Dossier: Tuchtzaken(2)

L.W. Verhoef
VERWEERSCHRIFT

door
drs L.W. Verhoef RA

tegen de klacht van
VB Groep B.V., verder te noemen VB

1.Inleiding

De klacht valt naar mijn mening in twee klachten uiteen:

1.  De eerste klacht betreft, als ik het goed begrepen heb, de omstandigheid dat ik een discussie ben aangegaan met de gemeenteraad van mijn woonplaats Wijk bij Duurstede, omdat ik van mening ben dat "mijn" gemeenteraad mij als burger van de gemeente Wijk bij Duurstede, de andere burgers van Wijk bij Duurstede en zichzelf met de jaarrekening 1996 totaal verkeerd voorlicht over de financiële positie van de gemeente en de financiële uitkomsten over 1996. Deze discussie voer ik door middel van brieven die ik aan de gemeenteraad richt. In een aantal ingezonden brieven in het plaatselijke huis-aan-huis-blad de Wijkse Courant heb ik hiervoor aandacht gevraagd. Ik zou hiermee volgens VB "in de plaatselijke politiek en in het ambtelijke apparaat van de gemeente grote opschudding" hebben veroorzaakt. Ik zou "wantrouwen hebben gezaaid tussen het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraadsfracties". Als registeraccountant zou ik hiermee de eer van de stand der registerac­countants hebben geschaad.

2.  Het tweede deel van de klacht betreft, als ik het goed begrepen heb, de omstandigheid dat ik door het gebruiken van de woorden "ondeugdelijk" en "onbetrouwbaar" als kwalificaties van de jaarrekening, een oordeel zou uitspreken over de controle-arbeid van de accountant van de gemeente (i.c. VB) zonder dat ik hem vooraf in de gelegenheid heb gesteld inlichtin­gen te geven. Daarmee zou ik artikel 33 van de GBR hebben geschonden.

VB stelt dat door de politieke colleges in Wijk bij Duurstede aan mijn opvattin­gen uitvoerig aandacht is geschonken, dat besloten zou zijn mijn brieven voor kennisgeving aan te nemen, en dat het college van b&w en de raadscommissie "Midde­len" nadrukkelijk de wens hadden geuit verder verschoond te blijven van mijn "aantijgingen", zoals VB dat noemt. VB stelt dat zij, nadat zij mij dit in een gesprek had meege­deeld en ik desondanks opnieuw een brief aan de gemeente­raad stuurde en opnieuw "de publiciteit zocht", haar niets anders restte dan het indienen van een klacht tegen mij bij uw raad.

VB licht de klachten op onderdelen toe.

In mijn verweer zal ik terwille van een goede beoordeling door uw raad, zoveel mogelijk proberen aan te sluiten aan de indeling van klacht.

2.  Verweer

2.1  klacht 1

Het is inderdaad waar dat ik momenteel als inwoner en dus als burger van de gemeente Wijk bij Duurstede een discussie, en wel een levendige, voer met mijn gemeenteraad. Zoals trouwens zoveel andere burgers op de een of andere wijze over allerhande onderwerpen discussie voeren met "hun" gemeente(bestuur); terecht of niet-terecht, gelijkhebbend of niet-gelijkhebbend, wel of niet onder­steund met ingezonden brieven in "de krant", wel of niet zich orden­telijk gedragend; burgers met uiteenlopende beroepen, scholingen, titels, belangen, etc., maar met één gezamenlijk kenmerk richting gemeente(bestuur), namelijk "burger".

Ik zou niet weten waarom een burger van Wijk bij Duurstede die toevallig registeraccountant is, niet ook een discussie met "zijn" gemeentebestuur zou mogen aangaan. Als dat niet zou mogen, zou ik in veel situaties volkomen rechte­loos zijn. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Ik heb, zoals zovele anderen, zelfs wel vaker een discussie gehad met mijn gemeentebestuur, bijvoorbeeld over de hoogte van mijn aanslag onroerend goedbelasting of over de precieze grens tussen mijn grond en die van de aangrenzende gemeente­grond. Verder staan de kranten "vol" met allerhande ingezonden brieven, ook regelmatig met die van registeraccountants. Ik zou niet weten waarom die van mij er niet tussen zouden mogen staan.

Ditmaal gaat de discussie over wat mijn gemeenteraad aan mij en de andere burgers van Wijk bij Duurstede in zijn jaarrekening 1996 vertelt over de finan­ciële positie en de financiële uitkomsten van 1996 van onze burgerlijke gemeen­schap, i.c. onze gemeente.
Volgens mijn gemeente­raad en volgens de rekening van baten en lasten als onderdeel van de jaarrekening, bedraagt het saldo van de baten en de lasten over 1996 (afgerond) ƒ 1,5 miljoen, terwijl de jaarrekening zelf laat zien dat dit saldo (afgerond) ƒ 9,5 miljoen is. Aan de jaarrekening zelf is te ontlenen dat verschillende baten en lasten onjuist bepaald zijn, zodat ook het saldo van ƒ 9,5 miljoen volstrekt onjuist is.
Volgens mijn gemeenteraad en volgens de balans bedraagt het saldo van het eigen vermogen (afgerond) ƒ 33,1 miljoen, terwijl aan de jaarrekening zelf te ontlenen is dat verschillende activa en passiva onjuist bepaald zijn, zodat het bedrag van ƒ 33,1 miljoen volstrekt onjuist is.
Niet alleen worden ik en de andere burgers van Wijk bij Duurstede daarmee totaal verkeerd voorgelicht, maar worden ook op basis van deze verkeerde cijfers beslissingen door de gemeenteraad genomen die ons als burgers en dus ook mij als burger raken. Het gaat hierbij om beslissingen over bijvoorbeeld de hoogte van de onroerende zaakbelasting, het wel of niet doorgaan van bepaalde gemeentelijke activiteiten en de omvang en de frequentie daarvan.
Niet iedere burger is in staat om jaarrekeningen te lezen; hetzelfde geldt voor de leden van de gemeenteraad. Ik ben daartoe wel in staat.
Als burger wijs ik mijn gemeenteraad en mijn medeburgers op de onjuiste berichtgeving in de jaarre­kening en de (mogelijke) gevolgen van het hanteren van onjuiste cijfers.

Hierna kom ik meer uitvoerig terug op de inhoud van de jaarrekening. De inhoud van de jaarrekening is naar mijn mening voor de oordeelsvorming door uw raad van belang.

Of ik met mijn activiteiten "in de plaatselijke politiek en in het ambtelijke apparaat van de gemeente grote opschudding" heb veroorzaakt en of ik "wantrouwen heb gezaaid tussen het college van burgemeester en wethouders en de gemeente­raadsfracties" is mij niet bekend; het lijkt mij nogal overdreven gesteld. Wellicht is het waar, maar ook dit lijkt mij een goed recht van iedere burger, al dan niet registeraccountant zijnde, en dus ook van mij. Soms is de kwestie er naar, zeker als het bijvoorbeeld om omstreden onderwerpen gaat of een (vermeende) tekortkoming van het gemeentebestuur.
In een levend(ig)e democratie met attente burgers gebeuren dit soort dingen soms. Ik zou niet weten waarom een burger die toevallig registeraccountant is, niet als iedere andere burger aan die democratie en bovendien op zijn eigen wijze zou mogen meedoen. Ik denk zelfs dat een registeraccountant die "vanuit zijn professie" meedenkt en zich inzet voor de kwaliteit van het openbaar bestuur van zijn eigen woonplaats, wellicht zelfs misstanden aan de kaak stelt, daar waardering voor zou moeten krijgen.

