Dossier: Tuchtzaken(2)
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Pleitnota

van drs. L.W. Verhoef RA MGA

in de zaken
L.W. Verhoef

tegen:


1.  E. van Milligen (gemeente Tiel)(AWB 03/264)

2.  R.J.M. Boon (gemeente Utrecht) (AWB 03/265)

3.  G.P.Th.M. Kloppenberg (gemeente 's-Hertogenbosch) (AWB 03/267)

4.  P.K. Elsma en R.A. Vierbergen (gemeente Den Haag) (AWB 03/1176)


voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven
te 's-Gravenhage

Zitting: 24 februari 2005

Geacht College,

Wat betreft de onderhavige zaken heb ik naar mijn mening in mijn klaagschriften, mijn pleitnota's voor de Raad van Tucht en in mijn beroepschriften en Nadere Memories duidelijk aangegeven wat de inhoud van mijn klachten is en waarom ik bij uw College in beroep ben gegaan van de uitspraken van de Raad van Tucht. Ik volsta daarom thans met het aangeven van het belang van deze zaken en een samenvatting van het verloop van de behandeling van mijn klachten bij de Raad van Tucht. Ik zal ook ingaan op het in de verweerschriften gevoerde verweer. Ik zal ook ingaan op de eerdere behandeling door uw College van soortgelijke klachten.

Belang
Jaarrekeningen van gemeenten zijn belangrijke documenten. Met een jaarrekening legt het College van burgemeester en wethouders rekening en verantwoording af aan de gemeenteraad over de aanwending van de gemeenschapsgelden, en over de financiële positie van de gemeente. Het overgrote deel van de ontvangen gelden zijn belastinggelden, waaronder de Onroerendezaakbelasting. Met de jaarrekening legt het gemeentebestuur tevens rekening en verantwoording af aan de belastingbetalers, waaronder op de eerste plaats de inwoners van de gemeente zelf. Uit de jaarrekening moet aan de burgers bijvoorbeeld de noodzaak blijken van de hoogte en de verhogingen van de Onroerendezaakbelasting. Uit de jaarrekening moet bijvoorbeeld ook blijken of het gemeentebestuur in het afgelopen jaar terecht heeft gezegd dat er geen geld beschikbaar was voor allerhande door gemeenteraad en burgers aangedragen gewenste voorzieningen. Aan de hand van de jaarrekening moet de gemeenteraad kunnen controleren of het gemeentebestuur binnen de door de gemeenteraad vastgestelde begrotingsbedragen is gebleven. Overschrijding van begrotingsbedragen is onrechtmatig. Een belangrijk onderdeel van de jaarrekening is dus de rekening van baten en lasten (c.q. winst-en-verliesrekening, exploitatierekening, kortweg: rekening, of anderszins genoemd). In de rekening van baten en lasten moeten de werkelijke ontvangsten en uitgaven opgenomen worden naast de daarvoor door de gemeenteraad vastgestelde begrotingsbedragen. Het is uiteraard de bedoeling dat wat als "werkelijke ontvangsten en uitgaven" wordt gepresenteerd, inderdaad de volledige werkelijke ontvangsten en uitgaven zijn. Eventuele verschillen tussen de begrote (= toegestane) bedragen en de werkelijke bedragen moeten aldus zichtbaar gemaakt worden en door de gemeenteraad alsnog worden goedgekeurd. Of eventueel afgekeurd.
Het is dus van het allergrootste belang dat die jaarrekening betrouwbaar is. Het is van het allergrootste belang dat wat er staat, dat dat waar is. Het is van het allergrootste belang dat de rekening van baten en lasten volledig en correct alle baten en alle lasten aangeeft naast alle daarvoor begrote bedragen. Het is van het allergrootste belang dat wat onderaan de rekening van baten en lasten als saldo wordt gepresenteerd, geheel en al overeenkomt met wat dat bedrag suggereert, namelijk het uiteindelijke saldo van alle baten en alle lasten. Het is ook van het allergrootste belang dat de jaarrekening duidelijk is in de presentatie. De gemeenteraad bestaat immers voornamelijk, zo niet geheel, uit niet-jaarrekeningtechnisch-geschoolde welwillende amateurs. Hetzelfde geldt voor de meeste burgers.
Ook de wetgever heeft het van het allergrootste belang geacht dat de jaarrekening betrouwbaar is. De wetgever heeft daarvoor de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften uitgevaardigd. Deze Comptabiliteitsvoorschriften schrijven meteen aan het begin (in artikel 3) uitdrukkelijk voor dat de jaarrekening op de allereerste plaats betrouwbaar moet zijn. Het moet waar zijn, en ondubbelzinnig zijn, wat er staat. De presentatie van de cijfers moet tot juiste conclusies leiden. De Comptabiliteitsvoorschriften verwoorden dit als volgt: "De jaarrekening geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten" (artikel 3). Ook schrijven die Comptabiliteitsvoorschriften in verschillende artikelen uitdrukkelijk voor dat de gepresenteerde informatie duidelijk moet zijn, zoals bijvoorbeeld in artikel 27 waar het gaat over de baten en de lasten en het saldo daarvan.
Dat was voor de wetgever nog niet voldoende. De Gemeentewet schrijft ook een accountantscontrole van de gemeentelijke jaarrekening voor. Het is de allereerste taak van de accountant, zo zegt de Gemeentewet (artikel 213), te onderzoeken of de jaarrekening betrouwbaar is, met andere woorden: te onderzoeken of het allemaal waar is wat het gemeentebestuur in de jaarrekening voorhoudt over de financiële positie en over de ontvangsten en de uitgaven en over het saldo daarvan. De accountant moet op de allereerste plaats onderzoeken en verklaren of de jaarrekening betrouwbaar is, of het allemaal waar is wat er staat. Daarna en pas op de tweede plaats moet de accountant ook nog onderzoeken en verklaren of de jaarrekening voldoet aan allerlei in de Comptabiliteitsvoorschriften gestelde eisen wat betreft verplicht toe te voegen specificaties en toelichtingen.

