drs.
L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard
13
3962
JR Wijk bij Duurstede
Pleitnota
van
drs. L.W. Verhoef RA MGA
in
de zaken
L.W.
Verhoef
tegen:
1. E.
van Milligen (gemeente Tiel)(AWB 03/264)
2. R.J.M.
Boon (gemeente Utrecht) (AWB 03/265)
3. G.P.Th.M.
Kloppenberg (gemeente 's-Hertogenbosch) (AWB 03/267)
4. P.K.
Elsma en R.A. Vierbergen (gemeente Den Haag) (AWB 03/1176)
voor
het College van Beroep voor het bedrijfsleven
te
's-Gravenhage
Zitting:
24 februari 2005
Geacht
College,
Wat
betreft de onderhavige zaken heb ik naar mijn mening in mijn
klaagschriften, mijn pleitnota's voor de Raad van Tucht en in mijn
beroepschriften en Nadere Memories duidelijk aangegeven wat de inhoud
van mijn klachten is en waarom ik bij uw College in beroep ben gegaan
van de uitspraken van de Raad van Tucht. Ik volsta daarom thans met
het aangeven van het belang van deze zaken en een samenvatting van
het verloop van de behandeling van mijn klachten bij de Raad van
Tucht. Ik zal ook ingaan op het in de verweerschriften gevoerde
verweer. Ik zal ook ingaan op de eerdere behandeling door uw College
van soortgelijke klachten.
Belang
Jaarrekeningen
van gemeenten zijn belangrijke documenten. Met een jaarrekening legt
het College van burgemeester en wethouders rekening en verantwoording
af aan de gemeenteraad over de aanwending van de gemeenschapsgelden,
en over de financiële positie van de gemeente. Het overgrote
deel van de ontvangen gelden zijn belastinggelden, waaronder de
Onroerendezaakbelasting. Met de jaarrekening legt het gemeentebestuur
tevens rekening en verantwoording af aan de belastingbetalers,
waaronder op de eerste plaats de inwoners van de gemeente zelf. Uit
de jaarrekening moet aan de burgers bijvoorbeeld de noodzaak blijken
van de hoogte en de verhogingen van de Onroerendezaakbelasting. Uit
de jaarrekening moet bijvoorbeeld ook blijken of het gemeentebestuur
in het afgelopen jaar terecht heeft gezegd dat er geen geld
beschikbaar was voor allerhande door gemeenteraad en burgers
aangedragen gewenste voorzieningen. Aan de hand van de jaarrekening
moet de gemeenteraad kunnen controleren of het gemeentebestuur binnen
de door de gemeenteraad vastgestelde begrotingsbedragen is gebleven.
Overschrijding van begrotingsbedragen is onrechtmatig. Een belangrijk
onderdeel van de jaarrekening is dus de rekening
van baten en lasten
(c.q. winst-en-verliesrekening, exploitatierekening, kortweg:
rekening, of anderszins genoemd). In de rekening van baten en lasten
moeten de werkelijke ontvangsten en uitgaven opgenomen worden naast
de daarvoor door de gemeenteraad vastgestelde begrotingsbedragen. Het
is uiteraard de bedoeling dat wat als "werkelijke ontvangsten en
uitgaven" wordt gepresenteerd, inderdaad de volledige werkelijke
ontvangsten en uitgaven zijn. Eventuele verschillen tussen de begrote
(= toegestane) bedragen en de werkelijke bedragen moeten aldus
zichtbaar gemaakt worden en door de gemeenteraad alsnog worden
goedgekeurd. Of eventueel afgekeurd.
Het
is dus van het allergrootste belang dat die jaarrekening betrouwbaar
is.
Het
is van het allergrootste belang dat wat er staat, dat dat
waar is.
Het is van het allergrootste belang dat de rekening van baten en
lasten volledig
en correct
alle
baten en alle
lasten aangeeft naast alle daarvoor begrote bedragen. Het is van het
allergrootste belang dat wat onderaan de rekening van baten en lasten
als saldo wordt gepresenteerd, geheel en al overeenkomt met wat dat
bedrag suggereert, namelijk het uiteindelijke saldo van alle
baten en alle
lasten. Het is ook van het allergrootste belang dat de jaarrekening
duidelijk
is in de presentatie. De gemeenteraad bestaat immers voornamelijk, zo
niet geheel, uit niet-jaarrekeningtechnisch-geschoolde welwillende
amateurs. Hetzelfde geldt voor de meeste burgers.