Wat VB stelt over "uitvoerig aandacht schenken", "besloten om voor kennisge­ving aan te nemen", en "verschoond te willen blijven van aantijgingen", laat ik geheel voor rekening van VB. Er is mij niets van bekend. Ook al zou het waar zijn, het zal wel vaker voorgekomen zijn en ook in de toekomst blijven voorko­men dat burgers kwesties aan hun gemeentebestuur voorleggen waar dit bestuur uitvoerig aandacht aan schenkt, besluit voor kennisgeving aan te nemen, dan wel wenst van verschoond te blijven. Het lijkt mij dat dit iedere burger, dus ook een burger die toevallig registeraccountant is, niet ervan hoeft te weerhouden met zijn gemeenteraad in discussie te gaan.

Ik begrijp ook niet waarom VB, na mij het bovenstaande zonder resultaat verteld te hebben, genoodzaakt zou zijn om, zoals zij dat zegt, bij uw raad een klacht in te dienen. Ik zie die noodzaak niet. Ik heb immers geen discussie met VB, maar met mijn gemeenteraad. Het zou bij uitstek de gemeenteraad moeten zijn die zich door mijn optreden eventueel "geraakt" voelt en wellicht behoefte zou kunnen voelen tot een klacht bij uw raad. Het tegendeel is echter waar. Ik verwijs u daarvoor naar de brief van 12 januari 1998 die ik van mijn gemeente­raad ontving, ondertekend door de voorzitters van alle fracties, waaruit grote waardering voor mijn activiteiten blijkt. (Bijlage 1)

Ik citeer enkele uitlatingen:
-.... uw betrokkenheid als burger met het wel en wee van de gemeente zeer op prijs te stellen
-.... ervaren wij het als positief dat u vanuit uw professie meedenkt en zich inzet
-.... een woord van dank zeer zeker op zijn plaats
-.... waardevolle suggesties

De inhoud van de brief is ook geheel overeenkomstig de uiterst positieve gesprekken die ik had met de voorzitter en de fractie van de partij Burger Belangen '96, waarvan lijsttrekker Roland Versteeg verslag doet in bijgaand artikel in de Wijkse Courant van 10 december 1997 (Bijlage 5; zie onder "Briefwisseling) en met de fractievoorzitter en de "financiële man" van de partij Groen Links, welke partij overigens ook één van de wethouders "levert".

Kortom, degene die bij uitstek en als enige "beledigde partij" zou kunnen zijn, spreekt zijn grote waardering uit voor mijn inbreng.

Hoe ik mij ook als burger gedraag, of ik in deze gelijk heb of niet, of ik mij wel of niet ordentelijk gedraag, een beoordeling daarvan behoort volgens mij niet tot de competentie van uw raad. Naar mijn menig ook niet als het gaat om een discussie tussen mijn gemeenteraad en mijzelf over de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van de jaarrekening. Het lijkt mij dat ik als inwoner en burger van Wijk bij Duurstede alle recht heb op een discussie met mijn gemeenteraad, ook over de kwaliteit van de jaarrekening.
Mocht een beoordeling van mijn gedragingen in deze kwestie toch tot de competentie van uw raad behoren, dan vraag ik uw aandacht voor de genoem­de brief van mijn gemeentebestuur waarin zij zich zeer waarderend over mijn inbreng uitlaten.

Conclusie:

Ik verzoek uw raad derhalve VB in zijn eerste klacht niet ontvankelijk te verkla­ren dan wel de eerste klacht ongegrond te verklaren.

2.2  klacht 2

Mijn discussie met mijn gemeentebestuur is een discussie over de kwaliteit van de jaarrekening en niet over de kwaliteit van de accountant, noch van zijn controle-arbeid, noch van zijn verklaring bij de jaarrekening. Nergens in mijn brieven aan de gemeenteraad of in mijn ingezonden brieven spreek ik daarover. Mijn gemeenteraad "vertelt" mij als burger in zijn jaarrekening onwaarheid. Daar gaat de discussie over.

De stelling van VB dat door mijn discussie "bij elke lezer de vraag rijst of de accountant van de gemeente (VB) terecht een goedkeurende verklaring bij dit stuk heeft afgegeven" laat ik geheel voor rekening van VB. Ik ken "elke lezer" niet. Ik denk ook VB niet. Ik weet niet wat bij "elke lezer" gebeurt. En als er inderdaad lezers zijn, bij wie - terecht of niet terecht - de door VB genoemde vraag rijst, dan zij dat zo. Ik kan dat niet tegenhouden. Zoals ik ook niet kan tegenhouden dat er lezers van de jaarreke­ning van Wijk bij Duurstede zullen zijn bij wie - terecht of niet terecht - de vraag rijst of de accountant van de gemeen­te terecht een goedkeu­rende accountantsverklaring bij de jaarrekening heeft afgegeven. Dat kan ook VB niet tegenhouden.

De stelling van VB dat ik (impliciet) een oordeel zou uitspreken over de controle-arbeid van VB, komt mij ongerijmd voor. Ik zou niet weten hoe ik door het gebruik van de woorden "ondeugdelijk" en "onbetrouwbaar", die in mijn "schrifturen" overduidelijk (alleen) betrekking hebben op de jaarrekening, een (impliciet) oordeel zou geven over de controle-arbeid van de accountant. Ik ken deze arbeid niet. Ik heb VB nooit in Wijk bij Duurstede aan het werk gezien. Ik heb me daar in mijn "schrif­turen" nooit over uitgelaten. Waarom zou ik? Toen ik aan de discussie begon, kende ik de accountantsverklaring zelfs niet. Deze is namelijk niet in het boekwerk van de jaarrekening opgenomen. De discussie gaat daar helemaal niet over.

Een goede procesgang vereist n.m.m. dat VB ten genoege van uw raad duidelijk maakt waar ik mij uitlaat over de controle-arbeid van VB. VB heeft dat n.m.m. niet gedaan.

Ik zou de accountant vooraf in de gelegenheid moeten stellen inlichtingen te geven? Ik zou door dit niet te doen artikel 33 van de GBR schenden?
Uiteraard ten overvloede wijs ik uw raad erop dat artikel 33 onderdeel is van GBR hoofdstuk lV, waarover artikel 22 zegt:
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden uitsluitend voor registeraccountants voor zover zij optreden als openbaar accountant.
Wanneer registeraccountants optreden als "openbaar accountant", wordt aangegeven in GBR artikel 2 de leden 2 en 7.

De stelling van VB op blz 6 onder 3 "dat Verhoef zich in het openbaar presen­teert als registeraccountant en derhalve handelt als openbaar accountant" komt mij zeer onzorgvuldig voor. Het is waar dat ik registeraccountant ben en mezelf als zodanig presenteer (ik hoef mij daar toch niet voor te schamen?; hoewel -zeker in deze kwestie - ik telkens een gevoel van diepe plaatsvervangende schaamte niet kan onderdrukken). Waar echter de GBR een zorgvuldig onder­scheid aanbrengen tussen wat het "zijn van registeraccountant" aangaat (hoofd­stuk ll), wat het "optreden als accountant" aangaat (hoofdstuk lll) en wat het "optreden als open­baar accountant" aangaat (hoofdstuk lV), is het n.m.m. wel heel onzorgvuldig van VB dit onder­scheid weg te vagen met de eenvoudige opmer­king dat het zich presenteren als registerac­countant gelijk staat aan het handelen als openbaar accountant.