Maar wat is de praktijk?
Mij is gebleken dat de jaarrekeningen van veel gemeenten volstrekt niet betrouwbaar zijn. Om het in gewoon Nederlands te zeggen: De jaarrekeningen (en begrotingen) van veel gemeenten zijn een volslagen incompetente amateuristische bij elkaar geraapte chaos van cijfers en woorden waar iemand in een enthousiaste bui het woord "Jaarrekening" boven heeft gezet en waar een ander iemand in een even enthousiaste bui een goedkeurende accountantsverklaring bij gezet heeft.
De jaarrekeningen van veel gemeenten, waaronder de thans aan de orde zijnde, zijn ronduit misleidend. Met name waar het gaat om de presentatie van de baten en de lasten en het saldo daarvan. Het komt regelmatig voor dat het saldo van de rekening van baten en lasten nìet het saldo is van àlle baten en lasten, waaruit dus volgt dat er bedragen ontbreken in de rekening. Ik kan als ervaren "jaarrekeningtechnicus" na enig speurwerk aan het ontbreken van de noodzakelijke consistentie tussen balans en rekening van baten en lasten zien dat het saldo van de rekening onvolledig en dus onjuist is. Zonder overigens te kunnen zien wèlke baten en lasten in concreto ontbreken. Echter een terzake niet geschoolde jaarrekeninglezer kan dat allemaal volstrekt niet zien, omdat hij/zij totaal geen weet heeft van een noodzakelijke consistentie tussen balans en rekening en al helemaal niet weet hoe hij/zij een eventuele inconsistentie kan vaststellen en moet interpreteren. Het zou nog tot daarentoe zijn als, ingeval van een onvolledige rekening, de toelichting bij de rekening duidelijk zou maken dat er in de rekening bedragen ontbreken en dat het als zodanig gepresenteerde saldo nìet het saldo is van alle baten en lasten, en welke posten en welke bedragen in de rekening ontbreken en wat het werkelijke saldo is van alle baten en lasten. Maar dat ben ik nog nooit tegengekomen. Ik ben dat nooit tegengekomen, dus ook niet in de thans aan de orde zijnde jaarrekeningen, laat staan dat ik ben tegengekomen dat de toelichting een en ander voor niet terzake geschoolde jaarrekeninggebruikers dùidelijk aangeeft. Niets van dat alles. Het tegendeel is meestal zelfs waar. In bijna alle gevallen bevestigt de toelichting bij de rekening en de toelichting bij de jaarrekening (in bijvoorbeeld het bestuursverslag) zelfs het verkeerde beeld door het onvolledige saldo expliciet als het saldo van alle baten en lasten te noemen. Dat geldt bijvoorbeeld in de onderhavige zaak voor de jaarrekeningen van de gemeenten 's-Hertogenbosch, Tiel en Utrecht. En dat maakt al deze jaarrekeningen hoogst onbetrouwbaar en daardoor hoogst misleidend. De gemeenteraad en de belangstellende burgers zien niet en kunnen niet zien dat er bedragen in de rekening ontbreken en kunnen niet zien wat bijvoorbeeld de werkelijke verschillen zijn tussen begrote uitgaven en werkelijke uitgaven. De gemeenteraad en de belangstellende burgers zien niet wat het werkelijke saldo is van de baten en de lasten en wat de echte financiële ruimte in het jaar was. Integendeel, zij worden door de gevolgde presentatie totaal op het verkeerde been gezet. Zij denken dat wat zij zien, de volledige werkelijke ontvangsten en uitgaven zijn, en zij denken het werkelijke saldo daarvan te zien en vormen zich op basis daarvan een oordeel over de baten en de lasten en het saldo daarvan. Een onjuist oordeel dus.
Gemeenteraad en andere gebruikers van de jaarrekening gaan ook in goed vertrouwen volledig af op de goedkeurende accountantsverklaringen bij deze misleidende jaarrekeningen. Zij gaan ervan uit dat een goedkeurende accountantsverklaring inhoudt dat de jaarrekening betrouwbaar is. Zo zou het wèl moeten zijn. Echter in alle gevallen die ik thans aan uw College voorleg, is dat vertrouwen in die goedkeurende accountantsverklaring volkomen misplaatst. Verbijsterend!