Ook
de wetgever heeft het van het allergrootste belang geacht dat de
jaarrekening betrouwbaar
is. De wetgever heeft daarvoor de zogenoemde
Comptabiliteitsvoorschriften uitgevaardigd. Deze
Comptabiliteitsvoorschriften schrijven meteen aan het begin (in
artikel 3) uitdrukkelijk voor dat de jaarrekening op de allereerste
plaats betrouwbaar
moet zijn. Het moet waar
zijn, en ondubbelzinnig zijn, wat er staat. De presentatie van de
cijfers moet tot juiste conclusies leiden. De
Comptabiliteitsvoorschriften verwoorden dit als volgt: "De
jaarrekening geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel
kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten
en de lasten" (artikel 3). Ook schrijven die
Comptabiliteitsvoorschriften in verschillende artikelen uitdrukkelijk
voor dat de gepresenteerde informatie duidelijk
moet zijn, zoals bijvoorbeeld in artikel 27 waar het gaat over de
baten en de lasten en het saldo daarvan.
Dat
was voor de wetgever nog niet voldoende. De Gemeentewet schrijft ook
een accountantscontrole van de gemeentelijke jaarrekening voor. Het
is de allereerste
taak van de accountant, zo zegt de Gemeentewet (artikel 213), te
onderzoeken of de jaarrekening betrouwbaar
is, met andere woorden: te onderzoeken of het allemaal waar
is wat het gemeentebestuur in de jaarrekening voorhoudt over de
financiële positie en over de ontvangsten en de uitgaven en over
het saldo daarvan. De accountant moet op de allereerste
plaats onderzoeken en verklaren of de jaarrekening betrouwbaar
is, of het allemaal waar
is wat er staat. Daarna
en pas op de tweede
plaats moet de accountant ook nog onderzoeken en verklaren of de
jaarrekening voldoet aan allerlei in de Comptabiliteitsvoorschriften
gestelde eisen wat betreft verplicht toe te voegen specificaties en
toelichtingen.
Maar
wat is de praktijk?
Mij
is gebleken dat de jaarrekeningen van veel gemeenten volstrekt niet
betrouwbaar
zijn. Om het in gewoon Nederlands te zeggen: De jaarrekeningen (en
begrotingen) van veel gemeenten zijn een volslagen incompetente
amateuristische bij elkaar geraapte chaos van cijfers en woorden waar
iemand in een enthousiaste bui het woord "Jaarrekening"
boven heeft gezet en waar een ander iemand in een even enthousiaste
bui een goedkeurende accountantsverklaring bij gezet heeft.
De
jaarrekeningen van veel gemeenten, waaronder de thans aan de orde
zijnde, zijn ronduit misleidend.
Met name waar het gaat om de presentatie van de baten en de lasten en
het saldo daarvan. Het komt regelmatig voor dat het saldo van de
rekening van baten en lasten nìet het saldo is van àlle
baten en lasten, waaruit dus volgt dat er bedragen ontbreken in de
rekening. Ik kan als ervaren "jaarrekeningtechnicus" na
enig speurwerk aan het ontbreken van de noodzakelijke consistentie
tussen balans en rekening van baten en lasten zien dat het saldo van
de rekening onvolledig en dus onjuist is. Zonder overigens te kunnen
zien wèlke baten en lasten in concreto ontbreken. Echter een
terzake niet geschoolde jaarrekeninglezer kan dat allemaal volstrekt
niet zien, omdat hij/zij totaal geen weet heeft van een noodzakelijke
consistentie tussen balans en rekening en al helemaal niet weet hoe
hij/zij een eventuele inconsistentie kan vaststellen en moet
interpreteren. Het zou nog tot daarentoe zijn als, ingeval van een
onvolledige rekening, de toelichting bij de rekening duidelijk zou
maken dat er in de rekening bedragen ontbreken en dat het als zodanig
gepresenteerde saldo nìet het saldo is van alle baten en
lasten, en welke posten en welke bedragen in de rekening ontbreken en
wat het werkelijke saldo is van alle baten en lasten. Maar dat ben ik
nog nooit tegengekomen. Ik ben dat nooit tegengekomen, dus ook niet
in de thans aan de orde zijnde jaarrekeningen, laat staan dat ik ben
tegengekomen dat de toelichting een en ander voor niet terzake
geschoolde jaarrekeninggebruikers dùidelijk aangeeft. Niets
van dat alles. Het tegendeel is meestal zelfs waar. In bijna alle
gevallen bevestigt de toelichting bij de rekening en de toelichting
bij de jaarrekening (in bijvoorbeeld het bestuursverslag) zelfs het
verkeerde beeld door het onvolledige saldo expliciet als het saldo
van alle baten en lasten te noemen. Dat geldt bijvoorbeeld in de
onderhavige zaak voor de jaarrekeningen van de gemeenten
's-Hertogenbosch, Tiel en Utrecht. En dat maakt al deze
jaarrekeningen hoogst onbetrouwbaar
en daardoor hoogst misleidend.