Een goede procesgang vereist n.m.m. dat VB ten genoege van uw raad duidelijk maakt dat ik in deze kwestie optreedt als openbaar accountant. VB heeft dat n.m.m. niet gedaan.
In een goede procesgang hoeft een beklaagde niet zijn eigen onschuld te bewijzen. Ik doe dat dan ook niet.

Het is n.m.m. duidelijk dat ik in de brieven aan mijn gemeenteraad en in de ingezonden brieven in het plaatselijke huis-aan-huis-blad de Wijkse Courant ik louter als inwoner en burger van Wijk bij Duurstede ben opgetreden. In ieder geval is dat wel aan mijn gemeenteraad duidelijk geworden, getuige de eerder genoemde brief van 12 januari 1998:
.... dat wij uw betrokkenheid als burger (onderstreping: LWV) met het wel en wee van de gemeente zeer op prijs stellen

Had ik, ondanks het feit dat ik niet als openbaar accountant optreed, toch niet eerst VB om inlichtingen moeten vragen? Het inwinnen van inlichtingen zou een vrij formele en weinig zinvolle bezigheid zijn geweest. Zo oordeelde VB zelf in ons gesprek op 6 november 1997 ten kantore van VB. Ik ben het daar geheel mee eens. Ons beider mening over de vraag of een jaarrekening als die van Wijk bij Duurstede zich leent voor een goedkeuren­de accountants­verklaring, zijn over en weer al jaren voldoende bekend.
Mijn mening heb ik ondermeer weergegeven in mijn bijdrage De accountantsver­klaring bij jaarreke­ningen van gemeenten: andere tekst of andere strekking? in "De Accountant" van juli/augustus 1995. (Bijlage 6) Ik verzoek uw raad de tekst van deze bijdrage als hier ingelast te beschouwen. Ik meen dat het voor een goede beoordeling van de kwestie door uw raad van belang is dat u kennis neemt van de inhoud van deze bijdrage. Het is voor uw raad n.m.m. van belang te weten dat op dit artikel door niemand in "De Accountant" gereageerd is met de stelling dat ik ongelijk heb!

(Voor het geval overigens dat (terecht) geconstateerd zou worden dat ik mij na 6 november 1997, op enig moment wèl optredend als openbaar accountant, wèl over de arbeid van VB in deze kwestie zou (hebben) uit(ge)laten, acht ik het gesprek op 6 november 1997 de gelegenheid als bedoeld in GBR artikel 33.)

Conclusie:

Ik verzoek uw raad derhalve, alleen al op grond van het feit dat VB haar tweede klacht niet heeft onderbouwd, VB ook in deze klacht niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de klacht ongegrond te verklaren.

2.3  De jaarrekening

Ik ben het met VB eens dat het voor een goed begrip van de zaak noodzakelijk is dat enige verslaggevingsaspecten van de jaarrekening 1996 van de gemeente Wijk bij Duurstede aan de orde komen.
Ook om een andere reden (waarop ik hierna terugkom) meen ik dat het van groot belang is dat uw raad hier aandacht aan besteedt.

Voor een goede beoordeling van de jaarrekening dient uw raad n.m.m., naast de eis dat een jaarrekening, en dus ook die van Wijk bij Duurstede, een betrouw­baar beeld dient te geven van de financiële positie en van (het saldo van) de baten en de lasten, ook de wettelijke eisen te kennen waaraan gemeentelijke jaarreke­ningen dienen te voldoen. Deze eisen zijn opgenomen in het zogenoem­de Besluit Comptabiliteitsvoorschriften 1995, kortweg "CV".
De relevante bepalingen zijn:

- artikel 4 lid 1: "Voor .... de jaarrekening wordt het stelsel van baten en lasten gehanteerd."

- artikel 3: ".... de jaarrekening .... geeft volgens normen die in het maatschap­pelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten."

- artikel 27: "De rekening van baten en lasten en de toelichting geven ge­trouw, duidelijk en stelselmatig de omvang van alle baten en alle lasten, alsmede het saldo daarvan weer." ("daarvan" = van alle baten en alle lasten! onderstrepingen: LWV)
(N.B. De CV schrijven dus expliciet het all inclusive concept voor!)

- artikel 33 lid 1: "De balans met toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de financiële positie en de samenstelling daarvan in actief- en passiefposten op het einde van het begrotingsjaar weer."

- artikel 57: "Bij de toepassing van de waarderings- en afschrijvingsmethoden wordt het toerekeningsbeginsel in acht genomen."

Aan de jaarrekening 1996 van Wijk bij Duurstede zelf valt te ontlenen :

- De rekening van baten en lasten, die eindigt met een voordelig saldo van ƒ 1.434.534, is onvolledig. Vergelijking van het saldo van het eigen vermo­gen aan het begin en aan het eind van 1996 laat een vermogenstoename zien van ƒ 8.380.354. Tel hierbij op het bedrag van de investeringen die op het eigen vermogen in mindering gebracht zijn ad ƒ 1.205.020, en dit eenvoudige rekensommetje laat zien dat het werkelijke saldo van alle baten en lasten ƒ 9.585.374 bedraagt.
Met andere woorden: de jaarrekening (bestaande uit balans, rekening en toelichtingen) geeft aan dat het saldo van alle baten en lasten ƒ 9.585.374 bedraagt, de rekening (onderdeel van de jaarrekening) geeft aan dat het saldo van sommige baten en lasten ƒ 1.434.534 bedraagt.
Met weer andere woor­den: volgens de jaarrekening bedraagt het saldo van de baten en lasten ƒ 9.585.374, waarvan in de rekening ƒ 1.434.534 is opgenomen en ƒ 8.150.840 buiten de rekening. Het bedrag van de baten en de lasten ad ƒ 8.150.840 die buiten de rekening zijn gelaten, zijn keurig gespecificeerd op de pagina's 24 en 25 van de jaarrekening.
(Het bedrag van de investeringen die in mindering van het eigen vermo­gen gebracht zijn ad ƒ 1.205.020, is niet in de jaarrekening te vinden, maar mij door het college van b&w meegedeeld in zijn brief van 25 september 1997, pagina 3 sub 4 (Productie 4 van VB).

- Aan diverse toelichtingen bij en specificaties van posten van de balans en de rekening is zonneklaar te ontlenen dat een groot aantal baten en lasten, of ze nu binnen of buiten de rekening opgenomen zijn, volstrekt verkeerd, d.w.z. te hoog dan wel te laag, bepaald zijn. Dat betekent dat noch het saldo van de baten en lasten die binnen de rekening opgenomen zijn, noch het saldo van de baten en de lasten die buiten de rekening opgenomen zijn, noch het saldo van alle baten en lasten juist is.
Met andere woorden: de jaarrekening zegt dat het saldo van de baten en de lasten ƒ 9.585.374 bedraagt, maar zegt zelf (!!) eveneens dat dit saldo onjuist is.
Met weer andere woorden: de jaarrekening is een bonte verzameling van heel veel uiterst willekeurige getallen maar geeft geen enkel antwoord op de vraag wat het werkelijke saldo van de baten en de lasten is.

- Aan diverse toelichtingen bij en specificaties van posten van de balans en de rekening is zonneklaar te ontlenen dat een groot aantal balansposten vol­strekt verkeerd, d.w.z. te hoog dan wel te laag, bepaald zijn. Dat betekent dat het in de balans opgenomen saldo van het eigen vermogen volstrekt onjuist is.
Met andere woorden: de jaarrekening zegt dat het saldo van het eigen vermogen ƒ 33.077.555 bedraagt, maar zegt zelf (!!) even­eens dat dit saldo onjuist is.
Met weer andere woorden: de jaarrekening is een bonte verzameling van heel veel uiterst willekeurige getallen maar geeft geen enkel antwoord op de vraag wat het werkelijke saldo van het eigen vermogen is.