Raad van Tucht
Om deze misstand aan de orde te stellen heb ik een aantal accountants voor hun ten onrechte gegeven goedkeurende accountantsverklaringen bij de Raad van Tucht aangeklaagd. Om de zaak niet te ingewikkeld te maken heb ik slechts aan de orde gesteld dat de goedkeurende accountantsverklaring ten onrechte verstrekt is omdat de accountantsverklaring, behalve dat de jaarrekening een betrouwbaar beeld zou geven van de financiële positie, van de baten en de lasten en van het saldo daarvan, ten onrechte ook zegt dat de jaarrekening zou voldoen aan de relevante wettelijke voorschriften, i.c. de Comptabiliteitsvoorschriften. Mijn klacht bestond telkens uit drie onderdelen:
1.  In de rekening van baten en lasten ontbreken bedragen, terwijl toch de Comptabiliteitsvoorschriften uitdrukkelijk voorschrijven dat àlle baten en lasten ìn de rekening moeten worden opgenomen (artikel 27 eerste deel);
2.  In de rekening van baten en lasten ontbreekt het saldo van alle baten en lasten, terwijl toch de Comptabiliteitsvoorschriften uitdrukkelijk voorschrijven dat ìn de rekening dit saldo van alle baten en lasten moet worden opgenomen (artikel 27 tweede deel);
3.  De jaarrekening is onbetrouwbaar en zet daardoor de gebruikers totaal op het verkeerde been, i.c. de jaarrekening geeft beslist niet dàt inzicht waardoor een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten (artikel 3).

In de klacht tegen
Van Kloppenburg (gemeente 's-Hertogenbosch) heb ik daar als vierde klachtonderdeel aan toegevoegd:
4.  De jaarrekening is terzake van de afschrijvingslasten onbetrouwbaar, omdat deze te laag worden weergegeven omdat daaraan de afschrijvingslasten van diverse activa ontbreken.