De gemeenteraad en de belangstellende burgers zien niet en kunnen
niet zien dat er bedragen in de rekening ontbreken en kunnen niet
zien wat bijvoorbeeld de werkelijke verschillen zijn tussen begrote
uitgaven en werkelijke uitgaven. De gemeenteraad en de
belangstellende burgers zien niet wat het werkelijke saldo is van de
baten en de lasten en wat de echte financiële ruimte in het jaar
was. Integendeel, zij worden door de gevolgde presentatie totaal op
het verkeerde been gezet. Zij denken dat wat zij zien, de volledige
werkelijke ontvangsten en uitgaven zijn, en zij denken het werkelijke
saldo daarvan te zien en vormen zich op basis daarvan een oordeel
over de baten en de lasten en het saldo daarvan. Een onjuist oordeel
dus.
Gemeenteraad
en andere gebruikers van de jaarrekening gaan ook in goed vertrouwen
volledig af op de goedkeurende accountantsverklaringen bij deze
misleidende jaarrekeningen. Zij gaan ervan uit dat een goedkeurende
accountantsverklaring inhoudt dat de jaarrekening betrouwbaar is. Zo
zou het wèl moeten zijn. Echter in alle gevallen die ik thans
aan uw College voorleg, is dat vertrouwen in die goedkeurende
accountantsverklaring volkomen misplaatst. Verbijsterend!
Raad
van Tucht
Om
deze misstand aan de orde te stellen heb ik een aantal accountants
voor hun ten onrechte gegeven goedkeurende accountantsverklaringen
bij de Raad van Tucht aangeklaagd. Om de zaak niet te ingewikkeld te
maken heb ik slechts aan de orde gesteld dat de goedkeurende
accountantsverklaring ten onrechte verstrekt is omdat de
accountantsverklaring, behalve dat de jaarrekening een betrouwbaar
beeld zou geven van de financiële positie, van de baten en de
lasten en van het saldo daarvan, ten onrechte ook zegt dat de
jaarrekening zou voldoen aan de relevante wettelijke voorschriften,
i.c. de Comptabiliteitsvoorschriften. Mijn klacht bestond telkens uit
drie onderdelen:
1. In
de rekening van baten en lasten ontbreken bedragen, terwijl toch de
Comptabiliteitsvoorschriften uitdrukkelijk voorschrijven dat àlle
baten en lasten ìn
de rekening moeten worden opgenomen (artikel 27 eerste deel);
2. In
de rekening van baten en lasten ontbreekt het saldo van alle
baten en lasten, terwijl toch de Comptabiliteitsvoorschriften
uitdrukkelijk voorschrijven dat ìn
de rekening dit saldo van alle baten en lasten moet worden opgenomen
(artikel 27 tweede deel);
3. De
jaarrekening is onbetrouwbaar
en zet daardoor de gebruikers totaal op het verkeerde been, i.c. de
jaarrekening geeft beslist niet dàt inzicht waardoor een
verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële
positie en over de baten en de lasten (artikel 3).
In
de klacht tegen Van
Kloppenburg
(gemeente 's-Hertogenbosch) heb ik daar als vierde klachtonderdeel
aan toegevoegd:
4.
De jaarrekening is terzake van de afschrijvingslasten onbetrouwbaar,
omdat deze te
laag
worden weergegeven omdat daaraan de afschrijvingslasten van diverse
activa ontbreken.
In
alle door mij aan de Raad van Tucht voorgelegde gevallen begint de
Raad in zijn uitspraak met te stellen dat Burgerlijk Wetboek Boek 2
Titel 9 niet van toepassing is op gemeenten. Een volkomen irrelevante
opmerking. Er zijn nog ontelbaar veel meer wetten die ook niet van
toepassing op jaarrekeningen van gemeenten. Bovendien ontkracht deze
opmerking van de Raad niet mijn stelling dat de betreffende
jaarrekening onbetrouwbaar
is.
Op
het eerste klachtonderdeel zegt de Raad dat artikel 27 van de
Comptabiliteitsvoorschriften zò gelezen moet worden dat er
niet voorgeschreven wordt dat alle baten en lasten ìn de
rekening van baten en lasten moeten worden opgenomen. Een onhoudbare
bewering, zo heb ik in mijn beroepschrift aangegeven en gemotiveerd.
Op
het tweede klachtonderdeel is de Raad nooit ingegaan. Dit
klachtonderdeel is in alle gevallen door de Raad onbehandeld gelaten.
Op het tweede klachtonderdeel heeft de Raad nooit uitspraak gedaan.