Mijn "grieven" tegen de jaarrekening heb ik mijn gemeenteraad omstandig uiteengezet. Ik heb al mijn bezwaren zorgvuldig en uitvoerig gedocumenteerd. (Anders dan VB op diverse plaatsen in de klacht beweert.) Waar nodig heb ik verwezen naar de relevante wetteksten, waar nodig steeds de tekst hiervan geciteerd. Omdat ik schreef voor niet financieel deskundigen, heb ik steeds geprobeerd vakjargon te vermijden en in eenvoudige en duidelijke taal de kwesties uiteen te zetten. U vindt mijn uiteenzettingen (voornamelijk) in de brieven aan de gemeenteraad van 12 augustus 1997 (Productie 1 van VB) en van 3 oktober 1997 (Productie 7 van VB).
Mijn brief van 3 oktober 1997 was een reactie op de brief van het college van b&w van 25 september 1997 (Productie 4 van VB). Opvallend is dat het college in deze brief van al mijn bezwaren zegt dat ik volkomen gelijk heb. Mijn ver­woording daarvan treft u aan in mijn brief van 3 oktober 1997.

Ik moge uw raad dringend verzoeken zorgvuldig kennis te nemen van de inhoud van deze brieven.

De aanleiding tot mijn discussie met mijn gemeenteraad was een bericht in de Wijkse Courant van 30 juli 1997 met als kop Gemeente houdt bijna anderhalf miljoen over (Bijlage 2). De krant ontleende de gedachte van het overschot van ƒ 1,5 miljoen aan de aanbiedingsbrief van het college van b&w bij de jaarreke­ning.
Deze aanbie­dings­brief (Bijlage 3), die gezamenlijk met de jaarreke­ning werd overgelegd (d.w.z. als pagina 3 binnen hetzelfde boekwerk met als opschrift "Jaarrekening 1996"!) en waarop derhalve ook de accountantsverklaring volgens GBR artikel 12 lid 1 onverminderd betrekking heeft, bevat de passage:
De jaarrekening 1996 sluit met een batig saldo van ƒ 1.434.534 (onder­streept: LWV)

Hoewel de jaarrekening, voor lezers die in staat zijn een jaarrekening te lezen, toch zo duidelijk aangeeft dat er baten en lasten buiten de rekening om geleid zijn en dat het saldo van alle baten en alle lasten ƒ 9,5 miljoen bedraagt, was het misverstand reeds geboren. Daarna heeft niemand, behalve ikzelf, gepro­beerd dit misverstand weg te nemen.

Het misverstand was zo hardnekkig vast gaan zitten bij alle betrokkenen, dat het college van b&w, overigens zonder dat de gemeenteraad hierover gespro­ken en hiertoe besloten had (!), in de Wijkse Courant van 5 november 1997 (Pro­ductie 12 van VB) de mededeling meende te moeten plaatsen:
Dit saldo was, is en blijft ƒ 1.434.534.

Wat de accountant (i.c. VB) betreft, is dit merkwaardig, omdat VB in zijn klacht (pagina 4/5) uitdrukkelijk te kennen geeft er weet van te hebben dat er baten en lasten buiten de rekening om rechtstreeks aan het eigen vermogen zijn toege­voegd c.q. in mindering zijn gebracht. Dit roept de vraag op of VB niet, nu het gemeentebestuur op 5 november 1997 publiekelijk publiceert dat
-alle punten van kritiek .... getoetst zijn .... ook door onze externe registerac­countant, en
-gedegen onderzoek door .... externe experts hebben geen onregelmatigheden aan het licht gebracht, zodat
-Dit saldo was, is en blijft ƒ 1.434.534
hierop eveneens publiekelijk had moeten reageren met de mededeling dat deze interpretatie van de uitkomsten van haar onderzoek (volgens GBR artikel 1, 6e en 7e gedachtenstreepje is dit een verklaring) geheel onjuist is. Ik kan mij niet voor­stellen dat de medede­ling van het gemeentebestuur geschied is met haar voorafgaande uitdrukkelijke toestemming. Ik vraag mij zelfs af of VB op grond van GBR artikel 12 leden 3 en 4, nu haar verklaring was vervangen door een mededeling van een ander, een mededeling die, het kan niet anders, sterk afwijkend was van de strekking van de uitkomsten van haar onderzoek, niet gehouden was herstel te verzekeren, zeker waar het gaat om belangrijke informatie en grote belangen. Door dit na te laten is bij velen, ook bij gemeente­raads­leden, grote verwarring gezaaid, zo is mij gebleken. Ja zelfs heeft VB, door dit herstel niet te verzekeren, de mening bij velen doet postvatten dat het saldo van de baten en de lasten inderdaad ƒ 1,5 miljoen is.
Hierdoor ook heeft VB oncollegiaal gehandeld jegens een andere registeraccoun­tant, i.c. mijzelf, die alle betrokkenen er juist van probeert te overtuigen dat de jaarrekening aangeeft dat dit saldo niet ƒ 1,5 miljoen is.
N.m.m. komt dit nalaten van VB de eer van de stand der registerac­countants niet ten goede, ja is n.m.m. zelfs de eer van de stand der registeraccountants hierdoor geschaad.
Ik verzoek uw raad hier goede notitie van te nemen.

De inhoud van de brief van het college van b&w van 25 september 1997 (Productie 4 van VB) is daarom merkwaardig, omdat het college daarin zelf toegeeft dat al mijn punten van kritiek terecht zijn. Het is een publiek geheim dat deze brief geconcipieerd is door VB, wat mogelijk verklaart dat het college in een dergelijke brief, zonder het zich te realiseren, mij volkomen gelijk geeft, maar publiekelijk in de Wijkse Courant van 5 november 1997 de hiervòòr genoemde mededeling plaatst.
Ook dit brengt mij ertoe te menen dat VB, wetend dat al mijn kritiekpunten terecht waren, had moeten voorkomen dan wel had moeten herstellen wat door de publieke mededeling is fout gegaan.

De jaarrekening geeft derhalve aan dat het saldo van de baten en de lasten niet ƒ 1,5 miljoen is, zoals de rekening aangeeft en het gemeentebestuur bij hoog en bij laag volhoudt, maar ƒ 9,5 miljoen. De jaarrekening geeft echter ook aan dat dit saldo van ƒ 9,5 miljoen onjuist is. De jaarrekening geeft ook aan dat wat de balans als omvang van het eigen vermogen presenteert, geheel onjuist is. Wat de werkelijke omvang van het eigen vermogen en van het saldo van de baten en de lasten is, valt uit de jaarrekening niet af te leiden.

Dit brengt mij op de accountantsverklaring bij de jaarrekening. Dit is een goedkeurende verklaring. Voor de tekst van de verklaring verwijs ik uw raad naar de brief van het college van b&w van 25 september 1997 (Productie 4 van VB) pagina 1 (waarbij ik eraan voorbijga dat deze tekst afwijkt van de tekst van de verklaring zoals die werkelijk door VB gegeven is (Bijlage 4). Het is een goedkeurende verklaring bij een jaarreke­ning die volstrekt niet een zodanig inzicht geeft in de grootte en samenstelling van het vermogen en het resultaat van de huishouding als in de gegeven omstandighe­den vereist is. Dit is een schending van GBR artikel 17 lid 4, wat, zeker nu zoveel aandacht geves­tigd is op deze jaarrekening en de financiële belangen van de gemeente en de burgers van Wijk bij Duurstede in het geding zijn, n.m.m. schadelijk is voor de eer van de stand der registerac­countants.
Ik verzoek uw raad ook hiervan goede notitie te nemen.