In alle door mij aan de Raad van Tucht voorgelegde gevallen begint de Raad in zijn uitspraak met te stellen dat Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9 niet van toepassing is op gemeenten. Een volkomen irrelevante opmerking. Er zijn nog ontelbaar veel meer wetten die ook niet van toepassing op jaarrekeningen van gemeenten. Bovendien ontkracht deze opmerking van de Raad niet mijn stelling dat de betreffende jaarrekening onbetrouwbaar is.
Op het eerste klachtonderdeel zegt de Raad dat artikel 27 van de Comptabiliteitsvoorschriften zò gelezen moet worden dat er niet voorgeschreven wordt dat alle baten en lasten ìn de rekening van baten en lasten moeten worden opgenomen. Een onhoudbare bewering, zo heb ik in mijn beroepschrift aangegeven en gemotiveerd.
Op het tweede klachtonderdeel is de Raad nooit ingegaan. Dit klachtonderdeel is in alle gevallen door de Raad onbehandeld gelaten. Op het tweede klachtonderdeel heeft de Raad nooit uitspraak gedaan.
Op het derde klachtonderdeel zegt de Raad dat, omdat blijkbaar "het binnen de provinciale en gemeentelijke verslaggeving niet ongebruikelijk is dat bedragen buiten de rekening van baten en lasten worden gehouden", het daarom niet waar is dat de jaarrekening onbetrouwbaar is. Een verbijsterende uitspraak! Elke logica ontbreekt! De Raad gaat ook steeds geheel voorbij aan de overduidelijke jurisprudentie terzake van het buiten de rekening laten van baten en lasten en het (óók in de Comptabiliteitsvoorschriften opgenomen!) wettelijke voorschrift: "De jaarrekening geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten". Het Gerechtshof te Amsterdam heeft herhaaldelijk uitgesproken dat een jaarrekening met een rekening van baten en lasten waaruit bedragen zijn weggelaten, niet het (òòk) in de Comptabiliteitsvoorschriften voorgeschreven "zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten" geeft. (Details over de betreffende jurisprudentie treft u aan in mijn klaagschriften en beroepschriften.) Alweer: verbijsterend!
Verbijsterend is ook hoe de Raad het bestaat zelfs de waarheid fors geweld aan te doen en deze zelfs naar zijn eigen hand te zetten door in zijn uitspraken steeds te beweren dat, omdat volgens de betrokken accountants "de toelichtingen op de reserves duidelijk zijn en de mutaties aangaande reserves toereikend zijn toegelicht", daarom in de rekening van baten en lasten en de toelichting daarop alle baten en lasten zouden zijn weergegeven. Alweer: elke logica ontbreekt! Afgezien van het feit dat de toelichtingen op de reserves, zo ze al zijn opgenomen, nìet duidelijk zijn en dat de mutaties aangaande reserves nìet toereikend zijn toegelicht, maar "het toelichten van reserves en mutaties aangaande reserves" houdt niet in dat daarmee wordt duidelijk gemaakt dat er baten en lasten buiten de rekening zijn gelaten, welke baten en lasten dat zijn, welke begrotingsbedragen daarbij horen en wat nu het werkelijke saldo van alle baten en lasten is. In geen enkel geval wordt de lezer van de jaarrekening expliciet gewaarschuwd dat er behalve de ìn de rekening opgenomen baten en lasten ook nog andere baten en lasten zijn, die nìet in de rekening zijn opgenomen. In geen enkel geval meldt de jaarrekening het werkelijke saldo van alle baten en lasten. Vrijwel altijd is het tegendeel zelfs het geval. In bijna alle gevallen bevestigt de toelichting bij de rekening en de toelichting bij de jaarrekening zelfs het verkeerde beeld door het onvolledige saldo expliciet het saldo van alle baten en lasten te noemen. In mijn beroepschriften treft u alle details aan.
Verbijsterend wat de Raad van Tucht doet. Opvallend is ook dat de Raad van Tucht zijn uitspraken doet zonder zelfs maar te beschikken over de betreffende jaarrekeningen, laat staan daar één blik in geworpen te hebben.

Het is niet zonder gevaar wat de Raad van Tucht doet. De gevolgen laten zich raden. Uit het vrijspreken van de betrokken accountants leidt iedereen af dat ik "dus" ongelijk heb als ik beweer dat er baten en lasten buiten de rekening zijn gelaten. Niemand begrijpt dat de Raad van Tucht erkent dat er baten en lasten buiten de betreffende rekeningen van baten en lasten zijn gebleven. Het wil er bij niemand in dat het zo is dat de Raad van Tucht de betrokken accountants vrijspreekt en tegelijkertijd erkent dat er inderdaad bedragen buiten de rekening zijn gebleven. Dus leidt iedereen uit de vrijspraak af dat ik "dus" ongelijk heb in mijn beweringen over verzwegen baten en lasten en over verkeerd gepresenteerde saldi van baten en lasten.
Dus slaan door mij gewaarschuwde gemeenteraadsleden en masse mijn waarschuwingen voor misleidende jaarrekeningen in de wind, en worden door die uitspraken van de Raad van Tucht nog verder overtuigd dat het (verkeerde) oordeel dat zij hadden over de omvang van de baten en de lasten en over het saldo daarvan, het goede oordeel is. Dus nemen gemeenteraden geen maatregelen om aan de kwalijke praktijk van het verzwijgen van baten en lasten een eind te maken. Dus gaat deze kwalijke praktijk gewoon door. Dus blijven gemeenteraden op basis van verkeerde cijfers hun controlerende taak uitoefenen. Dus blijft de noodzaak van verhogingen van de Onroerendezaakbelasting op basis van misleidende cijfers verdedigd worden.
De uitspraken van de Raad van Tucht laten ook de enkele gemeenteraadsleden, die er wel degelijk zijn, die de misstand van het verzwijgen van baten en lasten aan willen pakken, stevig in de kou staan. Van hun mederaadsleden krijgen zij steevast te horen dat, omdat de betrokken accountants zijn vrijgesproken, het "dus" niet waar is dat er bedragen buiten de rekening zijn gebleven en dat het "dus" niet waar is dat wat als saldo van baten en lasten wordt gepresenteerd, niet het werkelijke saldo van de baten en de lasten zou zijn. Vervolgens worden deze enkele gemeenteraadsleden politiek volledig geïsoleerd. En zo komt er van de democratische controle op de besteding van gemeenschapsgelden helemaal niets terecht.