Op
het derde klachtonderdeel zegt de Raad dat, omdat blijkbaar "het
binnen de provinciale en gemeentelijke verslaggeving niet
ongebruikelijk is dat bedragen buiten de rekening van baten en lasten
worden gehouden", het daarom niet waar is dat de jaarrekening
onbetrouwbaar is. Een verbijsterende uitspraak! Elke
logica ontbreekt!
De Raad gaat ook steeds geheel voorbij aan de overduidelijke
jurisprudentie terzake van het buiten de rekening laten van baten en
lasten en het (óók in de Comptabiliteitsvoorschriften
opgenomen!) wettelijke voorschrift: "De jaarrekening geeft een
zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over
de financiële positie en over de baten en de lasten". Het
Gerechtshof te Amsterdam heeft herhaaldelijk uitgesproken dat een
jaarrekening met een rekening van baten en lasten waaruit bedragen
zijn weggelaten, niet het (òòk) in de
Comptabiliteitsvoorschriften voorgeschreven "zodanig inzicht dat
een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële
positie en over de baten en de lasten" geeft. (Details over de
betreffende jurisprudentie treft u aan in mijn klaagschriften en
beroepschriften.) Alweer: verbijsterend!
Verbijsterend
is ook hoe de Raad het bestaat zelfs de waarheid fors geweld aan te
doen en deze zelfs naar zijn eigen hand te zetten door in zijn
uitspraken steeds te beweren dat, omdat volgens de betrokken
accountants "de toelichtingen op de reserves duidelijk zijn en
de mutaties aangaande reserves toereikend zijn toegelicht",
daarom in de rekening van baten en lasten en de toelichting daarop
alle baten en lasten zouden zijn weergegeven. Alweer: elke
logica ontbreekt!
Afgezien van het feit dat de toelichtingen op de reserves, zo ze al
zijn opgenomen, nìet
duidelijk zijn en dat de mutaties aangaande reserves nìet
toereikend zijn toegelicht, maar "het toelichten van reserves en
mutaties aangaande reserves" houdt niet in dat daarmee wordt
duidelijk gemaakt dat er baten en lasten buiten de rekening zijn
gelaten, welke baten en lasten dat zijn, welke begrotingsbedragen
daarbij horen en wat nu het werkelijke saldo van alle baten en lasten
is. In geen enkel geval wordt de lezer van de jaarrekening expliciet
gewaarschuwd dat er behalve de ìn de rekening opgenomen baten
en lasten ook nog andere baten en lasten zijn, die nìet in de
rekening zijn opgenomen. In geen enkel geval meldt de jaarrekening
het werkelijke saldo van alle baten en lasten. Vrijwel altijd is het
tegendeel zelfs het geval. In bijna alle gevallen bevestigt de
toelichting bij de rekening en de toelichting bij de jaarrekening
zelfs het verkeerde beeld door het onvolledige saldo expliciet het
saldo van alle baten en lasten te noemen. In mijn beroepschriften
treft u alle details aan.
Verbijsterend
wat de Raad van Tucht doet. Opvallend is ook dat de Raad van Tucht
zijn uitspraken doet zonder zelfs maar te beschikken over de
betreffende jaarrekeningen, laat staan daar één blik in
geworpen te hebben.
Het
is niet zonder gevaar wat de Raad van Tucht doet. De gevolgen laten
zich raden. Uit het vrijspreken van de betrokken accountants leidt
iedereen af dat ik "dus" ongelijk heb als ik beweer dat er
baten en lasten buiten de rekening zijn gelaten. Niemand begrijpt dat
de Raad van Tucht erkent dat er baten en lasten buiten de betreffende
rekeningen van baten en lasten zijn gebleven. Het wil er bij niemand
in dat het zo is dat de Raad van Tucht de betrokken accountants
vrijspreekt en tegelijkertijd erkent dat er inderdaad bedragen buiten
de rekening zijn gebleven. Dus leidt iedereen uit de vrijspraak af
dat ik "dus" ongelijk heb in mijn beweringen over verzwegen
baten en lasten en over verkeerd gepresenteerde saldi van baten en
lasten.
Dus
slaan door mij gewaarschuwde gemeenteraadsleden en
masse mijn
waarschuwingen voor misleidende jaarrekeningen in de wind, en worden
door die uitspraken van de Raad van Tucht nog verder overtuigd dat
het (verkeerde) oordeel dat zij hadden over de omvang van de baten en
de lasten en over het saldo daarvan, het goede oordeel is. Dus nemen
gemeenteraden geen maatregelen om aan de kwalijke praktijk van het
verzwijgen van baten en lasten een eind te maken. Dus gaat deze
kwalijke praktijk gewoon door. Dus blijven gemeenteraden op basis van
verkeerde cijfers hun controlerende taak uitoefenen. Dus blijft de
noodzaak van verhogingen van de Onroerendezaakbelasting op basis van
misleidende cijfers verdedigd worden.