Daaraan doet niet af dat VB een andere tekst voor de verklaring gebruikt dan de tekst die de Richtlijnen voor de Accountantscontrole noemen (Richtlijnen voor de Accountantscontrole, Editie 1996, pagina 567) als tekst ingeval van jaarre­keningen van gemeenten en provincies.
N.B. Het gecursiveerde gedeelte is op pagina 3 van de klacht - waarschijnlijk niet zonder goede reden - door VB weggelaten in het citaat uit mijn brief van 3 oktober 1997, waardoor het citaat en het commentaar daarbij opeens een heel andere wending krijgt.
Een goede procesgang vereist n.m.m. dat er correct geciteerd wordt.
Uw raad gelieve van deze weglating goede notitie te nemen.

Afgezien van de merites van de (blijkens de klacht, pagina 2, door de commissie Controlevraagstukken van het NIVRA geaccordeerde doch hoogst dubieuze) tekst van de verklaring, blijft de verklaring een goedkeurende verklaring. En volgens GBR artikel 17 lid 4 houdt een goedkeurende verklaring aangaande een jaarrekening het oordeel in dat deze zodanig inzicht geeft in de grootte en samenstel­ling van het vermogen en het resultaat van de huishouding als in de gegeven omstandigheden vereist is.

Hierbij zien, wellicht anders dan VB denkt, de woorden als in de gegeven omstandigheden vereist is niet (alleen) op de wettelijke voorschriften terzake van die jaarrekening, maar in de eerste plaats en vooral op het beeld dat de jaarrekening in de gegeven omstandigheden bij de lezer oproept.
Een jaarrekening die geen goed beeld geeft van de baten en de lasten en het saldo daarvan, en van het eigen vermogen en de samenstelling daarvan, maar wèl zou voldoen aan geldende wettelijke voorschriften, is en blijft een jaarreke­ning die geen getrouw beeld geeft van de baten en de lasten en het saldo daarvan, en van het eigen vermogen en de samenstelling daarvan.
Een jaarreke­ning die wèl voldoet aan wettelijke eisen kan tegelijkertijd mislei­dend zijn.
De Richtlijnen voor de Accountantscontrole onderkennen dit heel goed. Zij zeggen (Uitgave 1996, pagina 523):
Deze Richtlijn besteedt geen aandacht aan de vorm en inhoud van de accountantsverklaring in de situatie dat de jaarrekening weliswaar in over­eenstemming is met een toegelichte grondslag voor de verslaggeving, voorgeschreven in wetgeving ...., maar dat dergelijke grondslagen resulteren in misleidende jaarrekeningen.

Immers, àls de wettelijke voorschriften zouden verplichten tot een misleidende jaarrekening (wat echter bij de CV, behoudens een hier niet relevante uitzonde­ring, geenszins het geval is!!), moet dit, terwille van de door GBR artikel 11 lid 1 verlang­de duidelijkheid, volgens GBR artikel 13 lid 1 ondubbelzinnig blijken door het opnemen van de tekst dat de jaarrekening wellicht wel voldoet aan de betreffende wetgeving, maar gèèn getrouw beeld geeft van vermogen en (saldo van) baten en lasten.
Zo ook Richtlijnen voor de Accountantscontrole 700.39, die in het geval van een misleidende jaarrekening een afkeurende verklaring voorschrijven.

De lezer van een jaarrekening die opgemaakt moet worden volgens het stelsel van baten en lasten (zoals CV artikel 4 voorschrij­ven) verwacht dat die jaarreke­ning inderdaad is opgemaakt volgens dit stelsel en dat dus de baten en de lasten, de activa en de passiva en het eigen vermo­gen bepaald zijn volgens de eisen die dit stelsel stelt. Hij/zij verwacht dat de ontvangsten en de uitgaven toegerekend zijn aan de perioden waarop ze betrekking hebben, dat de vorderin­gen onder de "Vorderingen" zijn opgenomen en de schulden onder de "Schul­den", dat wat als vorderingen wordt aangeduid inderdaad vorderingen zijn, en wat als schulden wordt aangeduid inderdaad schulden zijn, dat voorzieningen niet als reserves onder het eigen vermogen zijn opgenomen, en dat wat als voorzieningen gepresenteerd wordt, inderdaad voorzieningen i.c. verplichtingen zijn, dat onder de kosten geen fictieve rentekosten voorkomen en dat onder de kosten geen afschrijvingslasten ontbreken, en dat, als dat niet het geval is, de jaarrekening dit duidelijk aangeeft en de accountantsverklaring ondubbelzinnig net zo.

De jaarrekening 1996 van de gemeente Wijk bij Duurstede voldoet in het geheel niet aan deze terechte verwachtingen en geeft dus niet het inzicht in de grootte en samenstelling van het vermogen en het resultaat van de huishouding als in de gegeven omstandigheden vereist is.
Een dergelij­ke jaarrekening deugt niet, is mislei­dend en derhalve volstrekt onbetrouwbaar. Een gemeentebestuur dat blijft volhouden, tegen beter weten in, dat een dergelijke jaarrekening wèl deugt, nièt misleidend is en wèl betrouw­baar, handelt niet integer. Over mijn mening dienaangaande hoeft geen enkel misverstand te bestaan. En als bij een dergelij­ke jaarrekening een goedkeurende accountantsverklaring is opgenomen, leidt dit bij mij tot een gevoel van diepe plaatsvervangende schaamte.

Wat VB te berde brengt (klacht, pagina 3) over een verschil tussen algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en specifieke grondslagen voor financiële verslaggeving is volstrekt irrelevant. Een accountantsverklaring die als een cryptogram gelezen moet worden en bedoelt te zeggen dat de baten en de lasten, het saldo daar­van, de activa en de passiva en het eigen vermogen niet bepaald zijn volgens de regels van het stelsel van baten en lasten, dat wil zeggen niet gewoon volgens algemeen aanvaarde grondslagen voor financi­le verslagge­ving, is in strijd met GBR artikel 11 dat bepaalt dat ook accountants­verklaringen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid. Als een jaarrekening niet voldoet aan algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, moet de lezer dat in de jaarrekening en in de accoun­tantsverkla­ring ondubbelzin­nig en duidelijk worden meegedeeld. De lezer weet dan dat de jaarrekening geen enkel inzicht biedt in de werkelijke omvang van (het saldo van) de baten en de lasten en van de werkelijke omvang van het eigen vermogen.
De lezer weet dan wat hij/zij aan een dergelijke jaarreke­ning heeft, namelijk niets.

De lezer verwacht dat de jaarrekening de werkelijkheid weergeeft, de werkelijke omvang van de baten en de lasten, het werkelijke saldo van de baten en de lasten, de werkelijke omvang van de verplichtingen en de werkelijke omvang van het eigen vermogen.
De jaarrekening van Wijk bij Duurstede geeft deze werkelijkheid niet.

Het kan n.m.m. ook nooit de bedoeling zijn geweest van de commissie Contro­levraagstukken van het NIVRA dat het toestaan van het gebruik van de door VB gehanteerde accountantsverklaring een vrijbrief zou opleveren om jaarrekenin­gen als die van Wijk bij Duurstede goed te keuren. Ook de commissie Controle­vraagstukken kent heel goed de door mij hiervòòr geciteerde tekst uit Richtlijnen voor de Accountantscontrole pagina 523 en de door mij geciteerde tekst van Richtlijnen voor de Accountantscontrole 700.39, en weet heel goed dat misleidende jaarrekeningen nooit van een goedkeu­rende accountantsverklaring voorzien kunnen worden.