Verweer
Ik ga thans in op de door betrokkenen in beroep ingediende verweerschriften.

E. van Milligen (gemeente Tiel) (AWB 03/264)
R.J.M. Boon (gemeente Utrecht) (AWB 03/265)
G.P.Th.M. van Kloppenburg (gemeente 's-Hertogenbosch) (AWB 03/267)
P.K. Elsma en R.A. Vierbergen (gemeente Den Haag) (AWB 03/1176)

Accountants Van Milligen, Boon, Van Kloppenburg, Elsma en Vierbergen hebben identieke verweerschriften over gelegd. Ik behandel ze gezamenlijk. Ik maak een paar opmerkingen.

Onder punt 5. merken zij op dat ik de uitspraken van de Raad van Tucht niet goed zou hebben gelezen. De Raad van Tucht zou nìet hebben geconstateerd dat er inderdaad bedragen buiten de winst-en-verliesrekening zouden zijn gelaten.
Wel, alle uitspraken van de Raad van Tucht gaan er onomstreden impliciet vanuit dat inderdaad bedragen buiten de winst-en-verliesrekening zijn gelaten. Voor de Raad van Tucht staat zonneklaar vast dat er bedragen buiten de winst-en-verliesrekening zijn gelaten. De Raad van Tucht zegt dat dat blijkbaar "binnen de gemeentelijke verslaggeving niet ongebruikelijk is".
Niet ik, maar Van Milligen, Boon, Van Kloppenburg, Elsma en Vierbergen, hebben de uitspraken van De Raad van Tucht niet goed gelezen.
Terzake verwijs ik nog eens naar wat ik over de redenatie van de Raad van Tucht opmerkte in mijn Beroepschrift in zaak AWB03/1176 onder punt 16, c.q. Nadere Memories in de zaken AWB03/264 en AWB03/265 onder punt 15, c.q. Nadere Memorie in de zaak AWB03/267 onder punt 16.
In dit kader spreek ik nogmaals mijn verbijstering uit over deze uitspraak van de Raad van Tucht. Stel je voor dat een strafrechter, omdat hem door de Officier van Justitie tien inbrekers worden voorgeleid, de tien inbrekers vrijuit zou laten gaan, omdat het blijkbaar niet ongebruikelijk is dat er wordt ingebroken. Nogmaals, verbijsterend.

Overigens merk ik nadrukkelijk op dat Van Milligen, Boon, Van Kloppenburg, Elsma en Vierbergen nooit in hun verweer hebben ontkend dat er bedragen buiten de winst-en-verliesrekening zijn gelaten. Integendeel, op verschillende plaatsen in hun verweerschriften in de procedures voor de Raad van Tucht erkennen zij dat impliciet maar ook expliciet.

Onder punt 9. komen betrokkenen met de opmerking dat ik als klager een parallel zou trekken "tussen de regelgeving voor privaatrechtelijke rechtspersonen zoals opgenomen in titel 9 BW 2 en de regelgeving voor de jaarverslaggeving van gemeenten", en zeggen vervolgens dan dat die parallel niet op gaat. Deze opmerking is niet alleen volslagen irrelevant, maar ook volstrekt onjuist. Nergens heb ik verwezen naar BW 2 titel 9; nooit heb ik gezegd dat jaarrekeningen van gemeenten aan de eisen van BW 2 titel 9 zouden moeten voldoen. Nergens heb ik parallellen getrokken tussen BW 2 titel 9 en de Comptabiliteitsvoorschriften. Allemaal dom geklets. Jaarrekeningen van gemeenten moeten voldoen aan de Comptabiliteitsvoorschriften. Dàt is wat ik steeds beweerd heb! Ik heb steeds gezegd dat de Comptabiliteitsvoorschriften in artikel 3 eisen dat een jaarrekening van een gemeente betrouwbaar is, en in artikel 27, eerste deel, dat alle baten en alle lasten in de winst-en-verliesrekening worden opgenomen en in artikel 27, tweede deel, dat de winst-en-verliesrekening het saldo van alle baten lasten vermeldt. De onderhavige jaarrekeningen zijn zwaar in strijd met deze bepalingen!
We hebben het hier over schoolvoorbeelden van jaarrekeningen waarbij slechts een overduidelijke afkeurende accountantsverklaring op zijn plaats is!