De
uitspraken van de Raad van Tucht laten ook de enkele
gemeenteraadsleden, die er wel degelijk zijn, die de misstand van het
verzwijgen van baten en lasten aan willen pakken, stevig in de kou
staan. Van hun mederaadsleden krijgen zij steevast te horen dat,
omdat de betrokken accountants zijn vrijgesproken, het "dus"
niet waar is dat er bedragen buiten de rekening zijn gebleven en dat
het "dus" niet waar is dat wat als saldo van baten en
lasten wordt gepresenteerd, niet het werkelijke saldo van de baten en
de lasten zou zijn. Vervolgens worden deze enkele gemeenteraadsleden
politiek volledig geïsoleerd. En zo komt er van de democratische
controle op de besteding van gemeenschapsgelden helemaal niets
terecht.
Verweer
Ik
ga thans in op de door betrokkenen in beroep ingediende
verweerschriften.
E.
van Milligen (gemeente Tiel) (AWB 03/264)
R.J.M.
Boon (gemeente Utrecht) (AWB 03/265)
G.P.Th.M.
van Kloppenburg (gemeente 's-Hertogenbosch) (AWB 03/267)
P.K.
Elsma en R.A. Vierbergen (gemeente Den Haag) (AWB 03/1176)
Accountants
Van Milligen, Boon, Van Kloppenburg, Elsma en Vierbergen hebben
identieke verweerschriften over gelegd. Ik behandel ze gezamenlijk.
Ik maak een paar opmerkingen.
Onder
punt 5. merken zij op dat ik de uitspraken van de Raad van Tucht niet
goed zou hebben gelezen. De Raad van Tucht zou nìet hebben
geconstateerd dat er inderdaad bedragen buiten de
winst-en-verliesrekening zouden zijn gelaten.
Wel,
alle uitspraken van de Raad van Tucht gaan er onomstreden impliciet
vanuit dat inderdaad bedragen buiten de winst-en-verliesrekening zijn
gelaten. Voor de Raad van Tucht staat zonneklaar vast dat er bedragen
buiten de winst-en-verliesrekening zijn gelaten. De Raad van Tucht
zegt dat dat blijkbaar "binnen de gemeentelijke verslaggeving
niet ongebruikelijk is".
Niet
ik, maar Van Milligen, Boon, Van Kloppenburg, Elsma en Vierbergen,
hebben de uitspraken van De Raad van Tucht niet goed gelezen.
Terzake
verwijs ik nog eens naar wat ik over de redenatie van de Raad van
Tucht opmerkte in mijn Beroepschrift in zaak AWB03/1176 onder punt
16, c.q. Nadere Memories in de zaken AWB03/264 en AWB03/265 onder
punt 15, c.q. Nadere Memorie in de zaak AWB03/267 onder punt 16.
In
dit kader spreek ik nogmaals mijn verbijstering uit over deze
uitspraak van de Raad van Tucht. Stel je voor dat een strafrechter,
omdat hem door de Officier van Justitie tien inbrekers worden
voorgeleid, de tien inbrekers vrijuit zou laten gaan, omdat het
blijkbaar niet ongebruikelijk is dat er wordt ingebroken. Nogmaals,
verbijsterend.
Overigens
merk ik nadrukkelijk op dat Van Milligen, Boon, Van Kloppenburg,
Elsma en Vierbergen nooit in hun verweer hebben ontkend dat er
bedragen buiten de winst-en-verliesrekening zijn gelaten.
Integendeel, op verschillende plaatsen in hun verweerschriften in de
procedures voor de Raad van Tucht erkennen zij dat impliciet maar ook
expliciet.
Onder
punt 9. komen betrokkenen met de opmerking dat ik als klager een
parallel zou trekken "tussen de regelgeving voor
privaatrechtelijke rechtspersonen zoals opgenomen in titel 9 BW 2 en
de regelgeving voor de jaarverslaggeving van gemeenten", en
zeggen vervolgens dan dat die parallel niet op gaat. Deze opmerking
is niet alleen volslagen irrelevant, maar ook volstrekt onjuist.
Nergens heb ik verwezen naar BW 2 titel 9; nooit heb ik gezegd dat
jaarrekeningen van gemeenten aan de eisen van BW 2 titel 9 zouden
moeten voldoen. Nergens heb ik parallellen getrokken tussen BW 2
titel 9 en de Comptabiliteitsvoorschriften. Allemaal dom geklets.