Wat er waar zij van wat VB opmerkt over het wel of niet mogen gebruiken van deze tekst van een goedkeurende accountantsverklaring, de eisen van de CV zijn duidelijk (overigens dezelfde als die van BW titel 9), namelijk:
volgens het stelsel van baten en lasten en daarbinnen volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwd worden een zodanig inzicht geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten, waarbij de rekening alle baten en lasten en het saldo daarvan (namelijk van al die baten en lasten) getrouw, duidelijk en stelselmatig weergeeft, en de balans getrouw, duidelijk en stelselmatig de financiële positie.

De jaarrekening 1996 van Wijk bij Duurstede voldoet stellig òòk niet aan deze wettelijke eisen.

VB heeft derhalve ten onrechte een goedkeurende verklaring bij deze jaarreke­ning verstrekt, wat, zeker nu alle aandacht op deze jaarrekening gevestigd is en de volhardende houding van het gemeentebestuur dat de jaarrekening wel degelijk betrouwbaar is, (waarschijnlijk) alles te maken heeft met die goedkeu­rende accoun­tantsver­klaring, schadelijk is voor de stand van de eer der register­ac­countants en derhalve een schending is van GBR artikel 5.
Ik verzoek uw raad daar goede notitie van te nemen.

Ik wijs uw raad ook op de passage in mijn brief aan de gemeenteraad van 3 oktober 1997 (Productie 7 van VB) onder "Voorzieningen" (pagina 4). Het was niet alleen het gemeentebestuur, maar ook VB bekend, toen zij de jaarrekening van een goedkeurende verklaring voorzag, dat van de voorzieningen ad ƒ 12,3 miljoen een bedrag van ƒ 4,6 miljoen ten onrechte daaronder was opgenomen!

Ik wijs uw raad ook op de passage in dezelfde brief van 3 oktober 1997 onder "Volledigheid overige informatie" (pagina 5). Aan de jaarrekening ontbreekt belangrijke toelichtende informatie, waarvan de CV expliciet voorschrijven dat ze in de jaarrekening opgenomen moet worden! Het college geeft dit toe in zijn brief van 25 september 1997 (Productie 4 van VB), een brief die N.B. door VB zelf geconcipieerd is!
Derhalve meldt de accoun­tantsverkla­ring ten onrechte dat de jaarrekening "ook overigens voldoet aan de bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgeno­men in dit besluit" (i.c. de CV).

Kortom,
nu zo overduidelijk is dat
- het saldo van de baten en de lasten niet ƒ 1,5 miljoen is, zoals de rekening van baten en lasten aangeeft en het college van b&w in zijn aanbiedingsbrief bij de jaarrekening schrijft en de gemeenteraad wil blijven (doen) geloven, maar volgens de jaarrekening ƒ 9,5 miljoen bedraagt;
- verschillende baten en lasten zoals ze in de jaarrekening opgenomen zijn, onjuist bepaald zijn, zodat ook het saldo van ƒ 9,5 miljoen volstrekt onjuist is;
- verschillende activa en passiva zoals ze in de jaarrekening opgenomen zijn, onjuist bepaald zijn, zodat het in de balans opgenomen bedrag van het eigen vermogen ad ƒ 33,1 miljoen ook volstrekt onjuist is;
- aan de jaarrekening belangrijke wettelijk voorgeschreven toelichtende informatie ont­breekt,
had en heb ik n.m.m. nog steeds alle reden om als burger van Wijk bij Duurste­de tegen de onjuiste en onvolledige berichtgeving door mijn gemeentebestuur te protesteren.

VB, i.c. haar vertegenwoordiger K. Bruggeman RA, verder te noemen Brugge­man, heeft bij deze jaarrekening ten onrechte een goedkeurende accountants­verklaring gegeven, waardoor velen, waaronder gemeenteraadsleden, ten onrechte denken dat wat de rekening dan wel de jaarrekening als saldo van baten en lasten en de balans als eigen vermogen aangeeft, met de werkelijkheid overeenkomt.

VB, i.c. Bruggeman, heeft, toen het gemeentebestuur publiceerde dat de uitkomsten van een nieuwe toetsing en gedegen onderzoek door VB (i.c. Bruggeman) waren dat het saldo van de baten en de lasten ƒ 1,5 miljoen was en dat mijn punten van kritiek niet gegrond waren, terwijl VB (i.c. Bruggeman) heel goed wist dat dit saldo niet ƒ 1,5 miljoen was en dat mijn punten van kritiek volkomen terecht waren, en ook wist dat wat het gemeentebestuur publiceerde niet overeen kwam met de uitkomsten van die toetsing en dat onderzoek, nagelaten herstel te verzekeren.

Door het verstrekken van deze goedkeurende verklaring en het nalaten herstel te verzekeren heeft VB, i.c. Bruggeman, verschillende bepalingen van de GBR geschonden, ten minste artikel 5. Naar mijn mening is in deze kwestie zelfs sprake van grove schending.

Conclusies:

1. Ik verzoek uw raad dringend in uw uitspraak in deze zaak op te nemen dat ik naar uw oordeel zeer goede redenen had en heb om als burger van Wijk bij Duurstede in verweer te komen tegen de berichtgeving door mijn gemeentebestuur in en over de jaarrekening van Wijk bij Duurstede.

2. Ik verzoek uw raad dringend te overwegen of niet in deze zaak de verkeer­de registeraccountant bij u als aangeklaagde is voorgedragen.
Ik verzoek uw raad dringend te overwegen of niet Bruggeman zich naar uw oordeel schuldig heeft gemaakt aan schending, zo niet grove schen­ding, van diverse bepalingen van de GBR, m.n. artikel 5.
In het geval uw raad dit laatste van oordeel is, verzoek ik uw raad drin­gend te overwegen uw tegen Bruggeman gerezen bezwaren ambtshalve in behandeling te nemen. Wet op de Registeraccountants artikel 40 lid 1 geeft u daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid.

3. Overige toelichtingen

3.1.  Algemeen

VB noemt in zijn toelichting op de onderdelen van de klacht en daarna een groot aantal punten, die vaker het karakter hebben van gevoelens, zelfs van insinua­ties, dan van werkelijke feiten en omstandigheden. Ook citeert VB allerlei zinnen en woorden uit mijn "schrifturen", daarmee - los van context - soms iets geheel anders suggererend dan wat ik werkelijk - bezien binnen de context - geschre­ven heb.
Ik meen erop te mogen vertrouwen dat uw raad dat ook is opgevallen en die gevoelens en insinuaties ook als zodanig waardeert.

Terwille van een formeel goede procesgang ontken ik bij deze alles wat VB te berde brengt. Ik meen erop te mogen vertrouwen dat uw raad alleen die feiten en omstandigheden meeweegt die in het kader van deze zaak relevant zijn en alleen voorzover ze door VB ten genoege van uw raad genoegzaam aangetoond zijn.
Ik verzoek uw raad hier goede notitie van te nemen.

Het is mij onmogelijk op alle door VB aangedragen insinuaties en onjuistheden in te gaan. Ik denk dat dat voor een goede oordeelsvorming door uw raad niet nodig is. Ik bepaal me daarom tot die punten die n.m.m. relevant zijn.

3.2.  Arbeidscontract met VB

VB memoreert onder 1.4 dat ik oud-medewerker van VB ben en dat het arbeidscontract door de kantonrechter ontbonden is. Deze constatering is juist.