Van Kloppenburg (zaak AWB03/267) gaat in zijn verweerschrift in de beroepsfase nergens in op mijn klachtonderdeel inzake de onbetrouwbare weergave van de afschrijvingslasten. Hij gaat dus ook niet in op wat ik daarover aanvoerde in punt 17. van mijn Nadere Memorie. Ik herhaal wat ik aan het slot van dit punt 17. aanvoerde: Een winst-en-verliesrekening waarin afschrijvingslasten ontbreken, is een misleidende winst-en-verliesrekening. De jaarrekening van 's-Hertogenbosch voldoet terzake dus niet aan de allereerste eis van artikel 3 van de Comptabiliteitsvoorschriften dat een betrouwbare jaarrekening eist. Terzake voldoet de jaarrekening ook niet aan de expliciete eis van de Comptabiliteitsvoorschriften in artikel 4 lid 1 dat de jaarrekening moet worden opgemaakt volgens het stelsel van baten en lasten. De jaarrekening voldoet terzake ook niet aan de expliciete eis van artikel 4 lid 2 dat uitgaven als lasten moeten worden toegerekend aan de jaren waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening voldoet terzake ook niet aan de expliciete eis van artikel 57 van de Comptabiliteitsvoorschriften waarin het toerekeningsbeginsel wordt voorgeschreven. De jaarrekening voldoet terzake ook niet aan de expliciete eis van artikel 59 lid 2 van de Comptabiliteitsvoorschriften waarin een afschrijving wordt voorgeschreven "volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur". Overigens, los van welke interpretatie van welk wetsartikel dan ook: Misleidend is en blijft misleidend! En een accountant mag geen goedkeurende verklaring geven aan een misleidende jaarrekening. Zo eenvoudig is dat!

Opvallend maar niet onbelangrijk detail is steeds het verweer op het tweede onderdeel van mijn klachten. Of beter gezegd: het ontbreken van enig verweer! Mijn tweede klachtonderdeel luidt:
"In de rekening van baten en lasten wordt het saldo van alle baten en lasten niet genoemd, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dit expliciet en dus uitdrukkelijk voorschrijven."
Het opvallende van het verweer is dat in alle verweer(schriften), in de eerste fase voor de Raad van Tucht en thans in deze beroepsfase, niet weersproken wordt dat dit saldo van alle baten en lasten niet genoemd wordt, noch in de winst-en-verliesrekening, noch in de toelichting daar bij. Zoals ik al hiervoor zei, zijn we het er allemaal over eens dat er baten en lasten in de winst-en-verliesrekening ontbreken. We zijn het er dus allemaal ook geheel over eens, want niemand ontkent het, dat nergens in de jaarrekening, laat staan in de winst-en-verliesrekening, het saldo wordt genoemd van alle baten en lasten.