Jaarrekeningen van gemeenten moeten voldoen aan de
Comptabiliteitsvoorschriften. Dàt is wat ik steeds beweerd
heb! Ik heb steeds gezegd dat de Comptabiliteitsvoorschriften in
artikel 3 eisen dat een jaarrekening van een gemeente betrouwbaar
is, en in artikel 27, eerste deel, dat alle
baten en alle
lasten in
de winst-en-verliesrekening worden opgenomen en in artikel 27, tweede
deel, dat de winst-en-verliesrekening het saldo van alle
baten lasten vermeldt. De onderhavige jaarrekeningen zijn zwaar in
strijd met deze bepalingen!
We
hebben het hier over schoolvoorbeelden van jaarrekeningen waarbij
slechts een overduidelijke afkeurende
accountantsverklaring op zijn plaats is!
Van
Kloppenburg (zaak AWB03/267) gaat in zijn verweerschrift in de
beroepsfase nergens in op mijn klachtonderdeel inzake de
onbetrouwbare weergave van de afschrijvingslasten. Hij gaat dus ook
niet in op wat ik daarover aanvoerde in punt 17. van mijn Nadere
Memorie. Ik herhaal wat ik aan het slot van dit punt 17. aanvoerde:
Een winst-en-verliesrekening waarin afschrijvingslasten ontbreken, is
een misleidende
winst-en-verliesrekening. De jaarrekening van 's-Hertogenbosch
voldoet terzake dus niet aan de allereerste eis van artikel 3 van de
Comptabiliteitsvoorschriften dat een betrouwbare
jaarrekening eist. Terzake voldoet de jaarrekening ook niet aan de
expliciete eis van de Comptabiliteitsvoorschriften in artikel 4 lid 1
dat de jaarrekening moet worden opgemaakt volgens het stelsel
van baten en lasten.
De jaarrekening voldoet terzake ook niet aan de expliciete eis van
artikel 4 lid 2 dat uitgaven als lasten moeten worden toegerekend aan
de jaren waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening voldoet terzake
ook niet aan de expliciete eis van artikel 57 van de
Comptabiliteitsvoorschriften waarin het toerekeningsbeginsel
wordt voorgeschreven. De jaarrekening voldoet terzake ook niet aan de
expliciete eis van artikel 59 lid 2 van de
Comptabiliteitsvoorschriften waarin een afschrijving wordt
voorgeschreven "volgens een stelsel dat is afgestemd op de
verwachte toekomstige gebruiksduur". Overigens, los van welke
interpretatie van welk wetsartikel dan ook: Misleidend
is en blijft misleidend!
En een accountant mag geen goedkeurende verklaring geven aan een
misleidende jaarrekening. Zo eenvoudig is dat!
Opvallend
maar niet onbelangrijk detail is steeds het verweer op het tweede
onderdeel van mijn klachten. Of beter gezegd: het ontbreken van enig
verweer! Mijn tweede klachtonderdeel luidt:
"In
de rekening van baten en lasten wordt het saldo van alle
baten en lasten niet
genoemd, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dit expliciet en dus
uitdrukkelijk voorschrijven."
Het
opvallende van het verweer is dat in alle verweer(schriften), in de
eerste fase voor de Raad van Tucht en thans in deze beroepsfase, niet
weersproken wordt dat dit saldo van alle baten en lasten niet
genoemd wordt, noch in de winst-en-verliesrekening, noch in de
toelichting daar bij. Zoals ik al hiervoor zei, zijn we het er
allemaal over eens dat er baten en lasten in de
winst-en-verliesrekening ontbreken. We zijn het er dus allemaal ook
geheel over eens, want niemand ontkent het, dat nergens
in de jaarrekening, laat staan in de winst-en-verliesrekening, het
saldo wordt genoemd van alle
baten en lasten.
Behandeling
voorgaande soortgelijke klachten door College van Beroep
De
thans aan de orde zijnde klachtzaken zijn er vier uit een serie van
elf (nagenoeg) identieke door mij aanhangig gemaakte zaken. Vandaag
zijn er vier aan de orde. De andere klachtzaken (AWB 03/263, 03/266,
03/1171, 03/1172, 03/1173, 03/1174 en 03/1175) zijn in beroep door
het College tijdens een zitting op 22 april 2004 behandeld. Het
College deed uitspraak op 14 juli 2004. Het College heeft in deze
eerdere zaken beslist dat het beroep verworpen werd. Opvallend is dat
het College de accountants niet vrijuit liet gaan omdat ik ongelijk
zou hebben in mijn beweringen over
buiten
de winst-en-verliesrekeningen gelaten bedragen, of omdat ik ongelijk
zou hebben in mijn beweringen dat die jaarrekeningen derhalve niet
zouden voldoen aan de Comptabiliteitsvoorschriften. Nee, het College
liet de accountants vrijuit gaan omdat in een aan deze reeks
voorafgegane zaak (AWB99/458; LJN-AO8201) het College òòk
de betrokken accountant vrijuit had laten gaan. Het College stelde in
zijn uitspraken van 14 juli 2004 dat de door mij voorgelegde klachten
(nagenoeg) identiek waren aan de klacht waarover het College
uitspraak had gedaan in die eerste zaak (AWB99/458). In zijn
uitspraken van 14 juli 2004 citeerde het College de klacht zoals ik
die had voorgelegd in zaak 99/458, en het College constateerde dat de
klachten (van de zitting van 22 april 2004) (nagenoeg) identiek waren
aan de klacht in de zaak 99/458.