Bij en sinds mijn indiensttreding bij VB in 1989 (daarvòòr was ik als senior-medewerker werkzaam bij Van Dien + Co) trof ik daar nagenoeg alleen jaarre­keningen aan van de kwaliteit (of beter gezegd: met precies hetzelfde gemis aan kwaliteit) als die van Wijk bij Duurstede. Het betrof evenzo jaarrekeningen die aan BW 2 titel 9 moe(s)ten voldoen. Na bijna 6 jaar lang iedere keer weer opnieuw te hebben laten weten dat dit soort jaarrekeningen, noch die van rechtspersonen die onder BW 2 titel 9 vallen, noch die van gemeenten en provincies, noch die van andere rechtspersonen, ten ene male niet voor een goedkeurende verklaring in aanmerking komen, en na verschillende publicaties over de mogelijke kwaliteitsverbeteringen van de jaarrekeningen en begrotingen van (de meeste) gemeenten en provincies, heeft de kantonrechter mij op verzoek van VB ontslagen. Moet je maar niet zo lastig zijn! De kantonrechter, zo bleek in deze zaak, heeft aan GBR artikel 20 ("Het optreden in dienstbetrekking tast de eigen vaktechnische verantwoordelijkheid van de registeraccountant niet aan."), zo bleek, geen enkele boodschap.
Summum ius, summa iniuria

3.3  BW 2 titel 9

VB stelt onder 2.1 dat ik van mening zou zijn dat alle jaarrekeningen, zo ook die van gemeenten, behoren te voldoen aan BW 2 titel 9. Waarom VB dit denkt en stelt, ja zelfs daarvoor verwijst naar mijn publicaties waarin deze mening te vinden zou zijn, is mij een raadsel. Ik ben dat niet van mening, ik heb dat ook nooit beweerd. Integendeel! Uiteraard weet ik heel goed dat voor gemeenten de CV gelden.

Het is wel zo, maar dat is iets geheel anders, dat de kapstokartikelen van BW 2 titel 9 en die van de CV geheel identiek zijn. Hiervòòr noemde ik uw raad al de artikelen 3, 4, 27, 33 en 57 van de CV. U zult de identieke analoge artikelen van BW 2 titel 9 herkennen, met als opvallende verschillen dat de CV in artikel 4 expliciet toepassing van het stelsel van baten en lasten voorschrijven, hetgeen BW 2 titel 9 impliciet veronderstelt, en - dat is opvallend - waar BW 2 titel 9 niet het expliciete voorschrift van het all inclusive concept kent, de CV dit uitdrukkelijk wèl voorschrijven.
Een niet onaardig detail is het, dat de expliciete all-inclusive-eis van de CV, de CV die aan mijn persoon te danken hebben. Ik was namelijk toenter­tijd bij het concipiëren van de CV één van de adviseurs van het ministerie (van BiZa) en heb me er toen sterk voor gemaakt dat die eis in de CV kwam. Met succes, zoals u ziet.

Nu ik nooit beweerd heb dat jaarrekeningen van gemeenten en dus ook die van Wijk bij Duurstede aan BW 2 titel 9 moeten voldoen, vervalt de hele ratio van wat VB onder 2.1 daarover zegt en vervallen eveneens de conclusies die VB daaraan verbindt.
Ik verzoek uw raad daar goede notitie van te nemen.

In tegenstelling tot wat VB zegt over vermeende verschillen tussen CV en BW 2 titel 9 (het valt op dat VB die verschillen niet d.m.v. citaten uit de CV aan­toont), laten de CV niet toe, laat staan dat ze het voorschrijven, dat (bijzondere) baten en lasten buiten de rekening om rechtstreeks in het eigen vermogen verwerkt mogen worden (het tegendeel is zelfs het geval!), extra afschrijvingen (d.w.z. zonder economische noodzaak) mogen worden "gedaan" en dat rente over (delen van) het eigen vermogen als gefin­geerde lasten opgevoerd mogen worden. (Omdat het er niet staat, kan ik het uw raad uiteraard niet laten zien.)

3.4  Bedoelingen

Onder 2.2 uit VB allerlei insinuaties over mijn bedoelingen met en mijn manier van optreden in mijn discussie met mijn gemeenteraad. Het zijn insinuaties gespeend van alle werkelijkheid. De werkelijkheid is geheel anders, ook waar het gaat om wat ik gedaan heb voordat ik de publiciteit zocht. Dit is VB niet bekend en dat hoeft ook niet. Het wordt echter storend als VB beweert het wèl te weten, er behoorlijk naast zit, maar het toch ten onrechte in een klacht als deze uitgebreid aan uw raad voorlegt.
Ik verzoek uw raad ook hier goede notitie van te nemen.

Aan het slot van 2.4 noemt VB mijn wijze van optreden "denigrerend". Ook dit is stellig niet waar. Uit mijn contacten met gemeenteraadsleden van de partijen Burger Belangen '96, PCG, Groen Links en VVD weet ik wel beter. Om uw raad te overtuigen memoreer ik uw raad de brief van mijn gemeenteraad aan mij van 12 januari 1998 (Bijlage 1), waarin alle fracties alle waardering voor mij uitspre­ken.
Ik verzoek uw raad ook hier goede notitie van te nemen.

3.5  Volledigheid rekening

Onder 2.3 zegt VB zelf dat er baten en lasten buiten de rekening gebleven zijn. Hiermee onderstreept VB zelf mijn gelijk in mijn discussie met mijn gemeente­raad dat het saldo van de baten en lasten niet ƒ 1,5 miljoen is.
Uit wat VB zelf zegt, blijkt dat VB niet op de hoogte is met het voorschrift van CV artikel 27 die de volledigheid van de rekening, het all inclusive concept, dwingend voorschrijft.
Ik verzoek uw raad hier goede notitie van te nemen.

Aan het slot van 2.3 stelt VB dat ik mijn (herhaalde) stelling dat de rekening volledig moet zijn, nergens onderbouwd heb. Blijkbaar wil VB het niet lezen, want ik heb dit in mijn "schrifturen" waar nodig herhaaldelijk wèl onderbouwd. Wel degelijk heb ik verwezen naar CV artikel 27 (voor de jaarrekening) en artikel 9 (waar voor de begroting hetzelfde bepaald is). Ik verwijs uw raad bijvoorbeeld naar mijn brief aan mijn gemeenteraad van 3 oktober 1997, pagina 3, 3e alinea (Productie 7 van VB).
Ik verzoek uw raad ook hier goede notitie van te nemen.

Overigens, ook al zouden de CV de volledigheid van de rekening niet expliciet voorschrijven, dan nog schrijven de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (als inventarisatie van de ook in de CV als normatief aangegeven "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwd worden") de volledigheid van de rekening voor in Richtlijn 2.41.202. (De in Richtlijn 2.41 "Mutaties in het eigen vermogen" genoemde uitzonderingen doen zich in een gemeente niet voor.) VB is blijkbaar van deze Richtlijn niet op de hoogte, anders zouden ze niet schrijven (klacht, pagina 5 bovenaan):
.... welke baten en lasten het college met instemming van de gemeenteraad en in overeenstemming met de comptabiliteitsvoorschriften rechtstreeks verrekent met reserves.