Behandeling voorgaande soortgelijke klachten door College van Beroep
De thans aan de orde zijnde klachtzaken zijn er vier uit een serie van elf (nagenoeg) identieke door mij aanhangig gemaakte zaken. Vandaag zijn er vier aan de orde. De andere klachtzaken (AWB 03/263, 03/266, 03/1171, 03/1172, 03/1173, 03/1174 en 03/1175) zijn in beroep door het College tijdens een zitting op 22 april 2004 behandeld. Het College deed uitspraak op 14 juli 2004. Het College heeft in deze eerdere zaken beslist dat het beroep verworpen werd. Opvallend is dat het College de accountants niet vrijuit liet gaan omdat ik ongelijk zou hebben in mijn beweringen over buiten de winst-en-verliesrekeningen gelaten bedragen, of omdat ik ongelijk zou hebben in mijn beweringen dat die jaarrekeningen derhalve niet zouden voldoen aan de Comptabiliteitsvoorschriften. Nee, het College liet de accountants vrijuit gaan omdat in een aan deze reeks voorafgegane zaak (AWB99/458; LJN-AO8201) het College òòk de betrokken accountant vrijuit had laten gaan. Het College stelde in zijn uitspraken van 14 juli 2004 dat de door mij voorgelegde klachten (nagenoeg) identiek waren aan de klacht waarover het College uitspraak had gedaan in die eerste zaak (AWB99/458). In zijn uitspraken van 14 juli 2004 citeerde het College de klacht zoals ik die had voorgelegd in zaak 99/458, en het College constateerde dat de klachten (van de zitting van 22 april 2004) (nagenoeg) identiek waren aan de klacht in de zaak 99/458.
Echter, opvallend is het dat het College in zijn uitspraken van 14 juli 2004 weliswaar nauwgezet de klacht heeft overgeschreven zoals ik deze had geformuleerd in zaak 99/458, maar dat dat nìet de klacht is waarvan de betrokken accountant toentertijd is vrijgesproken. Beslist niet. De betrokken accountant was toentertijd vrijgesproken van iets geheel anders!
Het begon al bij de Raad van Tucht. Simpelweg gezegd komt het erop neer dat toentertijd de Raad van Tucht mijn klacht in al zijn onderdelen vervangen heeft door een geheel andere, door de Raad zelf bedachte klacht, niet zijnde mìjn klacht, en vervolgens de betrokken accountant heeft vrijgesproken van de nieuw geformuleerde klacht. Verbijsterend! Van mijn oorspronkelijk geformuleerde klacht is in de uitspraak van de Raad van Tucht (R168 d.d. 6.4.1999) niets meer terug te vinden. De Raad van Tucht had geheel eigenhandig mijn klacht vervangen door een nieuwe klacht, namelijk de klacht dat de betrokken accountant zich niet zou hebben mogen baseren op de Comptabiliteitsvoorschriften. Vervolgens heeft de Raad van Tucht uitgesproken dat het betrokkene niet verweten mocht worden dat hij zich gebaseerd had op de Comptabiliteitsvoorschriften. Met welke uitspraak ik het uiteraard geheel eens ben; maar het was geen uitspraak op de door mìj voorgelegde klacht! De betrokken accountant is toentertijd dus niet vrijgesproken van de door mìj voorgelegde klacht, maar van een heel andere klacht, een klacht die door de Raad van Tucht in de plaats was gezet van mìjn klacht. Verbijsterend!
In beroep voor het College van Beroep heb ik het College toentertijd uitdrukkelijk op deze geweldige dwaling van de Raad van Tucht gewezen. Echter, het College deed er nog eens een geweldige schep bovenop. Met (alweer) volledig voorbijgaan aan mijn werkelijke klacht, waar òòk het College in het geheel niet op in gegaan is, heeft het College de betrokken accountant vrijuit laten gaan met als motivering: "... dat de regels inzake jaarrekening en jaarverslag, neergelegd in titel 9 van boek 2 van het B.W., volgens artikel 360 B.W. van toepassing zijn op andere rechtspersonen dan gemeenten." Alweer een uiterst merkwaardige, alweer verbijsterende uitspraak, want nooit en te nimmer heb ik beweerd dat Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9 van toepassing is op jaarrekeningen van gemeenten. En zo sprak ook het College van Beroep toentertijd de betrokken accountant vrij van een geheel andere klacht dan mìjn klacht! Mijn werkelijke klacht hield immers op geen enkele wijze in dat de betrokken accountant zich zou hebben moeten baseren op Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9.

Bij de behandeling van de thans aan de orde zijnde klachten en de andere klachten uit deze serie is de Raad van Tucht eindelijk [we zaten inmiddels in 2004 en mijn eerste klacht was al van augustus 1998] voor het eerst ingegaan op de werkelijke inhoud van mijn klachten. Zij het dat de Raad van Tucht klachtonderdeel 2 wederom onbehandeld liet. Zij het dat de Raad van Tucht het alweer niet kon nalaten iets over BW 2 titel 9 te zeggen. Alweer volkomen irrelevant! Het kwaad was echter inmiddels geschied. De Raad van Tucht heeft eenmaal een accountant in deze kwestie van de vele misleidende gemeentelijke jaarrekeningen vrij gesproken, de Raad wenst daar blijkbaar in te volharden. De Raad van Tucht vond een nieuw argument om de betrokken accountants vrij te spreken. Met argument dat het blijkbaar "binnen de gemeentelijke verslaggeving niet ongebruikelijk is dat bedragen buiten de rekening van baten en lasten worden gehouden" liet de Raad van Tucht de betrokken accountants straffeloos naar huis gaan. Waarbij, pikant detail, de Raad zijn kennis over "niet ongebruikelijk", zonder enig eigen of ander onderzoek, louter ontleende aan de omstandigheid dat ik elf zaken had aangespannen met (nagenoeg) identieke klachten.