Echter,
opvallend is het dat het College in zijn uitspraken van 14 juli 2004
weliswaar nauwgezet de klacht heeft overgeschreven zoals ik deze had
geformuleerd in zaak 99/458, maar dat dat nìet
de klacht is waarvan de betrokken accountant toentertijd is
vrijgesproken. Beslist
niet.
De
betrokken accountant was toentertijd vrijgesproken van iets geheel
anders!
Het
begon al bij de Raad van Tucht. Simpelweg gezegd komt het erop neer
dat toentertijd de Raad van Tucht mijn klacht in al zijn onderdelen
vervangen heeft door een geheel andere, door de Raad zelf bedachte
klacht, niet
zijnde mìjn klacht, en vervolgens de betrokken accountant
heeft vrijgesproken van de nieuw geformuleerde klacht. Verbijsterend!
Van mijn oorspronkelijk geformuleerde klacht is in de uitspraak van
de Raad van Tucht (R168 d.d. 6.4.1999) niets meer terug te vinden. De
Raad van Tucht had geheel eigenhandig mijn klacht vervangen door een
nieuwe klacht, namelijk de klacht dat de betrokken accountant zich
niet zou hebben mogen baseren op de Comptabiliteitsvoorschriften.
Vervolgens heeft de Raad van Tucht uitgesproken dat het betrokkene
niet verweten mocht worden dat hij zich gebaseerd had op de
Comptabiliteitsvoorschriften. Met welke uitspraak ik het uiteraard
geheel eens ben; maar het was geen uitspraak op de door mìj
voorgelegde klacht! De betrokken accountant is toentertijd dus niet
vrijgesproken van de door mìj voorgelegde klacht, maar van een
heel andere klacht, een klacht die door de Raad van Tucht in de
plaats was gezet van mìjn klacht. Verbijsterend!
In
beroep voor het College van Beroep heb ik het College toentertijd
uitdrukkelijk op deze geweldige dwaling van de Raad van Tucht
gewezen. Echter, het College deed er nog eens een geweldige schep
bovenop. Met (alweer) volledig voorbijgaan aan mijn werkelijke
klacht, waar òòk het College in het geheel niet op in
gegaan is, heeft het College de betrokken accountant vrijuit laten
gaan met als motivering: "... dat de regels inzake jaarrekening
en jaarverslag, neergelegd in titel 9 van boek 2 van het B.W.,
volgens artikel 360 B.W. van toepassing zijn op andere rechtspersonen
dan gemeenten." Alweer een uiterst merkwaardige, alweer
verbijsterende uitspraak, want nooit en te nimmer heb ik beweerd dat
Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9 van toepassing is op jaarrekeningen
van gemeenten. En zo sprak ook het College van Beroep toentertijd de
betrokken accountant vrij van een geheel andere klacht dan mìjn
klacht! Mijn werkelijke klacht hield immers op geen enkele wijze in
dat de betrokken accountant zich zou hebben moeten baseren op
Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9.
Bij
de behandeling van de thans aan de orde zijnde klachten en de andere
klachten uit deze serie is de Raad van Tucht eindelijk [we zaten
inmiddels in 2004 en mijn eerste klacht was al van augustus 1998]
voor het eerst ingegaan op de werkelijke inhoud van mijn klachten.
Zij het dat de Raad van Tucht klachtonderdeel 2 wederom onbehandeld
liet. Zij het dat de Raad van Tucht het alweer niet kon nalaten iets
over BW 2 titel 9 te zeggen. Alweer volkomen irrelevant! Het kwaad
was echter inmiddels geschied. De Raad van Tucht heeft eenmaal een
accountant in deze kwestie van de vele misleidende gemeentelijke
jaarrekeningen vrij gesproken, de Raad wenst daar blijkbaar in te
volharden. De Raad van Tucht vond een nieuw argument om de betrokken
accountants vrij te spreken. Met argument dat het blijkbaar "binnen
de gemeentelijke verslaggeving niet ongebruikelijk is dat bedragen
buiten de rekening van baten en lasten worden gehouden" liet de
Raad van Tucht de betrokken accountants straffeloos naar huis gaan.