3.6  Deugdelijke grondslag

VB stelt aan het slot van 3 (pagina 6) dat mijn uitspraken (over de deugdelijk­heid van de jaarrekening) een deugdelijke grondslag zouden missen, om de eenvoudige reden dat ik geen accountantscontrole heb uitgevoerd.
Dat ik geen accountantscontrole heb uitgevoerd, is waar. Maar iedereen die in staat is een jaarrekening te lezen (en ik meen dat te kunnen), kan aan de jaarrekening zelf zien wat er fout aan is. Daar is geen accountantscontrole voor nodig. Daar hoef je ook geen (openbaar) accountant en ook geen registerac­countant voor te zijn. Dat wil echter nog niet zeggen dat ik geen deugdelijke grondslag voor mijn beweringen over de jaarrekening heb!
Uw raad oordele zelf.

3.7  Verantwoordingsstuk

VB stelt onder 4 dat de jaarrekening en de begroting geen verantwoordingsver­slagen van de gemeenteraad t.b.v. de burgers zouden zijn. Hiermee suggererend dat ik mij niet over die begroting en jaarrekening zou mogen uitlaten?
Zouden de gemeenteraadsleden met het mandaat van de burgers geen rekening en verantwoording aan diezelfde burgers hoeven af te leggen? Uiteraard wel! De begroting (verantwoording van de uit te voeren plannen en de voorgenomen bestedingen etc.) en de jaarrekening (verantwoording van de uitvoering van de plannen en de werkelijke bestedingen etc.) zijn bij uitstek verantwoordingsver­slagen richting de burgers. Niet voor niets regelt de Gemeentewet in artikel 190 lid 2 (voor de begroting) en in artikel 197 lid 3 (voor de jaarrekening) expliciet dat deze ter inzage moeten worden gelegd.

Overigens zijn de begrotingen en de jaarrekeningen ook voor anderen dan alleen de burgers van groot belang. Ten minste voor de Provincie t.b.v. het financieel toezicht op de gemeente; ten minste voor het Rijk voor het bepalen en uitvoe­ren van het rijksbeleid inzake de financiering van de gemeenten.
Misleidende jaarrekeningen van gemeenten kunnen ook de belangen van anderen dan alleen de burgers van die gemeenten schaden.
Ik neem aan dat ik uw raad daarvan niet hoef te overtuigen.

3.8  Politieke behandeling

Wat VB stelt onder 5 "Politieke behandeling" (pagina 6/7) is een en al insinua­tie. Daar kun je je moeilijk tegen verdedigen.
Ik volsta met enige feiten:

- Ik heb als burger het recht om in commissievergaderingen vooraf (over onderwerpen die op de agenda staan) of achteraf (over onderwerpen die niet op de agenda staan) spreekrecht te vragen. Het is geen plicht. Tijdens commissievergaderingen bestaat geen mogelijkheid tot discussie met de raadsleden. Ik achtte mijn brieven duidelijk genoeg, zodat mondelinge toelichting n.m.m. niet nodig was. Raadsleden die geïnteresseerd zijn, kunnen mij altijd persoonlijk benaderen, wat verschillenden inderdaad gedaan hebben.

- In de vergadering van de commissie "Middelen" van 4 november 1997 heb ik wèl van mijn spreekrecht gebruik gemaakt (Productie 11 van VB). Op heel eenvoudige en elementai­re wijze heb ik geprobeerd (voor niet financieel deskundigen!) uit te leggen wat er met de begroting 1998 fout was gegaan. (Productie 11 van VB). Van enig sarcasme was in het geheel en beslist geen sprake. VB was daarbij niet aanwezig.

- Het spreekrecht is een burgerlijk recht. De suggestieve termen van VB: "zou van de voorzitter alle ruimte hebben gekregen" en "met een uiterste dosis coulance" zijn in het geheel niet van toepassing. Een voorzitter van een commissievergadering die met dit soort termen burgers die van hun spreek­recht (geen) gebruik wensen te maken, zou bejegenen, zou onmiddellijk zijn "terug­gefloten". Overigens ben ik ook niet op een dergelijke wijze door de voorzit­ter bejegend.

Wat betreft de waardering voor mijn activiteiten verwijs ik uw raad (nogmaals) naar de brief van de gemeenteraad van 12 januari 1998, ondertekend door alle fractievoorzitters. (Bijlage 1)

Ik verzoek uw raad de suggestieve en insinuerende opmerkingen van VB als onwaardig op waarde te schatten en dit VB als zodanig aan te rekenen.

3.9  Samenvatting van VB

Het spreekt voor zich dat ik tegen veel beweringen van VB in zijn "Samenvat­ting" (pagina 7) grote bezwaren heb. Ik heb de belangrijkste hiervòòr al weerge­geven.

In zijn samenvatting spreekt VB over een laten escaleren van de zaak. Zo er al sprake is van escalatie, en wie daar dan ook de schuldige van moge zijn, maar als mijn gemeentebestuur publiceert dat ik volstrekt ongelijk heb, denk ik alle recht te hebben mij daar ook publiekelijk tegen te mogen verweren. Mijn eigen geloofwaardigheid, en dus die van een registeraccountant (!) staat op het spel.

4  Evenwicht tussen partijen

Het zal uw raad duidelijk zijn dat VB over meer middelen, mankracht en profes­sionele externe ondersteuning in deze zaak beschikt dan ik. Ik sta er alleen voor; financiële middelen om professionele externe ondersteuning in te roepen heb ik niet. Mijn verweer en overige voorbereiding op de behandeling van de zaak moet ik in mijn spaarzame vrije tijd "organiseren".
Bovendien is één van de vertegenwoordigers van VB, H. Medema RA, oud-lid van uw raad en heeft zodoende meer ervaring in procesvoering voor uw raad dan ik, die deze ervaring ten enenmale mis.
Ik moge uw raad verzoeken hiermee rekening te houden.

5  Conclusies

Ik moge uw raad verzoeken,
op grond van de argumenten als door mij hiervòòr aangevoerd:

- VB in zijn eerste klacht niet ontvankelijk te verklaren dan wel de eerste klacht ongegrond te verklaren;

- VB ook in zijn tweede klacht, niet ontvankelijk te verklaren dan wel de klacht ongegrond te verklaren;

- in uw uitspraak in deze zaak op te nemen dat ik naar uw oordeel zeer goede redenen had en heb om als burger van Wijk bij Duurstede in verweer te komen tegen de berichtgeving door mijn gemeente­bestuur in en over de jaarrekening van Wijk bij Duurstede;

- te overwegen of niet in deze zaak de verkeer­de registeraccountant bij u als aangeklaagde is voorgedragen;

- te overwegen of niet Bruggeman zich naar uw oordeel schuldig heeft ge­maakt aan schending, zo niet grove schen­ding, van diverse bepalingen van de GBR, m.n. artikel 5;

- in het geval uw raad dit laatste van oordeel is, te overwegen uw tegen Bruggeman gerezen bezwaren ambtshalve in behandeling te nemen. Wet op de Registeraccountants artikel 40 lid 1 geeft u daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid;

- goede notitie te nemen van mijn opmerkingen waar ik uw raad in het bijzon­der om die aandacht vraag.

Wijk bij Duurstede, 27 januari 1998

BIJLAGEN


1. Brief van gezamenlijke fracties van de Gemeenteraad van Wijk bij Duurste­de d.d. 12 januari 1998
2. Artikel uit de Wijkse Courant d.d. 30 juli 1997
3. Aanbiedingsbrief van college van b&w (pagina 3 uit Jaarrekening 1996)
4. Accountantsverklaring bij jaarrekening
5. Artikel uit de Wijkse Courant d.d. 10 december 1997
6. De accountantsverklaring bij jaarrekeningen van gemeenten: andere tekst of andere strekking
    drs L.W. Verhoef RA, De Accountant, juli/augustus 1995