de uitspraken van 14 juli jl.) erop gewezen dat ik nìet uit het
Burgerlijk Wetboek citeerde maar uit de Comptabiliteitsvoorschriften. De Raad
van Tucht had dit nù begrepen, en in tegenstelling tot de behandeling van de
eerste zaak had de Raad van Tucht zich nu wèl uitgelaten over interpretatie van
die Comptabiliteitsvoorschriften. (Zij het met een verbijsterende uitkomst.)
Daardoor ontstond een nieuwe situatie ten opzichte van de eerdere procedure!
Uitdrukkelijk had ik het College er thans op gewezen dat de Raad van Tucht de
verschrikkelijke fout van de vorige keer had hersteld door nu te erkennen dat ik
wel degelijk de Comptabiliteitsvoorschriften citeerde, en dat hierdoor een
nieuwe situatie was ontstaan. Ik had het College van Beroep gevraagd zich in
beroep uit te spreken over de interpretatie van de Raad van Tucht van de door
mij aangedragen bepalingen uit de Comptabiliteitsvoorschriften. Het College
heeft dat niet gedaan. Het College (i.c. de betreffende Kamer) heeft niet willen
inzien dat er een nieuwe situatie was ontstaan waarover hij zich diende uit te
laten, daarmee een oordeel over eigen slecht werk (van twee van de drie leden
van de Kamer) in de eerdere procedure voorkomend. Onder 3.3.3 van de uitspraken
van 14 juli 2004 zegt het College: "Van gewijzigde inzichten aangaande de eisen
die uit de terzake geldende regelgeving ... voortvloeien voor het opstellen van
(en dientengevolge het afgeven van een verklaring bij) jaarrekeningen als de
onderhavige, is naar het oordeel van het College geen sprake." Een onterechte
conclusie derhalve! In de eerste procedure zijn die eisen helemaal niet aan de
orde geweest. Die zijn pas nu in de tweede ronde voor het eerst aan de orde
geweest!
Dus
zijn mijn klachten tegen de betreffende accountants in beroep de facto nog nooit inhoudelijk door het
College behandeld!
En
zo zijn mijn klachten tegen de accountant in de zaak waarover het College op 4
juli 2000 uitspraak deed, door Raad van Tucht en College van Beroep grotendeels
überhaupt niet behandeld, en zijn de klachtonderdelen die wel "in behandeling"
genomen zijn, de facto ook
inhoudelijk niet behandeld.
En
zo is klachtonderdeel 2 in de nieuwe serie van klachtzaken door de Raad van
Tucht alweer onbehandeld gelaten. (En zo ook door het College van
Beroep.)
En
zo zijn accountants vrijgesproken van het geven van goedkeurende
accountantsverklaringen bij misleidende jaarrekeningen.
Met
alle desastreuze gevolgen van dien.
En
dus gaan de boekhoudfraudes bij veel gemeenten gewoon
door.
Met
alle desastreuze gevolgen van dien.
En
zo blijven er goedkeurende accountantsverklaringen gegeven worden bij
misleidende jaarrekeningen.
Met
alle desastreuze gevolgen van dien.
En
zo word ik door nagenoeg niemand geloofd als ik beweer dat de jaarrekeningen van
veel gemeenten ronduit misleidend zijn.
Met
alle desastreuze gevolgen van dien.
Verzoek
om revisie
Ik
herhaal mijn dringende verzoek om
herziening (revisie) van de uitspraken van uw College van 14 juli 2004 na
een nieuwe behandeling van de betreffende zaken door uw College. Nu door terzake
kundige rechters.
Klacht
Ik
leg de inhoud van deze brief ook voor aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad
der Nederlanden als toelichting op mijn aan de Procureur-Generaal te richten
klacht over het functioneren van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
in deze procedures.
Overige
toezending
Ik
leg de inhoud van deze brief eveneens voor aan het College van
procureurs-generaal te 's-Gravenhage, welk college de behandeling door het
Openbaar Ministerie van mijn aangiften van boekhoudfraude bij verschillende
gemeenten coördineert.
Ik
leg de inhoud van deze brief eveneens voor aan de Minister van Justitie, die ik
regelmatig informeer over de voortgang van de behandeling van mijn aangiften van
boekhoudfraude bij verschillende gemeenten.
Ik
leg de inhoud van deze brief eveneens voor aan de Hoofdofficier van Justitie te
Utrecht, die de aangifte tegen mij van smaad en het doen van valse aangiften in
behandeling heeft.
Met
hoogachting,
drs.
L.W. Verhoef
registeraccountant