Ik verzoek Uw College thans dringend eindelijk wèl op mijn klachten in te gaan. Mijn klachten zoals ik ze wèl geformuleerd heb. Graag volledig, zodat ook bijvoorbeeld klachtonderdeel 2 eindelijk aan de orde komt. En graag objectief en met voorbijgaan aan al die uiterst merkwaardige voorgaande vrijspraken van het College op grond van niet relevante argumenten.

Normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd
Ik vraag nog eens apart de aandacht van Uw College voor de alles overstijgende eis die òòk de Comptabiliteitsvoorschriften expliciet stellen, namelijk dat de jaarrekening van een gemeente betrouwbaar is, en dat de normen voor wat wel of niet betrouwbaar is, in de Comptabiliteitsvoorschriften worden aangeduid met "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd". Het is dus het maatschappelijk verkeer dat die normen stelt en uitdrukkelijk nìet de gemeenten, en al helemaal niet "wat binnen de gemeentelijke verslaggeving niet ongebruikelijk is". Het gaat er ook om dat die normen door dat maatschappelijk verkeer aanvaardbaar worden beschouwd. En "aanvaardbaar" is beslist iets anders dan "aanvaard" en het is stellig iets geheel anders dan "niet ongebruikelijk".
Al bij de introductie in 1971 van deze "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" in de wetgeving over jaarrekeningen heeft toenmalige minister mr. C.H.F Polak hier in de parlementaire behandeling zeer nadrukkelijk en expliciet op gewezen. Dit is ook nog eens uitvoerig bevestigd bij de parlementaire behandeling in 1982 van een omvangrijke wijziging van het Burgerlijk Wetboek, waar het ging om voorschriften voor jaarrekeningen van vennootschappen, waar ook het zelfde begrip "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" voorkomt. En in herhaalde jurisprudentie is al in de jaren 80 van de vorige eeuw overduidelijk uitgemaakt dat het onderdeel is van deze "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" dat alle baten en alle lasten ìn de rekening van baten en lasten moeten worden opgenomen.

GBR artikel 17 lid 4
In mijn klaagschriften heb ik steeds gesteld dat de betrokken accountants gehandeld hebben in strijd met GBR artikel 17 lid 4. Deze bepaling luidt dat een goedkeurende accountantsverklaring slechts verstrekt mag worden als de jaarrekening ook inzicht geeft in de grootte en samenstelling van het resultaat. Wel, de betreffende jaarrekeningen doen dat in geen velden of wegen. De Raad van Tucht noemt wel steeds (onder 4.1 van de uitspraken) dat ik dat gesteld heb, maar komt hier op geen enkele wijze op terug, laat staan dat de Raad er uitspraak over doet. Tot op heden is ook dit klachtonderdeel steeds onbehandeld gebleven. Ook in de uitspraken van het College van Beroep van 14 juli 2004.

Ter overweging
In het gezaghebbende tijdschrift "Overheidsmanagement" schrijft Prof. J.H. Blokdijk RA, eminent emeritus-hoogleraar Accountantscontrole aan de Vrije Universiteit Amsterdam, in de inleiding op zijn artikel "Het BBV: bekeken door een burger" (Overheidsmanagement 3/2004, pagina 86 e.v.):
"... onder volksvertegenwoordigers en burgers heerst hier en daar onvrede. Er woedt zelfs een soort veenbrand, aangestoken door de accountant Leo Verhoef. Het kernpunt betreft de bepaling in art. 27 CV95 dat de rekening van baten en lasten de omvang van alle baten en lasten moet weergeven. Verhoef toont telkens weer aan dat gemeenten en provincies hiertegen op grote schaal zondigen."

Tot slot
Het zal toch niet zo zijn dat accountants die goedkeurende accountantsverklaringen geven bij deze misleidende jaarrekeningen, die een belangrijke rol spelen in de controle op de besteding van onze belastinggelden, vrijuit (blijven) gaan?