Waarbij, pikant detail, de Raad zijn kennis over "niet
ongebruikelijk", zonder enig eigen of ander onderzoek, louter
ontleende aan de omstandigheid dat ik elf zaken had aangespannen met
(nagenoeg) identieke klachten.
Ik
verzoek Uw College thans dringend eindelijk wèl op mijn
klachten in te gaan. Mijn klachten zoals ik ze wèl
geformuleerd heb. Graag volledig, zodat ook bijvoorbeeld
klachtonderdeel 2 eindelijk aan de orde komt. En graag objectief en
met voorbijgaan aan al die uiterst merkwaardige voorgaande
vrijspraken van het College op grond van niet relevante argumenten.
Normen
die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd
Ik
vraag nog eens apart de aandacht van Uw College voor de alles
overstijgende eis die òòk de
Comptabiliteitsvoorschriften expliciet stellen, namelijk dat de
jaarrekening van een gemeente betrouwbaar
is, en dat de normen voor wat wel of niet betrouwbaar is, in de
Comptabiliteitsvoorschriften worden aangeduid met "normen die in
het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd".
Het is dus het maatschappelijk
verkeer
dat die normen stelt en uitdrukkelijk nìet de gemeenten, en al
helemaal niet "wat binnen de gemeentelijke verslaggeving niet
ongebruikelijk is". Het gaat er ook om dat die normen door dat
maatschappelijk verkeer aanvaardbaar
worden beschouwd. En "aanvaardbaar" is beslist iets anders
dan "aanvaard" en het is stellig iets geheel anders dan
"niet ongebruikelijk".
Al
bij de introductie in 1971 van deze "normen die in het
maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" in de
wetgeving over jaarrekeningen heeft toenmalige minister mr. C.H.F
Polak hier in de parlementaire behandeling zeer nadrukkelijk en
expliciet op gewezen. Dit is ook nog eens uitvoerig bevestigd bij de
parlementaire behandeling in 1982 van een omvangrijke wijziging van
het Burgerlijk Wetboek, waar het ging om voorschriften voor
jaarrekeningen van vennootschappen, waar ook het zelfde begrip
"normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar
worden beschouwd" voorkomt. En in herhaalde jurisprudentie is
al in de jaren 80 van de vorige eeuw overduidelijk uitgemaakt dat het
onderdeel is van deze "normen die in het maatschappelijk verkeer
als aanvaardbaar worden beschouwd" dat alle baten en alle lasten
ìn
de rekening van baten en lasten moeten worden opgenomen.
GBR
artikel 17 lid 4
In
mijn klaagschriften heb ik steeds gesteld dat de betrokken
accountants gehandeld hebben in strijd met GBR artikel 17 lid 4. Deze
bepaling luidt dat een goedkeurende accountantsverklaring slechts
verstrekt mag worden als de jaarrekening ook inzicht geeft in de
grootte en samenstelling van het resultaat. Wel, de betreffende
jaarrekeningen doen dat in geen velden of wegen. De Raad van Tucht
noemt wel steeds (onder 4.1 van de uitspraken) dat ik dat gesteld
heb, maar komt hier op geen enkele wijze op terug, laat staan dat de
Raad er uitspraak over doet. Tot op heden is ook dit klachtonderdeel
steeds onbehandeld gebleven. Ook in de uitspraken van het College van
Beroep van 14 juli 2004.
Ter
overweging
In
het gezaghebbende tijdschrift "Overheidsmanagement"
schrijft Prof. J.H. Blokdijk RA, eminent emeritus-hoogleraar
Accountantscontrole aan de Vrije Universiteit Amsterdam, in de
inleiding op zijn artikel "Het BBV: bekeken door een burger"
(Overheidsmanagement 3/2004, pagina 86 e.v.):
"...
onder volksvertegenwoordigers en burgers heerst hier en daar onvrede.
Er woedt zelfs een soort veenbrand, aangestoken door de accountant
Leo Verhoef. Het kernpunt betreft de bepaling in art. 27 CV95 dat de
rekening van baten en lasten de omvang van alle
baten en lasten moet weergeven. Verhoef toont telkens weer aan dat
gemeenten en provincies hiertegen op grote schaal zondigen."
Tot
slot
Het
zal toch niet zo zijn dat accountants die goedkeurende
accountantsverklaringen geven bij deze misleidende jaarrekeningen,
die een belangrijke rol spelen in de controle op de besteding van
onze belastinggelden, vrijuit (blijven) gaan?